thumb|Titelblad van de eerste uitgave, zogenaamd uitgegeven in Hamburg, maar in werkelijkheid in Nederland. Het godsdienstig-staatkundig vertoog. thumb|Aantekeningen van Spinoza in een exemplaar van de Tractatus, hoofdstuk 9. Adnotatio 14. "Dat sommigen menen dat Jacob 8 of 10 jaar tussen Mesopotamië en Bethel gereisd heeft, riekt naar dwaasheid, Ezra moet me maar vergeven...". Tractatus vertaling F. Akkerman, p. 446. De Tractatus theologico-politicus is een boek van de Joods-Nederlandse filosoof Benedictus de Spinoza. Hij publiceerde het werk anoniem in 1670. De eerste uitgave veroorzaakte een storm van kritiek, zoals hij had verwacht. Op het titelblad geeft hij aan dat gelovigheid en vrijheid van filosoferen goed met elkaar samengaan en zelfs onmisbaar zijn voor elkaar. In het werk betoogt hij dat de interpretatie van zijn tijdgenoten van de Bijbel tegenstrijdig en daarom twijfelachtig is, dat veel opgesmukte wonderen een natuurlijke verklaring hebben, maar er diepe eeuwige gedachten van de geestelijke leiders schuilgaan. Jezus is weliswaar geen Zoon van God, maar de edelste mens die ooit heeft geleefd. Alleen als de boodschap van Jezus begrepen wordt, kunnen joden en christenen samenkomen, wellicht met alle andere volkeren.Hans Joachim Störig: Inleiding van de filosofie, 25e druk, pag. 313 En verder dat de vrijheid van de filosofie noodzakelijk is voor het welzijn van burgers en staat, en democratie de beste staatsvorm is.

De Tractatus theologico-politicus had een grote invloed op de theologie, de filosofie en de politicologie. In de theologie gaf hij de aanzet tot de historisch-kritische exegese (uitleg van de Bijbel) die in de negentiende eeuw opkwam en tegenwoordig gemeengoed is. In het werk worden de verhouding tussen religieus geloof, filosofie en politiek geanalyseerd en wordt voor een nieuwe orde gepleit. Het werk kan gelezen worden als een pleidooi voor vrijheid van meningsuiting en democratie en tegen religieuze intolerantie. Maar ook als een kritische analyse van het Oude Testament en de zeventiende-eeuwse dogmatiek, als een scherpe analyse van de culturele en politieke context van de joodse staat die in het Oude Testament beschreven wordt, en als een getuigschrift van de macht van de rede.

Inhoud HoofdstukTitel in het LatijnVrije vertaling Caput Praefatio Voorwoord (Bijbel en godsdienst) 01 I De prophetia Profetie 02 II De prophetis Profeten 03 III De Hebraeorum vocatione. Et an donum propheticum Hebraeis peculiare fuerit Roeping van de Joden. Was hun profetie uniek? 04 IV De lege divina Goddelijke wet 05 V De ratione, cur caeremoniae institutae fuerint, et de fide historiarum, nempe, qua ratione,et quibus ea necessaria sit Waarom ceremonies? Het geloof in verhalen 06 VI De miraculis Wonderen 07 VII De interpretatione Scripturae Bijbeluitleg 08 VIII In quo ostenditur Pentateuchon et libros Josuae, Judicum, Rut, Samuëlis et Regum non esse autographa.Deinde inquiritur, an eorum omnium scriptores plures fuerint, an unus tantum, et quinam De Bijbelboeken Jozua, Richteren, Ruth, Samuel en Koningenzijn niet authentiek. Wie schreef ze? 09 IX De iisdem libris alia inquiruntur, nempe an Hezras iis ultimam manum imposuerit : etdeinde utrum notae marginales, quae in Hebraeis codicibus reperiuntur, variae fuerint lectiones Heeft Ezra die boeken voltooid? Waren de kanttekeningenafwijkende lezingen? 10 X Reliqui Veteris Testamenti libri eodem modo quo superiores examinantur Andere boeken van het Oude Testament 11 XI Inquiritur, an apostoli epistolas suas tanquam Apostoli et Prophetae, an vero tanquamDoctores scripserint.Deinde Apostolorum officium ostenditur Schreven de Apostelen hun brieven als apostel of als leraar?Wat doet een apostel? 12 XII De vero legis divinae syngrapho, et qua ratione Scriptura sacra vocatur, et quaratione Verbum Dei, et denique ostenditur ipsam, quatenus Verbum Dei continet, incorruptam ad nos pervenisse Is de Bijbel heilig en het woord van God?Het woord van God is goed overgeleverd. 13 XIII Ostenditur Scripturam non nisi simplicissima docere, nec aliud praeter obedentiamintendere ; nec de divina naturâ aliud docere, quam quod homines certa vivendi ratione imitari possunt De Bijbel leert gewoon gehoorzaamheid en verstandige leefregels. 14 XIV Quid sit fides, quinam fideles, fidei fundamenta determinantur, et ipsa aphilosophia tandem separatur Geloof, gelovigen en filosofie 15 XV Nec theologiam rationi, nec rationem theologiae ancillari, ostenditur, et ratio,qua nobis Sanctae Scripturae authoritatem persuademus Theologie en verstand zijn niet ondergeschikt aan elkaar.Het gezag van de Bijbel (De Staat) 16 XVI De reipublicae fundamentis ; de jure uniuscujusque naturali et civili :deque summarum potestatum jure De staat: rechten van de burger en van de overheid 17 XVII Ostenditur neminem omnia in summam potestatem transferre posse, necesse necesse : De republica Hebraeorum, qualis fuerit vivente Mose,qualis post ejus mortem, antequam reges elegerint, deque ejus praestantia,et denique de causis, cur respublica divina interire, et vix absque seditionibus subsistere potuerit De overheid kan en hoeft niet over alles te beslissen.Over de Joodse staat. 18 XVIII Ex Hebraeorum republica, et historiis quaedam dogmata politica concluduntur Wat de geschiedenis van de Joodse staat ons leert 19 XIX Ostenditur, jus circa sacra penes summas potestates omnino esse, etreligionis cultum externum reipublicae paci accommodari debere, si recte Deo obtemperare velimus God wil dat de overheid beslist over godsdienstzaken 20 XX Ostenditur, in libera Republica unicuique et sentire, quae velit, etquae sentiat, dicere licere In een vrij land mag iedereen denken en zeggen wat men wil

Titelblad en voorrede Op het titelblad staat:

Voorrede Veel mensen laten zich leiden door bijgelovigheid, die een gevolg is van angst. Vanuit dit bijgeloof ontstaan waanvoorstellingen, verkeerde interpretaties van de Bijbel, opstanden tegen koningen en goden. Spinoza prijst zich echter gelukkig dat hij woont in een staat waarin vrijheid van geloof is toegestaan en waar vrede heerst. Die vrijheid hoeft de gelovigheid niet aan te tasten. De vooringenomen interpretaties van de wetten van Mozes bedreigen deze vrijheid. Filosofie en Theologie zijn niet met elkaar in strijd, maar de filosofie is nodig om te komen tot de juiste uitleg van de Bijbelse Geschriften.

Godsdienstkritiek Hoofdstuk 1 en 2 (Profetie als ethiek, gehoorzaamheid en liefde) De eerste twee hoofdstukken behandelen profetie en de verschillende wijzen van gebruik van de naam God. Spinoza opent het hoofdstuk met een definitie van profetie: Het kernstuk van deze hoofdstukken is dat een profetie geen boodschap van God is, of iets dat profeten met hun verstand begrepen. Profeten werken meer met hun verbeelding dan met hun verstand. Wie volgens zijn verstand (de rede) wil leven moet zijn verbeelding intomen, en wie zijn verbeelding laat spreken verzaakt zijn redelijkheid.

Profetieën zijn vooral morele lessen, geopenbaard door de goddelijke geest, die sterk persoonsgebonden zijn, die tot doel hebben God met een oprecht gemoed te gehoorzamen en rechtvaardigheid ene liefde te betrachten.Spinoza: Tractatus Theologico-Politicus. Vertaald door F. Akkerman. Wereldbibliotheek: Amsterdam (1997).Voorrede Iedere profeet kan immers andere morele principes hebben, afhankelijk van de tijd en de mensen tegen wie ze spraken. Profeten lijken elkaar daardoor vaak tegen te spreken. De conclusie die Spinoza hieraan verbindt, is dat we bij de profeten niet natuurlijke kennis moeten zoeken, maar geopenbaarde kennis en gedragsregels. De profeten brachten hun profetieën in verband met God om hun lessen absolute autoriteit te geven.

Alleen de absolute autoriteit van Christus laat hij intact door hem als de 'stem Gods' te definiëren. Christus is de natuurlijke uiting van de bovennatuurlijke wijsheid van God omdat hij "als enige de eerste zuiver geestelijke dingen begreep die niet uit de grondslagen van onze kennis konden volgen", namelijk de wet van gehoorzaamheid en liefde. Deze wet is, zal later blijken, volgens Spinoza de enige grondslag en leer van de Bijbel en het christendom, en daarom bestrijdt hij de autoriteit van deze ultieme manifestatie niet. De autoriteit van de overige profeten bestaat alleen wanneer hun lessen ook als leerstukken van gehoorzaamheid begrepen worden.

Hoofdstuk 3 (Bijbel voor iedereen) Het derde hoofdstuk is gericht tegen de opvattingen van sommige rabbijnen, die verkondigen dat het joodse volk het uitverkoren volk van God is en hiermee de joden boven andere volkeren plaatsen. Het hoofdstuk betoogt impliciet de gelijkwaardigheid van ieder individu en toont aan dat het beroep dat de rabbijnen op de Bijbel doen om hun heilsleer te rechtvaardigen, ongegrond is. De meeste Bijbelse profeten waren weliswaar joden, maar hieruit volgt geen uitzonderingspositie voor het joodse volk. Het Oude Testament is weliswaar het product van de joodse cultuur en in eerste instantie bedoeld voor het joodse volk, maar sinds het Oude Testament na Christus ook door andere volken gebruikt wordt moet de boodschap als algemeen bedoeld opgevat worden.

Hoofdstuk 4 (Wet) In het vierde hoofdstuk analyseert Spinoza de wijzen waarop het begrip 'wet' gebruikt wordt. Dit hoofdstuk vormt een belangrijke opmaat naar de onderschikking van kerk aan staat. Spinoza verheldert waarom het onderscheid tussen "menselijke wet" en "goddelijke wet" slechts schijn is. Alle ware wetten, ook de wetten die door de Tora aanbevolen worden, zijn universele wetten die door het verstand voorgeschreven worden. De liefde tot God impliceert volgens Spinoza de liefde voor de waarheid, ofwel, want beide streven naar natuurlijk inzicht in het universele en zijn eerste oorzaken. Fanatiek dogmatisme van religieuze groeperingen dat indruist tegen de redelijke verordeningen van de staat (dat ook in Spinoza's tijd zeer actueel was) is dus onredelijk gedrag.

Hoofdstuk 5 (Godsdienst en democratie) Het vijfde hoofdstuk behandelt het gezag van de kerk door de ceremonies en het geloof in de geschiedverhalen van de Bijbel. De ceremonies zijn gebonden aan tijd en plaats en hebben dus geen universele waarde, maar slaan op een bepaalde cultuur. Ze zijn bedoeld om de sociale samenhang van een staat, volk of gemeente te vergroten en de culturele identiteit te versterken en zijn in de joodse staat hiertoe ingesteld. De ceremoniële wetten en de geschiedverhalen moeten dus niet verward worden met de universele goddelijke wet, maar zijn wezenlijk iets anders.

Spinoza is een groot voorstander van de democratie en deze opvatting leidt tot een eerste korte uiteenzetting over de grondslagen van de staat. Zijn argumentatie ten gunste van de democratie sluit hij in paragraaf 9 af met een dubbelzinnige opmerking:

"Gehoorzaamheid betekent dat men alleen op gezag van een gebieder opdrachten uitvoert. Daarom is er voor gehoorzaamheid geen plaats in een gemeenschap waarin de macht bij allen berust en de wetten door algemene instemming van kracht worden."

Het begrip 'gehoorzaamheid' kan op twee manieren uitgelegd worden: politiek en godsdienstig. In de politiek zijn er verschillende staatsvormen als monarchie en aristocratie waar velen enkelen gehoorzamen. In de godsdienst leggen theologen (en eerder, de profeten) God uit als het opperwezen: iedereen moet hem vrezen en gehoorzamen.

Een vrije mens denkt zelf verstandig na en heeft God lief als de hoogste Waarheid. Een vrije mens gehoorzaamt niet aan de wetten van een gezag van buiten, maar alleen aan de wetten van zijn eigen Verstand. Deze kern van Spinoza's filosofie zette hij uitgebreider uiteen in zijn Ethica.Benedictus de Spinoza (1677), Ethica ordine geometrico demonstrata. Later verklaarde hij: "de staat is het veiligst als vroomheid en godsdienst zich alleen uiten in liefde en eerlijkheid" (hoofdstuk 20, paragraaf 17).