thumb|Handtekening van Margaretha Geertruida Zelle thumb|Handtekening als Mata Hari Mata Hari (Maleis voor 'Oog van de Dag' ofwel 'zon'), pseudoniem van Margaretha Geertruida (Griet) Zelle (Leeuwarden, 7 augustus 1876 – Vincennes, 15 oktober 1917), gehuwde naam MacLeod, was een Nederlandse exotische danseres en courtisane.
Margaretha Zelle groeide op in Leeuwarden. Op jonge leeftijd trouwde zij met de KNIL-officier Rudolph MacLeod, met wie zij enkele jaren in Nederlands-Indië woonde. Het huwelijk verliep ongelukkig en werd overschaduwd door de dood van hun zoontje, waarna het uiteindelijk op een scheiding uitliep.
Na haar terugkeer in Europa vestigde zij zich in Parijs, waar zij vanaf 1905 onder de artiestennaam Mata Hari internationale bekendheid verwierf met oosters geïnspireerde dansvoorstellingen. Zij presenteerde zich als een mysterieuze vrouw van exotische afkomst en groeide uit tot een van de bekendste artiesten van de Belle époque. Naast haar optredens maakte zij naam als courtisane en onderhield zij relaties met invloedrijke militairen, diplomaten en andere societyfiguren.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam Mata Hari in contact met de Duitse en Franse inlichtingendiensten. In 1917 werd zij door een Frans militair gerechtshof wegens spionage voor Duitsland ter dood veroordeeld en gefusilleerd. De vraag in hoeverre zij daadwerkelijk als spion werkzaam is geweest, blijft onderwerp van historisch debat. De meeste historici vermoeden dat ze weinig tot geen belangrijke militaire informatie doorspeelde en dat haar veroordeling mede werd beïnvloed door de gespannen oorlogsomstandigheden en haar reputatie en levensstijl, waardoor ze een geschikte zondebok vormde. Haar levensverhaal inspireerde talloze films, romans, biografieën en het archetypische beeld van de femme fatale.
Jeugd en vroege loopbaan
Voorouders Vermoedelijk komen Zelles voorouders uit Celle in Nedersaksen. Haar betovergrootvader was Herman Otto Zelle (1744-1807), die waarschijnlijk geboren is in Rheda, Westfalen. In tegenstelling tot de meeste bewoners uit die regio, was zijn familie gereformeerd. Herman vestigde zich rond 1770 in Leeuwarden en kocht in 1793 het pand op Over de Kelders 28. Hij was wever en later 'bontreder' (fabrikant van bonte textiel).
Hermans zoon Adam Zelle (1785-1862) woonde en werkte als meubelmaker aan Voorstreek 12, opgevolgd door zijn zoon Gerrit Jans (1831-1901). Adams oudste zoon Cornelis (1812-1880) nam het textielbedrijf van zijn schoonvader Coenraad Hamstra aan de Kelders 33 over. Hier werd Adam Zelle Corneliszoon (1840-1910) geboren.
Jonge jaren thumb|Margaretha Geertruida Zelle op jeugdige leeftijd Margaretha Zelle werd 7 augustus 1876 geboren aan de Kelders 33 in Leeuwarden als dochter van Adam Zelle Corneliszoon (1840-1910), een winkelier in hoeden, en Antje van der Meulen (1842-1891). Ze had drie jongere broers: Johannes Hendricus (1878) en de tweeling Arie Anne en Cornelis Coenraad (1881).
Zelle ging naar de Hofschool aan het Raadhuisplein 25, voor kinderen van welgestelde ouders. Tot haar 13e kreeg ze Franse, Duitse en Engelse privélessen. Daarnaast volgde ze danslessen bij Herman de Jong, die een dans- en muziekschool had voor welgestelde kinderen aan de Sint Jacobsstraat 35. Zelle leerde er polka's, mazurka's en walsen. Ze volgde daarna onderwijs aan de middelbare meisjesschool (MMS) tot kort voor haar 15e jaar.
In de periode 1883-1889 woonde de familie in een riant pand aan de Grote Kerkstraat, op nummer 212. Haar vader ging in februari 1889 failliet en moest zijn woonhuis en winkelhuis aan de Grote Kerkstraat met hele inboedel, twee panden op de Korenmarkt en Tweebaksmarkt, twee Franeker panden en een pand in Sneek verkopen.
Kort daarna scheidden haar ouders van tafel en bed in juli 1889 verhuisde moeder met de vier kinderen naar een bovenwoning aan de Willemskade 30. In september 1890 scheidden ouders van goederen. Vader werd uit de ouderlijke macht gezet, verhuisde naar Amsterdam en hertrouwde. Twee jaar later in mei 1891, stierf haar moeder aan tbc. Margaretha Zelle ging daarop op 15-jarige leeftijd bij haar tante Huberdina en haar peetoom en voogd, de koopman Roelof Visser, in Sneek wonen.
Roelof Visser besliste dat Zelle een dure vervolgopleiding van 500 gulden per jaar in Leiden ging volgen: de Kweekschool voor Bewaarschoolhouderessen. Ze werd er op 3 november 1892 ingeschreven, drie maanden na haar 16e verjaardag. Meisjes woonden er met kost en inwoning, terwijl kleding en medicatie voor eigen rekening waren. Zij konden na vier jaar een akte 'onderwijzeres aan bewaarscholen' behalen. De opleiding stopte echter voor Zelle toen de directeur avances maakte.
Na haar voortijdig vertrek van de Kweekschool, woonde ze bij haar tante Geertruida en oom Pieter Wijnouts Taconis en in Den Haag aan de Koningin Emmakade en later aan de Regentesselaan 79.
Huwelijk en periode in Amsterdam Toen Zelle 18 jaar was, reageerde zij op een contactadvertentie van ruim twintig jaar oudere KNIL-kapitein Rudolph MacLeod. Rudolph ('John') MacLeod was een lid van de Nederlandse tak van de Schotse familie MacLeod. Rudolph MacLeod was op 1 maart 1856 geboren te Heukelom, als zoon van kapitein John Brienen MacLeod en Dina Louise barones Sweerts de Landas.
Rudolph MacLeod begon in 1872 zijn militaire loopbaan en vertrok in 1877 naar Indië. Hij ontving in 1880 het Atjeh-kruis voor zijn aandeel in de Tweede Atjeh-oorlog (1873-1874). Hij verloor bijna het leven in de Derde Atjeh-oorlog (1884-1886) en keerde in de zomer van 1894, na zestien jaar vrijwel onafgebroken in Nederlands-Indië gediend te hebben, terug in Nederland voor twee jaar verlof wegens ziekte. Hij leed aan een lichte vorm van diabetes en had last van zijn gewrichten.
Zelle had, naar eigen zeggen, van jongs af aan al een voorliefde voor mannen in uniform gehad en mannen die niet tot het leger behoorden hadden haar nooit geïnteresseerd.
thumb|Margaretha Zelle, ca. 1895 Ze stuurde een foto mee. Ze had een erfenis van haar moeder, ƒ10.000,-, waar een aandeel van af was voor haar opleiding in Leiden en kost en inwoning bij oom en tante thuis in Den Haag. Ze deed zich in het begin voor als wees. Pas toen de huwelijksdatum dichterbij kwam moest ze haar vader om toestemming vragen, want ze was nog minderjarig. Ze waren al een week na de eerste ontmoeting verloofd, gingen 21 juni 1895 in ondertrouw en huwden op 11 juli 1895.Nederland's Patriciaat 59 (1973), p. 201. Rudolph verhuisde eerst van zijn kamer in de P.C. Hooftstraat 140, naar zijn zuster op de Leidsekade 79. Zelle was weggelopen bij haar oom en tante in Den Haag en bij haar aanstaande schoonzuster ingetrokken. Het bruidspaar ging op huwelijksreis naar Wiesbaden. Ze verhuisden in 1896 naar de Jacob van Lennepkade 63 in Amsterdam, en in oktober naar nr. 61.
Het huwelijk was belangrijk voor Zelle: het bracht haar in de Haagse 'betere standen' en ze zou financiële stabiliteit hebben moeten genieten, ware het niet dat, ondanks haar erfenis, door de verkwisting van de kapitein (haar man had de macht over haar vermogen) er altijd geldgebrek was. Zelle werd op 30 januari 1897 moeder van Norman John MacLeod. Op 21 maart werd Norman gedoopt. Op 1 mei 1897 vertrok het gezin MacLeod naar Java in Nederlands-Indië aan boord van de ss Prinses Amalia.
Periode in Nederlands-Indië Zelle trok tijdelijk in bij de familie Van Rheede, een ander Nederlands officiersgezin. Tijdens die maanden bestudeerde ze de Indische tradities en cultuur, bij opvoeringen van de Mahabharata en Ramayana. Ze werd ook lid van een lokale dansgroep. In 1897 gebruikte ze voor het eerst de artiestennaam 'Mata Hari', Maleis voor Oog van de Dag ofwel zon.
Haar debuut op het toneel was in een komische operette die werd uitgevoerd voor de Tooneel en Muziekvereeniging Thalia, in de Sociëteit Concordia in het legerkamp in Malang. Het heette De Kruisvaarders en Zelle speelde in een heropvoering tijdens de feesten ter ere van de troonsbestijging van Wilhelmina (1898) de Engelse koningin, de bedrogen echtgenote van Richard Leeuwenhart.
Op 2 mei 1898 werd te Malang hun dochter Louise Jeanne MacLeod ('Nonnie', naar nona, meisje in het Maleis) geboren. Op 27 juni 1899 overleed hun zoon Norman John te Medan, wellicht door een rijst- of kwikvergiftiging. De baboe zou de kinderen kunnen hebben vergiftigd of de dosering van een kwikbehandeling tegen syfilis zou parten hebben gespeeld. Zelle en haar dochter werden later ook behandeld tegen de geslachtsziekte, die echtgenoot Rudolph aan hen overgedragen had. Wegens toenemende huwelijksproblemen besloot het echtpaar MacLeod in 1902 naar Nederland terug te keren. Nog datzelfde jaar volgde een scheiding van tafel en bed. De echtscheiding werd uitgesproken bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem op 26 april 1906 en ingeschreven te Rheden op 10 juni 1907.
Periode 1902-1904 In april 1902 was het gezin terug in Amsterdam. Zelle wilde een nieuw leven beginnen en toneellessen nemen. Op 26 augustus 1902 vertrok MacLeod van huis met dochter Non 'om een brief op de post te doen' en keerde niet terug. Hij bracht hun dochter onder in Velp bij vriend en huwelijksgetuige kapitein Lambert Pieter van Mourik en diens vrouw Elise Murkens. Een dag later nam Zelle een advocaat in de arm. Voor het eerst verklaarde ze zich slachtoffer van mishandeling binnen het huwelijk. Op 29 augustus stond het echtpaar voor de rechtbank voor de behandeling van Zelles verzoek tot ontbinding van het huwelijk vanwege 'overspel, mishandeling, buitensporigheden en beledigingen.' MacLeod legde een verklaring af bij advocaat Lodewijk Willem van Gigch, waarin hij zei dat zijn vrouw haar dochter verwaarloosde, niets aan het huishouden deed, zich wuft en lichtzinnig gedroeg, ongeoorloofde seksuele gemeenschap had met andere mannen, hem in het openbaar uitschold en tegen haar kind gezegd had: 'Kind, je vader is een grote ploert, hij is alweer dronken.' Van Gigch had zelf ervaren hoe MacLeod zijn vrouw in het openbaar had uitgescholden en legde een verklaring in haar voordeel af. Er werd 'subsidiair tot scheiding van tafel en bed' besloten. De eiseres werd op alle punten in het gelijk gesteld en Non werd haar toegewezen. MacLeod moest haar ƒ100,- per maand alimentatie betalen.
Zelle en haar dochter trokken in bij MacLeods aangetrouwde nicht baronesse Antoinette Goedvriend-Sweerts de Landas in Arnhem. MacLeod adverteerde in Het Nieuws van den Dag: 'Waarschuwing. Een ieder wordt gewaarschuwd geen gelden of goederen af te geven aan Mevr. MAC-LEOD, geb. ZELLE, daar ondergeteekende zich voor niets aansprakelijk stelt. R. Mac-Leod. Amsterdam, 28 aug. 1902.' Het bericht verscheen ook in de Arnhemsche Courant. Zelle schreef een jaar later aan neef Edward MacLeod: 'ik was geschandaliseerd terwijl ik nooit nog iets had gekocht op zijn naam.' Zelle verhuisde binnen een week naar Hotel de Roskam in Worth-Rheden. In februari 1903 stopte MacLeod de alimentatie, omdat hij failliet dreigde te gaan. In de zomer verhuisde Zelle naar Scheveningen naar haar vriendin Margaretha Anna Odile Jintens, een gescheiden vrouw en prostituée. MacLeod wilde zijn vrouw op overspel betrappen en liet haar bespioneren, om haar geen toelage meer te hoeven betalen. De dames huurden een statig pand aan de Van Swietenstraat 88 in Den Haag, maar er konden geen bewijzen worden gevonden, dat Zelle zich prostitueerde.
Begin oktober vertrok Zelle naar Parijs. Ze schreef op 29 oktober 1903 aan neef Edward MacLeod: 'Waarde neef, Johns gedrag is zoodanig dat ik tusschen beiden met recht geloof met een waanzinnige te doen te hebben, maar dat neemt niet weg dat ik als getrouwde vrouw op straat sta zonder een cent en mezelf moet redden.' Ze logeerde in een Engels pension aan de Rue Lecourbe. Ze poseerde voor de schilder Octave Guillonnet als de Romeinse femme fatale Messalina. Ze deed auditie als amazone in het circus van Ernst Molier, maar dit mislukte.