Operatie Chariot, ook wel de Raid op Saint-Nazaire genoemd, was een Britse aanval tijdens de Tweede Wereldoorlog op de zwaar verdedigde dokken in de haven van Saint-Nazaire in het door de Duitsers bezette deel van Frankrijk, in de nacht van 28 maart 1942. De militaire operatie werd ondersteund door de Royal Air Force, de Royal Navy en commando-eenheden onder leiding van Louis Mountbattens Combined Operations Headquarters.
thumb|300px|De voormalige USS Buchanan (DD-131) uit 1919. Zij werd omgedoopt tot HMS Campbeltown
HMS Campbeltown De verouderde torpedobootjager HMS Campbeltown onder bevel van luitenant-ter-zee Stephen Halden Beattie en vergezeld door achttien lichte motorsnelboten, ramde in Saint-Nazaire de caissonsluisdeur van het Normandie-droogdok en werd uren later opgeblazen, terwijl ze vast lag op de sluisdeur in het droogdok. De commando's landden in de dokken en vernietigden verschillende dokconstructies. In totaal werden 169 Britse commando's gedood en 215 krijgsgevangen genomen: 22 commando's ontsnapten terug naar Groot-Brittannië in de motortorpedoboten (MTB's) en vijf man ontsnapten via Spanje terug naar Engeland. Aan Duitse zijde vielen 360 doden en 127 gewonden. Deze Duitse doden en gewonden waren niet alleen gevallen in de strijd, maar ook door de explosie van de ondermijnde HMS Campbeltown in het droogdok, die rond de middag van 28 maart ontplofte. Ook werden ongeveer 300 Franse havenarbeiders als vergelding doodgeschoten, evenals eigen mensen van Organisation Todt.
Resultaat Het verlies van het droogdok van Saint-Nazaire belemmerde de eventuele herstelling van zware Duitse oorlogsbodems. Hier konden de slagschepen Tirpitz, Gneisenau, Scharnhorst en andere grote oorlogsschepen in afmeren voor herstel.
Vijf Victoria Crosses werden aan de mannen uitgereikt die deelnamen aan deze raid, die werd genoemd The Greatest Raid of All.
Normandiëdok-Droogdok thumb|750px|center|Grondplan van de haven van Saint-Nazaire in 1942. Links de Avant-Port met de Zuidsluis. Onderaan is de in- en uitgang van het Normandië-Droogdok en de Oude Ingang met de Oude Pier
Het droogdok werd gebouwd tussen 1928 en 1935 voor het toenmalige Franse passagiersschip SS Normandie, waarnaar het ook wel het "Normandiëdok" genoemd werd. Het dok was 350 meter lang en 50 meter breed; aan de ene kant kwam het uit in het Penhoëtdok en aan de andere zijde gaf het toegang tot de Loire-zeezijde. Het sluisdok bevatte caissonsluisdeuren, samengestelde constructies van stalen holtegeleiderschachten die elk 51 meter lang en elf meter breed waren.
Er waren verscheidene redenen voor deze aanval. Het hoofddoel was de Forme Ecluse Louis Joubert, toentertijd het grootste droogdok ter wereld en het enige dok aan deze zijde van de Atlantische Oceaan waarin het grootste slagschip Tirpitz van de Kriegsmarine terechtkon om herstellingen te laten uitvoeren. De Britten drongen aan op een marine- en commandoaanval, uit vrees dat het slagschip Tirpitz, dat een bedreiging vormde voor de Britse kust en scheepvaart, overgebracht zou worden naar Saint-Nazaire.
Naast het droogdok was de ingesloten haven met een nieuwe onderzeebootbasis een doel, gebouwd door Organisation Todt, met veertien enorme onderzeebootbunkers, met aan de overzijde nog één onderzeebootbunker waarin nu de museum-onderzeeboot Espadon gemeerd ligt (dit is een voormalige Franse onderzeeër, die men kan bezoeken). Dit alles was met de zee verbonden via twee in- en uitgangen die beiden werden bediend met sluissystemen, een oostelijke toegang naar het Normandië-dok en een zuidelijke toegang met de Nieuwe Ingangsluis, naar de Avant-Port (Voorhaven) uit 1907.
Duitse kust- en havenverdediging De Duitse kust- en havenverdediging te Saint-Nazaire werd voorzien als tweede verdedigingslinie in het westelijke gedeelte van Frankrijk, na die van Brest. Aan beide zeezijden van de heenweg werden kustversterkingen aangebracht, die bemand werden door het 280ste Kriegsmarine-artilleriebataljon onder bevel van Edo Dieckmann en het 22ste Kriegsmarine Flakbataljon onder bevel van C. C. Mecke.
De verdedigingswerken aan de noordkant waren uitgerust met vier 15 cm houwitsers, vier 17 cm kanonnen en vier 7,5 cm kanonnen te Pointe de Chémoulin, ten zuidwesten van Saint-Nazaire, en vier 8,8 cm kanonnen en tien 20 mm of 40 mm kanonnen te Villès Martin, dicht bij Saint-Nazaire. Verderop in La Baule-Escoublac waren 10,5 cm kanonnen aanwezig en twee 24 cm spoorwegkanonnen opgesteld. Over de zeearm vanaf Saint-Nazaire stonden weer vier 7,5 cm kanonnen opgesteld in Saint-Gildas-des-Bois, een ander viertal kanonnen waren in Le Pointeau en tien 20 mm kanonnen te Mindin aanwezig.
In het havengebied stonden 30 20 mm kanonnen verspreid, met daar rondom vijftien 40 mm kanonnen en een flakschip, de Sperrbrecher 137, dat net buiten de haven lag. Daarnaast was in de stad zwaar luchtafweergeschut opgesteld. Radarstations waren operationeel in Le Croisic en te Saint-Marc-sur-Mer en op alle Duitse posities stonden grote zoeklichten. Circa duizend man in Saint-Nazaire moesten dit alles verdedigen en bewaken en daarnaast waren nog eens zo'n vijfduizend man aan militair personeel in de stad aanwezig. Naast de onderzeeboten had de Kriegsmarinesterkte in Saint-Nazaire dan ook nog tien mijnenvegers, vier torpedoboten en de geduchte E-boote of ook S-boote (Schnellboote).
Brits plan De Britse torpedojager HMS Campbeltown was een verouderd Amerikaans oorlogsschip, de voormalige USS Buchanan (DD-131), dat overgebracht werd naar de Britten in het begin van de oorlog, als deel van de Amerikaans-Britse Torpedobootjagersoverdrachtovereenkomst. De Campbeltown werd in twaalf dagen tijd verbouwd zodat ze leek op een Duitse Möwe-klasse-torpedobootjager, alhoewel de gelijkenis verre van perfect was. Onder andere werd de bewapening verminderd tot enkele QF 12-pounder (76 mm) kanonnen en acht 20 mm Oerlikon-snelvuurkanonnen. Twee schoorsteenpijpen werden ingekort, twee andere werden verwijderd en vóór het stuurhuis extra bepantsering aangebracht om de brugbemanning beter te beschermen. Benedendeks werden explosieven geplaatst, net achter het 'A'-kanon: 24 Mark VII dieptebomladingen, ingesloten in stalen tanks en betonnen omhulsels. Elke dieptebom bevatte 132 kg amatol zodat er in totaal 3,14 ton aan explosieven in het schip lagen.
De torpedobootjager zou de sluisdeur van het droogdok rammen, waarna de bemanning hem zou verlaten en het schip uren later zou ontploffen in het droogdok. De Campbeltown stond onder bevel van luitenant-ter-zee Stephen Halden Beattie en de bemanning werd gehalveerd tot 75 matrozen. De Campbeltown werd vergezeld door motorsnelboten (ML's, Motor Launches), de motortorpedoboot MTB 74 en de motorkanonneerboot MGB 314. Verder voerden nog twee torpedojagers mee, HMS Atherstone en HMS Tynedale, beide van de Hunt-klasse.
Aan de actie namen ook 611 commando's deel. De marinebevelhebber was kapitein-luitenant Robert E. D. Ryder en de commando's werden geleid door luitenant-kolonel August C. Newman. De commando's werden ingedeeld in drie afzonderlijke groepen: twee op de motorsnelboten en één op HMS Campbeltown. De commandogroepen werden verder gesplitst in aanvals-, vernielings- en beschermingsteams. De vernielingsteams hadden elk zo'n 30 à 40 kg springstof mee, evenals ontstekers, voorhamers, sloophamers en bijlen, en waren enkel gewapend met pistolen. De beschermingsteams waren bewapend waren met Thompsonmachinegeweren, handgranaten en stenguns. Zij moesten hun kameraden beschermen en verdedigen terwijl die de vernielingstaken uitvoerden.
Luchtsteun werd gegeven door RAF Bomber Command, maar dit verminderde het aantal beschikbare vliegtuigen verschillende keren zodat uiteindelijk 35 Armstrong Whitworth Whitley-bommenwerpers en 25 Vickers Wellington-bommenwerpers beschikbaar waren. Hun doeltreffendheid werd verder nog eens beperkt door de opdracht van Churchill dat het aantal Franse burgerslachtoffers minimaal moest zijn. Dit luchtbombardement door de RAF was ook bedoeld als afleidingsmanoeuvre, om de Duitsers te laten denken dat het alleen maar om een luchtaanval zou gaan en hen geen vermoeden te geven dat er een grote scheeps- en commandoaanval vanuit zee aankwam.
Raid op Saint-Nazaire De militaire strijdmacht die voor de raid uitgekozen was, bestond uit Number 2 Commando, geleid door luitenant-kolonel A. C. Newman en acht vernielingsploegen, samengesteld uit manschappen van de Commando's Number 1, 2, 3, 4, 5, 9 en 12. Ze werden voor hun taak opgeleid door kapitein Pritchard. De planning begon ongeveer in februari 1942 die natuurlijk de grootst mogelijke geheimhouding vereiste. De Commando's werden samengesteld alsof ze een bepaalde opleidingstraining moesten ondergaan en werden aan boord van de Princess Josephine Charlotte in Falmouth in Cornwall samengebracht. Uiteindelijk vertrok de strijdmacht op 26 maart 1942 om 14.00 uur uit Falmouth en voerden in drie colonnes met een snelheid van 14 knopen (26 km/h), richting de Zuid-Bretonse kust voor de aanvang van Operatie Chariot.
Op 27 maart, de tweede dag van de uitreis werd een Duitse U-boot, de U-593 waargenomen. HMS Tynedale opende het vuur en wierp dieptebommen af op de ondertussen ondergedoken onderzeeboot. De expeditie liep toen haar koers aan naar La Pallice, maar dat nam niet weg dat commander Ryder dacht dat de U-boot hun positie zou hebben doorgeseind zodat hij genoodzaakt was om terug te keren en de operatie af te blazen. Maar later bleek dat de U-boot alleen de torpedojagers had opgemerkt en waarschijnlijk niet de laag op het water liggende ML's had gezien. Even later werden een paar Franse vissersboten opgemerkt en één ervan, de Le Slack werd gepraaid. Hoewel er niets verdachts werd opgemerkt aan boord, werden de Franse vissers overgebracht naar HMS Atherstone. Het werd avond en omstreeks 20.00 uur stopte de strijdmacht die op dat moment nog niet ontdekt was. De hoofdkwartierstaf stapten over op de MGB 314.
Om 22.00 uur werd recht voor hen een licht gezien van de Britse onderzeeër HMS Sturgeon, die als navigatiebaken dienstdeed. De Britse strijdmacht hees de Duitse vlag in haar masttop en begonnen de brede rivier, de Loire op te varen met voorop de MGB 314. Daarachter voer HMS Campbeltown en daarachter 14 ML's in twee colonnes met als hekkensluiter de motortorpedoboot MTB 74. Ondertussen bombardeerden de RAF de Duitse stellingen in de havendokken van Saint-Nazaire. De expeditie voer zonder noemenswaardige hindernissen door de verraderlijke moddervlakten aan de monding van de Loire. De Campbeltown en zijn escorte gebruikten het springtij om over de zandbanken te laveren. De strijdmacht werd voor het eerst opgemerkt door de vijand om 01.15 uur, door het maanlicht en toen om 01.22 uur opeens Duitse zoeklichten vanuit de beide waloevers aanflitsten, werd de strijdmacht aangeroepen. Toen waren ze nog iets meer dan 1,5 zeemijl (2,8 km) van hun doel verwijderd.
De officier van de verbindingsdienst Pike, die zich als Duits onderofficier had vermomd, seinde terug en gaf het oproepteken van een Duitse torpedojager, dat de Britten met Enigma hadden gedecodeerd na de Operatie Archery in Noorwegen. Hij verzocht de kustbatterijen te wachten en voegde er in duidelijke taal aan toe dat twee vaartuigen, die door gevechten averij hadden opgelopen, toestemming vroegen om onmiddellijk door te varen naar de haven. De paar kanonnen die al waren gaan vuren, zwegen, maar op de noordelijke oever bleven ze doorschieten. De MGB 314 gaf toen het internationale teken voor schepen die aangevallen werden door de eigen strijdkrachten.