De Jacobuskerk van Zeerijp is een middeleeuwse kruiskerk met een vrijstaande klokkentoren. In de kerk zijn romanogotische en vroeggotische elementen terug te vinden. De kerk was oorspronkelijk gewijd aan de apostel Jakobus de Meerdere. In de kerk is sinds 2006 een Archeologisch Informatiepunt gehuisvest. Het Jacobspad voert langs de kerk.

De kerk staat op een groot kerkhof en is nog deels omgracht. Een deel van de gracht werd gedempt bij de restauratie in de jaren 1960. De ingang naar het kerkhof en de kerk wordt gevormd door een tussen 1793 en 1795 geplaatst smeedijzeren hek met geblokte penanten, dat mogelijk afkomstig is van de gesloopte borg Haykema. Op het kerkhof staat een baarhuisje uit 1893. Voor zover bekend stond hier ook het laatste knekelhuis van Groningen, dat in 1838 werd afgebroken.Vries, P. de (2007), Het huisje op de begraafplaats. p. 11.

Bijzonderheden aan de kerk zijn dat het de laatste Groninger kerk was die, weliswaar deels, in de stijl van de romanogotiek is gebouwd en het feit dat er sinds de bouw slechts weinig aan de kerk is gewijzigd.

In januari 2018 maakte de Stichting Oude Groninger Kerken, beheerder van de kerk, bekend dat de toren van de Jacobuskerk schade had geleden door bodemdaling en aardschokken veroorzaakt door aardgaswinning in dit deel van Groningen.Meterslange aardbevingsscheur in monumentale toren Zeerijp, RTV Noord, 16 januari 2018.

Exterieur thumb|Deel van de fundamenten van de bakstenen voorgangerkerk, blootgelegd tijdens de restauratie in de jaren 1960. De locatie is onder de preekstoel in de viering

Kerk Voorganger(s)

Onder de huidige kerk zijn bij een restauratie tussen 1962 en 1966 de fundamenten teruggevonden van een rond 1200 gebouwde eenvoudige bakstenen zaalkerk van 20 bij 7,5 meter. Van deze kerk zijn de fundamenten in de jaren 1960 blootgelegd. Deze kerk was opgetrokken uit zeer grote kloostermoppen en was ongeveer even groot als de kerk van Eenum. In de muren hiervan werd 'enig tufsteengruis' aangetroffen, mogelijk van een voorgaande tufstenen kapel of bescheiden tufstenen zaalkerk, maar hierover bestaat verder geen enkele zekerheid.Olde, H. de (2003), "Tufstenen kerken in Groningen, een nalezing". In: Groninger Kerken januari 2003. p. 17. Volgens de kroniek van Bloemhof kwam pastoor (of priester) Herbrand van Zeerijp op 21 mei 1227 om het leven, door toedoen van ene Geiko. Hiervoor moest hij een jaar later voor de kerkelijke rechtbank in Loppersum een zoengeld betalen.

Bouw huidige kerk

De bouw van de huidige Jacobuskerk werd eind 13e eeuw begonnen door de kloosterlingen van Feldwerd, nadat zij de kerk van Holwierde hadden gebouwd. Een in 1953 gevonden veldoven tussen Garsthuizen en Zeerijp, werd volgens Huizing et al. voor de bouw van de Jacobuskerk gebruikt.Huizing, L. et al. [red.], (1993), Van Riepster licht tot Wilgenstee. p. 12, 68-69. Huizing schrijft dat "uit onderzoekingen is vast komen te staan dat de stenen van de Jacobuskerk afkomstig zijn uit deze oven". En dat de stenen over het Garsthuizermaar naar Zeerijp werden vervoerd. Volgens een artikel uit het Nieuwsblad van het Noorden op 6 mei 1964 ("Oudheidkundige vondsten: Put bij Garsthuizen werd al in de middeleeuwen gedempt") werd deze veldoven aangetroffen op 400 meter ten westen van Wijnjetil en 500 meter ten zuiden van de vroegere Dijkumborg. Huizing geeft aan dat de locatie zich bevond op ongeveer 500 meter van de Garsthuizerweg en ongeveer 50 meter ten zuiden van het Oude Maar. Mogelijk werd ook gebruikgemaakt van de 13e-eeuwse oven bij de Boukumaheerd, maar hierover bestaat geen enkele zekerheid.

Het bouwwerk is kenmerkend voor het hoogtij van de romanogotiek en werd gebouwd naar het voorbeeld van de kruiskerk van het klooster van Aduard. De bouw duurde tot ongeveer 1350. Sindsdien is weinig meer aan het gebouw gewijzigd.

Het resultaat was een grote eenbeukige kruiskerk van drie traveeën met een vijfzijdige koorsluiting. In deze koorsluiting zijn bij de bouw hoge spitsboogvensters met rondstaven (kraalprofielen) geplaatst. De kerk heeft zware muren van 1,35 meter dik. Voor de stevigheid zijn in het schip en het priesterkoor versterkt met tweemaal versneden steunberen. De kerk had oorspronkelijk vijf ingangen; twee aan noordzijde, twee aan zuidzijde en een aan westzijde. De westelijke ingang is na de reformatie dichtgemetseld. De zuidelijke ingangen en de noordwestelijke ingang zijn later dichtgemetseld en werden tijdens de restauratie weer opengebroken en vervangen door deuren die niet open kunnen. Alleen de zuidwestelijke ingang is nog steeds dichtgemetseld.

De belangrijkste wijzigingen in de kerk vonden plaats tijdens de reformatie, toen het doksaal en de zijaltaren werden gesloopt, het orgel werd verplaatst en de aanbouw werd gebouwd. In een onbekend jaar werden de spitsboogvensters in de oostelijke muren van het transept vervangen door rondboogvensters voor meer licht. Tussen 1793 en 1795 werd de kerk gerestaureerd en mogelijk van een nieuwe kap voorzien. In de 19e eeuw werd de preekstoel verplaatst naar het midden van een nieuwe koorwand. Toen werd ook een wand geplaatst voor de noordelijke arm van het transept. In 1881 werd de wand voor het koor verhoogd en zijn de door de adel in de kerk geplaatste gebrandschilderd glazen verkocht en vervangen door gewone glazen. Van de beide gebrandschilderde glazen draagt er een het wapen van de familie Rengers en een de wapens van Rudolf de Drews (van onder andere Meerlust, De Bloemert en Meerwijk; rijkste burger van Groningen) en zijn vrouw Maria Beerta van Berchhuis. Beide gebrandschilderde ramen werden aangekocht door Willem Carel Antoon Alberda van Ekenstein en zijn geplaatst in de borg Ekenstein. Tijdens de laatste grote restauratie van 1962 tot 1966 onder leiding van Rienk Offringa werden de beide wanden eruit gesloopt en de inventaris verplaatst naar de huidige posities. Ook werd het oorspronkelijke kleurenschema op de muren en gewelven hersteld. Er waren destijds plannen om een glaswand aan westzijde van het transept te plaatsen om de kerk makkelijker te kunnen verwarmen, maar dit is uiteindelijk niet gebeurd.

thumb|Arabesken rond de noordingang van de Jacobuskerk met erachter het tochtportaal

Transept en aanbouw

De beide armen van het transept bevatten spitsboogvensters in de noord-, west- en zuidgevel. Die van de noord- en zuidgevel zijn breder dan de overige spitsboogvensters in de kerk. In de oostgevels bevinden zich echter rondboogvensters, die in een onbekend jaar zijn geplaatst voor een betere lichtinval boven de altaren die daar voor de reformatie stonden. De beide portalen onder de spitsboogvensters aan noord- en zuidzijde zijn eveneens rondbogig. De versiering van het noordelijke portaal, aan straatzijde, is heel kenmerkend: de stenen lijst om de toegangsboog heeft steenrode segmenten, gescheiden door blauwe en witte ruitvormen. Die kleuren komen terug op de dubbele rondstaven aan weerszijden van de lijst, waarvan de arabesken zijn uitgevoerd met blad- en rankornamenten. De ruiten of zandlopers tonen volgens Van NeckNeck, W.J. van , De Jacobuskerk Te Zeerijp. p. 9. verbondenheid van de kerk met de Kathedraal van Santiago de Compostella waar patroonheilige Jacobus begraven zou liggen. Mogelijk vertrokken van hieruit ook pelgrims via bijvoorbeeld het Groningse Jacob en Annagasthuis naar Santiago de Compostella. Overigens staat op een van de beide luidklokken in de toren van 1502 dat deze werd gegoten 'THER EER SANT ANNEN EN SANT JACOBS', wat de mogelijkheid niet uitsluit dat ook de heilige Anna vroeger patroonheilige van de kerk is geweest.

De topgevels aan de noord- en zuidzijde zijn rijkelijk versierd met lisenen en kraalprofielen, die met hun siermetselwerk kenmerkend zijn voor de romanogotiek. De topgevel van de noordelijke dwarsarm boven de ingang bestaat uit zeven omkraalde en met siermetselwerk versierde spitsboognissen, die van elkaar gescheiden worden door lisenen. Drie hoge spitsboognissen bevinden zich in het midden en aan beide zijden zijn nog twee steeds kleinere spitsboognissen zichtbaar. Deze zeven spitsboognissen worden aan bovenzijde door een muizentand gescheiden van een veld met ruitvormig siermetselwerk in de nok. De topgevel van de zuidelijke dwarsarm bevat eveneens zeven spitsboognissen. De middelste daarvan wordt in tweeën gedeeld door een splitsende middenstijl. De drie spitsboognissen aan weerszijden worden gedekt door klimmende rondbogen.

Aan buitenzijde van de westmuur werd na de reformatie een aanbouw van vier bij vier meter opgemetseld met lessenaarsdak. Op de begane grond werd het eerste schooltje van Zeerijp gevestigd, daar de protestantse kerk de verantwoordelijkheid voor het lesgeven van kinderen overnam van de opgeheven kloosters. Nadat het dorp in 1867 een apart schoolgebouw kreeg, werd dit deel van de aanbouw ingericht als consistorie. De bovenverdieping van de aanbouw was bedoeld voor het huisvesten van de blaasbalgen van het orgel. In het gebouwtje is ook de trap naar het orgel geplaatst. In het keldertje eronder werd bij de restauratie de verwarming ingebouwd.

Toren Waarschijnlijk in de eerste helft van de 15e of in de eerste helft van de 16e eeuwVolgens Huizing et al. zou dit in het begin van de 16e eeuw zijn en zijn de beide torenklokken uit 1502 speciaal voor de nieuwe toren zijn gegoten. werd een vrijstaande toren gebouwd ten oosten van de kerk in een overhoekse positie. Mogelijk heeft deze een voorganger gehad, maar hierover is niets bekend.Omdat in de huidige kerk geen sporen van een aangebouwde toren zijn gevonden, wordt door Huizing et al. (p. 14) aangenomen dat er toen al een toren (mogelijk een vuurtoren) moet hebben bestaan die destijds niet hoefde te worden vervangen. Dat de toren zou zijn gebouwd in het begin van de 15e of 16e eeuw wordt afgeleid van de spitsboog (eigenlijk een lancetboog) in de ingang, wat een typisch voorbeeld is van de late gotiek. De toren werd bij de bouw opgetrokken in twee geledingen, die van elkaar worden gescheiden door een waterlijst. De ingangen in de onderste geleding bestaan uit spitsbogige doorgangen, die onderdeel vormen van grotere en hogere spitsboognissen, waarin boven de ingangen ook twee spitsboogvensters zijn opgenomen. De bovenste geleding telt drie spitsbogige galmgaten boven de ingang, drie aan de achterzijde en twee aan de andere beide zijden. De toren werd bij de bouw voorzien van een zadeldak met vier opgaande puntgevels.

Onder in de toren werd een verplaatsbare trap geplaatst, mogelijk om de weerbaarheid van de toren te vergroten, maar ook wellicht om in tijden van overstromingen de trap te kunnen ophalen. Boven de open doorgang in de toren bevindt zich een ribloos stervormig graatgewelf.

Een gedenksteen uit 1608 herinnert aan een reparatie een eeuw later, die deels werd bekostigd door Writzer ten Holten van de borg Boukuma. De tekst op de gevelsteen luidt 'ANNO 1608, DOE DE ED. ERNT. WRITZER TEN HOLTEN HOEVELINCK, LUCAS WIEDE MARIUS PASTOER, AMPTZO EWES UND REWINCK BARTOLOMEUS KERCKVOGD IN ZEERIJP, IS DESE TOREN NIES GEREPARERE / DORCH EVERT NITRINC'. Mogelijk werd toen het zadeldak vervangen door een spits. In 1664 werden door bouwmeesters Luitien Jans en Luitien Strijkes de puntgevels afgebroken evenals het knekelhuis op het kerkhof en werd een nieuwe eikenhouten naaldspits bedekt met leien op de toren geplaatst. Bij een zware noordwesterstorm op oudjaarsdag 1833 raakte de toren zwaar beschadigd, waarop de spits werd vervangen door een veel stomper en lager piramidedak met bovenop een klokkoepeltje, dat nog altijd de toren siert. Volgens Van der Aa kreeg de toren hierdoor de vorm van een 'theebus'.Van der Aa, A.J. (1851), "Zeerijp". In: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Dertiende Deel, p. 124. Bovenop bevindt zich een windvaan in de vorm van een engel met bazuin.

Luidklokken