De Britse Veldtocht in Tibet in 1903 en 1904 was een invasie van Tibet door het Brits-Indische leger. Het doel was te voorkomen dat het keizerrijk Rusland zich zou mengen in Tibetaanse aangelegenheden en zo vaste voet zou krijgen in een van de bufferstaten rondom Brits-Indië. Om dezelfde reden waren de Britten twintig jaar eerder Afghanistan binnengevallen.

Hoewel de Britten snel en succesvol waren in het bereiken van hun militaire doelen, was de invasie politiek gezien erg onpopulair bij het thuisfront in het Verenigd Koninkrijk. De gevolgen voor Tibet waren, ondanks de slachtoffers en de economische ontwrichting, minimaal en eventuele veranderingen hielden niet lang stand.

Aanloop miniatuur|Lord Curzon

Sinds het einde van de achttiende eeuw hadden diverse gouverneurs-generaal van Brits-Indië getracht om via Tibet een positie ten opzichte van keizerrijk China in te nemen. In de tijd dat er nog geen rechtstreekse diplomatieke relaties met Tibet waren, had Warren Hastings zijn protegé George Bogle in 1774 naar Tibet gezonden om via de achterdeur van de panchen lama en Tibet contacten te leggen met het keizerlijk hof in Peking.

Vanaf het midden van de negentiende eeuw begon het accent te liggen op het openen van Tibet voor producten uit Brits-Indië. Daarnaast waren kringen rond George Curzon bevreesd voor de toenemende Russische invloed in Centraal-Azië. De aanwezigheid van de Russische ontdekkingsreiziger Gombojab Tsybikov en Agvan Dorjiyev, een hoveling van de dertiende dalai lama Thubten Gyatso, in Lhasa versterkten geruchten dat Tibet binnenkort binnen de Russische invloedssfeer zou kunnen vallen.

De Britten probeerden handelsovereenkomsten te sluiten met Tibet en China en zo hun invloed ten noorden van Brits-Indië te vergroten. Al in 1893 had Hamilton Bower van de Britse Militaire Inlichtingendienst in een rapport een militaire actie voorgesteld om de markt in Tibet voor meer producten uit Brits-Indië te openen. De Chinese invloed in Tibet was echter na 1900 zeer gering en de Chinezen konden de Tibetanen niet overreden om aan onderhandelingen deel te nemen.

De veldtocht miniatuur|250px|Francis Younghusband met de amban Curzon concludeerde dat China niet de macht of autoriteit had om de Tibetaanse regering hiertoe te dwingen. Hij kreeg toestemming van Londen om naar Khamber Jong een militaire expeditie te sturen die geleid werd door kolonel Francis Younghusband. Toen Younghusband daar Tibetaanse noch Chinese ambtsdragers aantrof, trok hij verder met 1150 soldaten, 10.000 dragers en ondersteuners en duizenden pakdieren naar Tuna, 30 kilometer over de grens. Nadat zij hier enkele maanden tevergeefs gewacht hadden in de hoop onderhandelaars te ontmoeten, kreeg de expeditie in 1904 orders verder te trekken naar Lhasa.Powers, John (2004) History as Propaganda: Tibetan Exiles versus the People's Republic of China, Oxford University Press,

Onder leiding van de dertiende dalai lama besloot de regering troepen in stelling te brengen tegen de buitenlandse macht die naar de hoofdstad optrok. Omdat ze wist dat ze geen hulp kon verwachten van China wilde ze het zware terrein en het in de bergen getrainde leger gebruiken om de Britten tegen te houden.

De Britse autoriteiten bereidden zich eveneens voor op de gevechtshandelingen in de bergen en stelden een leger samen dat grotendeels bestond uit Gurkha's en Pathanen uit de bergachtige regio's van Brits-Indië. De hele legermacht bestond uit 3000 strijders en 7000 sherpa's, dragers en kampondersteuners. Er werd toestemming voor de operatie gegeven door Londen, hoewel het niet duidelijk is of de regering van Arthur Balfour volledig op de hoogte was van de omvang hiervan of van het Tibetaanse voornemen zich te verzetten.

De slag om Goeroe thumb|Majoor Francis Younghusband leidde het Britse leger naar Lhasa in 1904 Het Britse leger vertrok uit Gnatong in Sikkim op 11 december 1903. Het had een lange ervaring in het voeren van grensoorlogen in Brits-Indië. Commandant brigadier J. R. Macdonald overwinterde in aan de grens en gebruikte de tijd om zijn troepen te trainen voordat het vertrok in maart 1904.

Het eerste obstakel kwam hij tegen op 31 maart op de pas van Goeroe in de buurt van het meer Bhan Tso. Hier kwam oog in oog te staan met een Tibetaanse legermacht van 3000 troepen die gewapend waren met primitieve matchlock-musketten en dekking vonden achter een muur van anderhalve meter.

Vanaf hier verschillen de Britse en Tibetaanse lezing. Volgens de Britten reed de Tibetaanse generaal op Younghusband en Macdonald af om ze te ontmoeten. Hij toonde daarbij zijn onervarenheid door de westelijke flank van de pas niet te versterken, waardoor de soldaten openlijk in zicht kwamen van de Britten. Hij hoopte bloedvergieten te voorkomen, gezien het geschut nog niet was begonnen en hij gaf mogelijk vanuit een gebaar van goede wil het bevel aan zijn troepen om de lonten op de musketten te doven. Macdonald weigerde de waarschuwingen van de Tibetaanse generaal te accepteren en zond Sikh- en Gurkha-soldaten uit om de Tibetaanse krachten te ontwapenen. De Tibetanen konden zich niet met hun musketten verzetten, gezien het opnieuw aansteken een langdurig en ingewikkelde onderneming is, maar weigerden ook hun wapens af te staan wat uitliep op een vuistgevecht.Volgens de Britten werd de Tibetaanse generaal kwaad werd bij het zien van de vechtpartij en loste hij een schot in het gezicht van een Sikh-soldaat, in zijn weigering zijn moderne pistool af te staan. Dit leidde tot een gewelddadige reacties van de makkers van de soldaat die de situatie in een snel tempo deden escaleren.

Volgens Tibetaanse lezing was hun generaal om de tuin geleid waardoor hij de lonten van de musketten liet doven. Toen dit eenmaal gebeurd was, openden de Britten alsnog het vuur. Het fatale schot van de generaal vond naar Tibetaanse verklaringen pas plaats nadat de slag was begonnen.

Het was op dit moment waarin de oorlog onomkeerbaar was verklaard, hoewel de oorlog nooit officieel verklaard is geweest. Ongeacht de lezing, duurde de slag niet lang. Toen de Tibetaanse troepen eenmaal ontwapend waren, probeerden ze terug te trekken. Ze raakten met elkaar en het steile landschap verstrikt, waardoor ze blootstonden aan gedisciplineerde geweersalvo's van de Sikh- en Gurkha-regimenten en het geschut van de Britse Maxim-machinegeweren. Ondanks dit vernietigende geschut bereikten de troepen beschutte plaatsen, waarbij ze tussen de 600 en 700 dodelijke slachtoffers achterlieten en 168 gewonden waarvan er 148 als krijgsgevangenen overleefden. Onder de doden was ook de Tibetaanse generaal. Aan Britse zijde waren er twaalf slachtoffers.

In deze slag en enkele erna droegen Tibetanen amuletten (mogelijk tsakli's, thokcha's of dzi's) waarvan hun lama's hadden beloofd dat ze hen op magische wijze zouden beschermen. Tibetanen toonden zich na een slag in diepe verwarring over de ineffectiviteit van deze amuletten.

Verdere opmars Macdonald trok met hoge snelheid verder en passeerde een week later verlaten verdedigingswerken bij Kangma en op 9 april probeerde hij door de Rode Afgodkloof te trekken die versterkt was om doorgang te voorkomen. Macdonald beval zijn Gurkha-troepen de steile berghellingen van de kloof te beklimmen en de verdekte Tibetanen uit de kliffen te verjagen. Hier werd een begin aan gemaakt maar al snel kwamen ze terecht in een hevige sneeuwstorm waardoor alle communicatie met de Gurkha-troepen afgesneden werd. Enkele uren later stuitten verkenningseenheden op open vuur. Aan het eind van de middag bleek dat de Gurkha's er toch in waren geslaagd posities boven de Tibetaanse troepen in te nemen. Geconfronteerd met vuur van boven en onderen verlieten de Tibetanen hun posities en trokken zich terug, waarbij ze opnieuw onder hevig vuur van de Britse artillerie kwamen. De Tibetanen verloren in deze slag 200 soldaten; aan Britse zijde waren de verliezen opnieuw verwaarloosbaar.

De missie dreigde uit te lopen op een slag in vrijwel elke pas en elk dorp die ze voorbij trokken. Macdonald probeerde dit op te lossen door zijn strijdkrachten op te delen in eenheden van enkele honderden mannen die naar verschillende punten op de route werden gezonden. Hierdoor konden kleinere Tibetaanse defensie-eenheden worden ingesloten en de Britse hoofdtroepen op hogere snelheid blijven doortrekken.In deze tijd vonden er twee kleinere acties plaats, waaronder een op 5 mei, waarbij het Britse garnizoen op de versterkte boerderij met de naam Chang Lo werd aangevallen door naar schatting 800 Tibetanen. De Britten werden gealarmeerd door de oorlogskreten van de aanstormende Tibetanen, waardoor ze tijd hadden rijen te vormen en de aanvallers met een verlies van 160 doden moesten terugtrekken.De andere schermutseling vond plaats op 9 mei toen de Tibetaanse posities op de Garopas werden aangevallen door de Gurkha-troepen, die een klif onder open vuur waren beklommen om de Tibetanen in de flank aan te vallen. De Tibetanen waren genoodzaakt zich weer verder terug te trekken en leden daarbij opnieuw zware verliezen.

miniatuur|200px|Het Gyantse-fort anno de jaren 00 miniatuur|200px|Bergkanonnen In de twee maanden die erop volgden, verzamelde Macdonald zijn troepen in de buurt van Chang Lo. Hij liet enkele obstakels vrijmaken met de bedoeling de belangrijke Tibetaanse vesting bij Gyantse Dzong aan te vallen. Het fort Gyantse keek uit over de Britse bevoorradingsroutes waardoor het een primair doel was voor Macdonalds leger en wanneer deze vesting zou worden genomen, was de weg naar Lhasa nagenoeg vrij. In de voorbereiding was het laatste obstakel naar Gyantse Dzong op 28 juni uit de weg geruimd met de inname van een versterkt klooster dat via een gevecht van huis tot huis werd ingenomen door de Pathaanse soldaten. Het Tibetaanse antwoord op de invasie had steeds slechts geheel vertrouwd op statische verdediging en de besluiping vanuit de bergen op de passerende colonne. Beide methoden bleken niet effectief.

De bestorming van het Fort Gyantse Het Gyantse-fort was een massief en goed beschermd fort dat bezet werd door de beste Tibetaanse troepen uitgerust met de enige artillerie die het land bezat, met een sterke ligging hoog boven de vallei. De Britten hadden geen tijd voor een langdurige belegering en Macdonald besloot een schijnaanval in te zetten die de Tibetanen gedurende enkele dagen bij de muren weg moest lokken. Hierna moest een artilleriebombardement met bergkanonnen een bres slaan waarna zijn hoofdstrijdkrachten het fort direct zouden bestormen. Dit plan werd uitgevoerd op 4 juli, waarbij Gurkha-troepen verschillende batterijen in de nabijheid van het fort brachten, door onder vuur de kliffen te beklimmen.

De uiteindelijke aanval vond plaats op 6 juli en ging niet als gepland gezien de Tibetaanse muren sterker waren dan was aangenomen. Het duurde elf uur voordat de bres geslagen was. Dit was pas om vier uur 's middags waardoor er weinig tijd over was om het fort in te nemen voordat de nacht inviel. De aanval werd onder zwaar geschut ingezet door Gurkha's en de Royal Fusiliers; hierbij vielen enkele doden. Twee soldaten wisten door de flessenhals heen te breken en de muren in te nemen. Toen dit gebeurd was gaven de Tibetanen op en trokken zich in goede orde terug. Op de weg naar Lhasa vormden ze geen serieus probleem meer voor de troepen van Macdonald.

Binnenkomst in Lhasa thumb|links|De Britten trokken verder naar het Potala-paleis Younghusband nam het commando van de missie over, nu de weg vrij was. Bij de opmars gingen 2000 soldaten mee en bleef de rest achter om de weg terug naar Sikkim te beschermen. De troepen arriveerden in Lhasa op 3 augustus en ontdekten dat de dalai lama was gevlucht naar Urga, de hoofdstad van Buiten-Mongolië.