Het taalkundige geslacht, dus mannelijk, vrouwelijk en onzijdig, (ook wel woordgeslacht genoemd, of Latijn: genus, meervoud genera) is een eigenschap van een naamwoord dat bijbehorende woorden in de zin beïnvloedt.
In het Nederlands worden zelfstandige naamwoorden en persoonlijke voornaamwoorden door dit geslacht van het zelfstandig naamwoord beïnvloed. Dus het huis van de man is zijn huis, het huis van de vrouw is haar huis.
Achtergrond Mannelijk, vrouwelijk en onzijdig Het Nederlands kent van oudsher drie grammaticale geslachten (mannelijk, vrouwelijk en onzijdig, de drie genera). Er zijn twee verschillende lidwoorden de en het (paradigma, waarvan de voorkomt bij woorden die traditioneel 'mannelijk' en 'vrouwelijk' genoemd worden (de man/vrouw), en het bij woorden van het onzijdige geslacht (het kind). Bij onzijdige zelfstandige naamwoorden (substantiva) hoort het bezittelijk voornaamwoord zijn, naast het persoonlijk voornaamwoord het (Het project loopt op zijn einde). Bij mannelijke zelfstandige naamwoorden horen de persoonlijke voornaamwoorden hij (onderwerpsvorm) en hem (voorwerpsvorm) en het bezittelijk voornaamwoord zijn (De dienst heeft zijn nut ruimschoots bewezen). Bij vrouwelijke zelfstandige naamwoorden horen de persoonlijke voornaamwoorden zij/ze (onderwerpsvorm) en haar (voorwerpsvorm) evenals het bezittelijk voornaamwoord haar (De overkapping heeft haar nut ruimschoots bewezen).
Met name het Noord-Nederlands vertoont echter veel kenmerken van een gemeenschappelijk geslacht (commuun genus), waarin mannelijk en vrouwelijk samenvallen (De overdaad heeft zijn / haar negatieve uitwerking op de kinderen natuurlijk niet gemist). Dit soort woorden wordt veelal eenvoudig aangeduid als de-woorden of commuun woorden.
Het voornoemde onderscheid geeft vaak verwarring: moedertaalsprekers uit het noorden van het Nederlandse taalgebied herkennen het geslachtenonderscheid mannelijk/vrouwelijk vaak niet, anders dan sprekers uit het zuiden van het taalgebied. De regels hiervoor moeten dus uit het hoofd worden geleerd of worden opgezocht. Vaak wordt ook een woordenboek of het Groene Boekje geraadpleegd.
Behalve het verschil tussen noordelijk en zuidelijk Nederlands is er in beide gebieden het verschil tussen spreek- en schrijftaal. In het noorden van het Nederlandse taalgebied gebruikt men haar als bezittelijk voornaamwoord alleen nog bij overduidelijk vrouwelijke naamwoorden. In het zuiden wordt voor meer naamwoorden "haar" gebruikt. In de Noord-Nederlandse schrijftaal houdt men verder volgens voorschriften als het Groene Boekje strakker vast aan de geslachtsindeling dan in de spreektaal. Bij commuun woorden kan in de schrijftaal vrij worden gekozen of men "zijn" of "haar" gebruikt. De Noord-Nederlandse spreektaal gebruikt dan veelal z'n, de Zuid-Nederlandse spreektaal gebruikt soms de vorm haar, maar ook wel z'n.
Mensen die het Nederlands als tweede taal leren, vinden het lastig om de geslachten te onderscheiden.
Pogingen tot sturing door taalkundigen In de geschiedenis van de Nederlandse taalkunde heeft men lange tijd geprobeerd het onderscheid tussen het mannelijk en het vrouwelijk geslacht te handhaven, dat in de informele spreektaal niet overal meer bestond. Toen het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT, vanaf 1864) de Nederlandse woordenschat op papier vastlegde en de spelling gestandaardiseerd werd, moest men het geslacht van de zelfstandige naamwoorden in het Nederlands vaststellen. (In de voorgestelde spelling van De Vries en Te Winkel (1864/1883) werd het bepaalde lidwoord bij een 'mannelijk' objectMet object worden hier andere zinsdelen bedoeld dan het onderwerp (subject) of de bijwoordelijke bepalingen. als den en bij een 'vrouwelijk' object als de geschreven. Dus "ik groet den man"). Zo werd de geslachtskwestie een belangrijk onderdeel van de spellingstrijd die leidde tot de spellingswijziging van 1947. In woordenboeken wordt ook nu nog per woord aangegeven of het mannelijk en/of vrouwelijk en/of onzijdig is, waarbij wordt vastgehouden aan de richtlijnen van de Taalunie in het Groene Boekje.
Typologie De regels voor mannelijke, vrouwelijke of onzijdige zelfstandig naamwoorden kunnen het best zo worden ingeleid: "Volgens de voorschriften van grammatici is dit woord in de schrijftaal vrouwelijk (of ... )".
Woorden van het commuun geslacht Woorden die zowel vrouwelijk als mannelijk zijn en het lidwoord de hebben worden hier "van het commuun (gemeenschappelijk) geslacht" genoemd. Er zijn de volgende categorieën:
De meeste namen van tastbare voorwerpen die oorspronkelijk uitsluitend vrouwelijk waren: de bank, de brug, de kast, de naald, de pijp.Het oorspronkelijke vrouwelijke geslacht van deze woorden is vaak te herkennen aan cognaten in het Duits: die Bank, die Brücke, die Nadel, die Pfeife. Maar die Sonne in het Duits is vrouwelijk waar de zon in het (Noord-)Nederlands mannelijk is. In het Noord-Nederlands geeft men aan deze categorie in de regel mannelijke verwijswoorden, bijvoorbeeld "de bank" (dus hij/hem/zijn), terwijl men in het zuiden iets vaker haar, ze zegt en schrijft: Staat de bank in de weg? Schuif ze (Zuid-Nederlands) / hem (Noord-Nederlands) dan maar even opzij. Algemene aardrijkskundige aanduidingen (behoudens namen van individuele steden enzovoorts; zie hieronder): de stad, rivier Namen van hemellichamen: de planeet, de maan, de ster. Persoonsnamen die voor mannen en vrouwen kunnen worden gebruikt: de baby, de deugniet, de arts, de babbelkous. Hieronder vallen ook zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden en voltooide deelwoorden: de zieke, de blinde, de betrokkene, de gewonde
Woorden van het vrouwelijk geslacht Een aantal naamwoorden in het Nederlands zijn, ongeacht de invloed van een streektaal, in de verzorgde geschreven taal altijd vrouwelijk. Tot deze woorden behoren de volgende categorieën:onzetaal.nl
Woorden met de inheemse achtervoegsels -de, -te: de liefde, de diepte; -heid, -nis, -schap: de waarheid, de kennis (maar niet het vonnis), de beterschap (woorden op -schap kunnen ook onzijdig zijn); -ij, -erij, -arij, -enij en -ernij: de voogdij, de bedriegerij, de rijmelarij, de artsenij, de razernij; -ing, -st achter een werkwoordstam: de beschaving, de wandeling, de winst, de kunst, de komst (de dienst en de angst zijn echter mannelijk).
Woorden met de uitheemse achtervoegsels of elementen -ade, -ide, -ode, -ude: de tirade, de planetoïde, de periode, de amplitude; -age, -ine, -se: de tuigage, de discipline, de analyse; -ie, -tie, -logie, -sofie, -agogie: de familie, de politie, de biologie, de filosofie, de demagogie (maar -arie: de kanarie is bijvoorbeeld mannelijk); -iek, -ica: de muziek, de logica (maar de lambiek is mannelijk; geen uitgang op -iek); -theek, -teit, -iteit: de discotheek, de puberteit, de subtiliteit; -tuur, -suur: de natuur, de censuur; -sis, -xis, -tis: de crisis, de syntaxis, de bronchitis.
Aanduidingen van vrouwelijke personen en dieren: de kip, de merrie, de nicht, de tante, de teef. Het grammaticaal geslacht (mannelijk/vrouwelijk) van wat wordt aangeduid is doorgaans gelijk aan het biologische geslacht. (Bij het gebruik van "haar/zijn" gaat het biologisch geslacht voor, dus: Het meisje (onzijdig woord) maakt haar (vrouwelijk) huiswerk. En als de minister een vrouw is krijgen we bijvoorbeeld: De minister (mannelijk woord) gaf haar (vrouwelijk) antwoord.) Soms worden aanduidingen van mannelijke personen vrouwelijk gemaakt (gemoveerd) door middel van een achtervoegsel (suffix) -ster, -es, -in, -egge, -se: de verpleegster, de lerares, de koningin, de dievegge, de domineese (vrouw van de dominee). Er zijn binnen deze groep enkele uitzonderingen die onzijdig zijn, zoals het meisje (wat eigenlijk het verkleinwoord van de meid is). Verder zijn het veelal woorden met een bepaalde bijklank (connotatie): het wijf, het vrouwmens.
Woorden van het mannelijk geslacht Een aantal woorden is ongeacht de streek in Nederland en Vlaanderen mannelijk. Tot deze woorden behoren de volgende categorieën: Woorden met de achtervoegsels -man, -aar, -aard, -er, -erd: de stuurman, de leugenaar, de dronkaard, de bakker, de engerd (de baker behoort tot niet deze klasse en is vrouwelijk) Zelfstandig gebruikte werkwoordstammen: de bloei, de dank, de groei, de schrik, de slaap, de raad Enkele woorden met het achtervoegsel -dom die niet onzijdig zijn: de rijkdom, de ouderdom Aanduidingen van mannelijke personen en dieren: de oom, de neef, de dief, de verpleger, de hengst, de reu, de haan Namen van dagdelen (dus de ochtend, de middag enzovoort en het woord de dag zelf) Alle boomnamen, behalve de linde en de tamarinde Een groep losse woorden waarbij de taalunie alleen de duiding m geeft; hiervoor bestaan geen vaste regels.
Onzijdige woorden
Tot de onzijdige woorden ("het-woorden") behoren de volgende categorieën.
1. Met voor- en achtervoegsels Werkwoordstammen van twee lettergrepen met de voorvoegsels be-, ge-, ont- en ver- zonder -ing aan het eind: het beraad, het gedoe, het ontslag, het verraad, het verslag Afleidingen van het type ge- + ... + -te: (berg) het gebergte, (vogel) het gevogelte, (hemel) het gehemelte Woorden met de volgende achtervoegsels: -isme, -asme, -gram (niet kilogram), -ment, -sel, -um (uitgezonderd de datum, de petroleum); het boeddhisme, het orgasme, het monogram, het segment, het deksel, het omhulsel, het museum, het continuüm De meeste woorden met de achtervoegsels -dom, -schap en -goed: het mensdom, het christendom, het genootschap, het landschap, het meesterschap, het gedachtegoed, het landgoed Verkleinwoorden op -je: het briefje, het bloempje, het lammetje
2. Werkwoorden die worden gebruikt als zelfstandig naamwoord (gesubstantiveerde werkwoorden): het eten, het lopen, het zwemmen, het denken
3. Namen: de meeste geografische namen, dus namen van werelddelen, eilanden, landen, steden enzovoorts, en geografische entiteiten die een bestuurlijke eenheid vormen of vormden: het Europa, het Ambon, het Engeland, het Brussel, het Lombardije. Enkele uitzonderingen: de Verenigde Staten, de Nederlanden (twee pluralia tantum), de Sovjet-Unie (vrouwelijk vanwege het kernwoord). namen van windrichtingen: het noorden, het zuiden, het oosten, het westen Namen van talen: het Frans, het Engels, het Duits enz. Namen van sporten en spelen: het handbal, het kaartspel, het voetbal Namen van metalen: het goud, het ijzer De meeste namen van bedrijven die als zelfstandig naamwoord zijn gebruikt: Het noodlijdende Vitality bv moest zijn divisie Apparatuur afstoten.4. Een aantal losse woorden en bijbehorende afleidingen, zoals het blik (metaal), het bos (bomen), het internet, het hotel, het glas, het idee, het kalf, het lam, het kuiken (jonge dieren zijn onzijdig), het pad (weg), het punt (plaats, kwestie)
Voor tweedetaalsprekers is het lastig het juiste geslacht van zelfstandig naamwoorden te onthouden, daarom deze Lijst van onzijdige woorden in het Nederlands.
De en het Sommige woorden kunnen optreden als het-woord, maar ook als de-woord, al dan niet met verschil in betekenis: het/de eigendom (de eigendom is het recht op een bezitting, het/de subsidie (meestal de subsidie), het/de soort het/de bocht (het bocht is slechte drank). Soms betreft het feitelijk twee verschillende woorden (zoals in het laatste voorbeeld). In gevallen als eigendom hangt het gebruik vooral af van het register.
Letterwoorden Bij het bepalen van het geslacht van samenstellingen en letterwoorden geldt het geslacht van het kernwoord als basis. In bijvoorbeeld "Partij van de Arbeid", "Europese Unie", "Vereenigde Oostindische Compagnie" zijn de kernwoorden vrouwelijk, daarom worden de afkortingen PvdA, EU en VOC eveneens als vrouwelijk behandeld. "Verenigde Staten" is een plurale tantum, dus is de afkorting VS dat volgens de regels ook.
Biologisch en taalkundig geslacht