De kerk van Wittewierum is een voorheen hervormd kerkgebouw in het dorp Wittewierum in de gemeente Groningen. De huidige kerk werd gebouwd in 1863 en is sinds 1977 in het bezit van de Stichting Oude Groninger Kerken. De kerk staat op de plek van de kloosterkerk van het vroegere klooster Bloemhof en is de vierde kerk op deze plek. Het kerkgebouw lijkt relatief groot voor een dorp met het bescheiden inwonertal van Wittewierum en werd dan ook gebouwd in de tijd dat ook Ten Post hier nog kerkte. De kerk wordt sinds de laatste restauratie in 2003 voornamelijk gebruikt voor exposities en evenementen.
Rondom de kerk ligt een kerkhof dat door de stichting bewust in enigszins ruige staat wordt gehouden en een groot aantal grafzerken uit de 18e tot begin 20e eeuw telt.
Eerste en tweede kerk thumb|350px|Uitsnede van een tekening van de kerk van Wittewierum met een voorstelling van de kloosterkerk vóór 1604.De tekening is op basis van het watermerk gedateerd in de periode 1750-1850. Aan de betrouwbaarheid van de tekening wordt vanwege de grote tijdspanne (1604-ca. 1800) getwijfeld. Mogelijk heeft de tekenaar een van de plattegronden van de kerk uit begin 17e eeuw voor de tekening gebruikt. Het zou echter ook een herdruk kunnen zijn van een oudere tekening.
De vermoedelijk eerste, houten kerk van Wittewierum werd in een onbekend jaar gebouwd en in 1211 geschonken aan het klooster Bloemhof in oprichting. In 1225 werd deze houten kerk gewijd tot abdij door bisschop Dirk III van Münster. Daarop begonnen de voorbereidingen voor de bouw van een nieuwe stenen kloosterkerk, waarschijnlijk naar voorbeeld van het moederklooster, de Abdij van Prémontré. In 1227 werd de slotgracht voltooid, in 1228 werden de koorbanken gemaakt en in 1235 werd begonnen met het bakken van stenen. In 1238, een jaar na de dood van Emo van Huizinge, begon zijn opvolger abt Paulus met de bouw van de kerk. Vanaf 1238 werd onder leiding van bouwmeester Everhard van Keulen de tweede, stenen, kloosterkerk gebouwdEverhard had daarvoor gewerkt aan het klooster Mariëngaarde en werd daarop door abt Paulus naar Wittewierum gehaald.. De eerste vijf jaar werden besteed aan het leggen van de fundamenten vanwege de zachte bodem. Deze fundamenten werden uitgegraven tot 6 meter diep en werden aangelegd door middel van heien, waarvoor 80 man uit de omtrek werden ingezet, die in ruil daarvoor brood, kaas en een aflaat van de bisschop van Münster kregen. Het merendeel van de werkkrachten was afkomstig uit Woltersum en de overigen uit Wittewierum. De kroniek vermeldt dat het hele dorp trilde door het heien, waardoor in de huizen de melkemmers overliepen en de ganzeneieren beschadigd werden, waardoor er geen kuikens meer uit konden komen. Na 21 jaar werken (waarvan 5 jaar fundamenten leggen), in 1258 of 1259, was de kerk gereed. De hoge kosten die met de bouw gepaard gingen werden door abt Menko onder andere geweten aan de onervarenheid van de monniken met het werk, waardoor een dure bouwmeester moest worden ingehuurd.Menko vergelijkt de kerkbouw in zijn kroniek met de daaropvolgende bouw van de kerk van het zusterklooster Klaarkamp, die slechts 6 jaar duurde (1260-1266). De kerk van Westeremden werd in dezelfde periode gebouwd en werd eveneens gewijd in 1259. Mogelijk was Menko ook hierbij betrokken.
De kloosterabdij was een drieschepige romanogotische kruisbasiliek, opgetrokken volgens een alternerend stelsel (meer precies het gebonden stelsel) met een hoogkoor in het oosten en een toren in het westen. Het gebouw had een breedte van ongeveer 18 meter: 10 meter voor het koor en 4 meter aan beide zijden voor de zijbeuken. Dit was in die tijd een veelgebruikte maat.Jansen en Janse, p. 339. Uit archeologisch onderzoek door bouwhistorici Jan Battjes en Hans Ladrak in 2001 bleek dat latere kerken werden gebouwd op de fundamenten van de pijlers van het schip. De opgraving bracht bijzonder grote kloostermoppen met formaat 10x16x32 cm aan het licht die een indicatie geven van de ouderdom van de kerk. De toren bevond zich ten westen en het halfrond gesloten koor, het transept (dwarspand) met de beide zijapsiden voor de dwarsarmen ten oosten en de beide zijbeuken aan noord- en zuidzijde van het huidige gebouw. De kruisbasiliek week volgens Menko (in de kroniek) op verschillende punten af van de kerk die van tevoren was uitgedacht. Zo was er oorspronkelijk ook een ciborium gepland tussen de beide dwarsarmen, in de vorm van een kruisingstoren, waarvan het dak boven de kerk uit zou moeten steken. Ook waren er twee koortorens gepland aan weerszijden van de beide kapellen in de dwarsarmen. Menko sprak in de kroniek de wens uit dat 'een later geslacht' de oorspronkelijke bouwplannen alsnog kon verwezenlijken, hetgeen echter nooit is gebeurd. De kloosterbasiliek kan er volgens Kroesen mogelijk zo uitgezien hebben als de nog bestaande 12e-eeuwse premonstratenzer abdij van het Klooster Knechtsteden bij het Duitse Dormagen, zij het dat deze geen westtoren, maar een westapsis heeft en niet uit rode baksteen, maar uit gele zandsteen is opgetrokken.
De kruisbasiliek bevatte op aandringen van abt Sibrand van het klooster Mariëngaarde uit Dokkum naar het voorbeeld van het moederklooster, de Abdij van Prémontré, in het priesterkoor twee hoofdaltaren: Een hoogaltaar gewijd aan Onze Lieve Vrouwe en Sint-Jan en een altaar midden in de kerk dat gewijd was aan Sint-Vitus. Het altaar van Sint-Vitus was waarschijnlijk het parochiealtaar, dat mogelijk ook al in de houten voorgangerkerk stond. De afbeelding van Sint-Vitus staat ook op de zegel van het klooster. Voor de plaatsing van het hoofdaltaar werd het priesterkoor verbreed (dilatata) met waarschijnlijk twee zijapsissen, om zo een bredere doorgang voor de altaardienaren te verkrijgen en gedrang van offerende en communicerende gelovigen te voorkomen. Daarnaast werden er 5 zijaltaren geplaatst. Volgens een beschrijving uit 1632 waren twee daarvan in de 16e eeuw 'egen altaren' van de families Rengers van Oldenhuis en Tuinga van Tuwinga. Die van Rengers stond volgens de beschrijving in het zuidoosten en die van Tuinga in het noordoosten.Kroesen, p.70
Drie jaar na de voltooiing en inwijding op 6 september 1259 door Christiaan van LitouwenChristiaan (Kristijonas) was lid van de Duitse Orde en was in 1253 de eerste bisschop (vyskupas) van Litouwen, maar zijn bisdom mislukte en verdween door de Mongoolse invasie in Litouwen. Daarop verbleef hij van 1259 tot zijn dood in 1271 als bisschop in de Duitse landen, waar hij onder andere in het jaar 1268 hulpbisschop van het Prinsbisdom Naumburg was. Zie: Darius Baronas, "Kas buvo pirmieji Vilniaus ir Lietuvos vyskupai?", 15 min, 5 april 2013. stortten op 28 januari 1262 tijdens een zware storm de toren en de westvleugel in. Deze werden vervolgens waarschijnlijk herbouwd. In de kroniek wordt al gerept van voortdurende verzakkingen, die in 2001 ook bleken te zijn af te lezen aan de fundamenten onder de kerk, in de zin dat het metselwerk op veel plaatsen niet waterpas ligt en veel bakstenen niet waren gebakken, maar bijgehakt.
Volgens de beschrijving uit 1632 werden niet alleen de abten in de kerk begraven, maar ook de monniken en lekenbroeders. De beschrijving spreekt van een "preestercoor int oesten mit abten ende preesteren begreffnissen [en een] leeckencoor int noorden mit der leecken broderen begraffnissen".Kroesen, p. 69. In dezelfde beschrijving staat ook vermeld dat de sacristie zich aan de zuidzijde van het priesterkoor bevond; Kroesen oppert de mogelijkheid dat dit in de zuidelijke koorkapel zou kunnen zijn geweest. Het is echter niet duidelijk of de sacristie zich op een verdieping boven dit zijkoor bevond of dat een zijkoor op de begane grond later werd omgevormd tot sacristie.
Over de eeuwen na de 13e eeuw is weinig bekend, afgezien van het gieten van een klok in 1373. Deze klok, die gegoten werd door Seghebodus, bevat een afbeelding van het hoofd van Johannes de Doper op een schotel en was onder andere gewijd aan de heilige Cunera, waarover in de kroniek verder niet wordt gesproken. Mogelijk was zij de patroonheilige van een van de vijf zijaltaren. In latere eeuwen werd in de kerk een orgel geplaatst aan de zuidmuur, hetgeen blijkt uit een tekening uit begin 17e eeuw, waarop de aanduiding 'hijr ist orgel gewest' staat. Daarnaast wordt op 17e-eeuwse plattegronden gesproken van een doksaal (aangeduid als 'steenen boene') tussen schip en koor, iets wat bij de premonstratenzers pas in de 15e en 16e eeuw in zwang kwam en dus mogelijk pas later is ingebouwd in de kerk.Kroesen, p. 72
In 1515 werden de kloostergebouwen verwoest door Saksische benden en mogelijk in de 16e eeuw werd de zuidbeuk deels verbouwd tot pastorie (pastoorshuis), waarbij de zuidbeuk deels werd afgebroken. Bij de brand in 1566 werd de kerk gedeeltelijk verwoest.
In 1594 vond de reductie plaats. De eerste protestantse predikant van Wittewierum was de Bruggenaar Eustachius Manglerius, die mogelijk al in 1595 in Wittewierum kwam, maar na 4 jaar alweer vertrok naar Oost-Vlieland. In 1599 werd door predikant Alardus à Berten bij Gedeputeerde Staten van Stad en Lande een verzoek ingediend tot de sloop van het hoogkoor en de nevenkoren (zijbeuken) en de restauratie van de kerk. Hij schreef toen dat "alle dinck verdarvet, verwaterd ende verrottet" was, "ende dat weer ende wint daerinne slacht, also dat men kuyme van regen ende wint daerinne kan gedueren om godes woert to anhooren, want se gants dackloos is, licht open van vensteren ende doeren ende is gansch reddeloos". Alardus à Berten kreeg toestemming, maar het duurde nog enkele jaren alvorens het zover kwam.
Derde kerk thumb|350px|Schilderij van Boomgaard van de derde kerk en huidige pastorie vlak voor de sloop en herbouw van de kerk (1862)
In 1604 werd van de restanten van de kruisbasiliek en andere overblijfselen van het klooster een nieuwe kerk gebouwd op de pijlers van het schip. Hiervoor werden het hoogkoor, de beide kapellen en de noordbeuk afgebroken en werd de westgevel verplaatst naar de eerste pijler van het schip. De arcade aan noordzijde werd dichtgemetseld. Hierdoor ontstond een kleinere kerk, die alleen een groot deel van het middenschip omvatte. Onder de kerk werd in 1768 een grafkelder aangelegd, waar verschillende leden van het geslacht Rengers werden begraven. In de nieuwe kerk keerde het orgel niet meer terug.
Over de westtoren wordt niets vermeld. Deze werd mogelijk al in 1604 of eerder afgebroken. Mogelijk bleef de toren echter ook staan als losstaande toren en zou dan pas in 1783 zijn afgebroken en vervangen door een klokkenstoel.In 1599 wordt gesproken van de afbraak van de koren en juist van restauratie van de toren. In 1783 werd de sloop van de toren voor het eerst gedocumenteerd in een renovatieplan. In dit plan wordt ook gesproken over de overbrenging van de klok naar de nieuwe klokkenstoel. Bron: Sible de Blaauw, "Bloemhof in Slochteren: de klok van Segebodus uit Wittewierum", Groninger Kerken 2009 nr. 4, pp. 106-108, 117-118. Blijkbaar voldeed deze klokkenstoel niet, want de grote klok uit 1373 met een diameter van 126 centimeter werd in 1829 verkocht aan de kerk van Slochteren, waar deze nog steeds hangt. In hetzelfde jaar (volgens een andere bron echter pas in 1838) werd een kleinere klok van 70 centimeter gekocht bij klokkengieterij Van Bergen in Midwolda, die werd opgehangen in een mogelijk in dezelfde tijd daarvoor gebouwde dakruiter. Deze situatie is ook zichtbaar op een schilderij van S. BoomgaardMogelijk gaat het om verver (schilder) Sijmen Boomgaard uit 't Zandt. Zie: uit 1862, waarop de kerk met de oorspronkelijke romaanse ramen en de bijbehorende pastorie staan afgebeeld. Het geheel kan volgens Kroesen worden vergeleken met het interieur van de kerk van Marienhafe in Oost-Friesland, waar in 1829 ook het koor en de zijbeuken werden afgebroken.