Nederigheid of deemoed is een houding of eigenschap die zich kenmerkt door weinig voor zichzelf te eisen en zichzelf niet op de voorgrond te plaatsen, en afkeer van gebruik van macht of aanvaarden, laat staan opeisen, van eer. Nederigheid gaat niet samen met egoïsme of egocentrisme en dient niet verward te worden met gebrek aan zelfwaardering.

Nederigheid, sterk verwant aan bescheidenheid, is het tegenovergestelde van hoogmoed of arrogantie. In de ethiek speelt het begrip een belangrijke rol.

Spinoza over nederigheid De Verlichtingsfilosoof Benedictus de Spinoza is even negatief over de vermeende deugd nederigheid als over de ondeugd verwaandheid. Nederigheid is volgens hem hetzelfde als zelfmiskenning en daarom eveneens een ondeugd:

Nederigheid in het christendom In de christelijke geloofsethiek speelt het begrip nederigheid een belangrijke rol. Bij de zeven hoofdzonden uit de katholieke geloofsleer is hoogmoed de grootste zonde, die onder meer, volgens het christelijke geloof, tot de val van Adam en Eva uit het paradijs zou hebben geleid.

Nederigheid staat ook centraal in de gelijkenis die Jezus Christus vertelde over de plaats van de genodigden bij een bruiloft: wie een ereplaats inneemt kan worden gevraagd om elders te gaan zitten omdat de plaats voor een voornamer persoon bestemd kan zijn, maar wie de minste plaats kiest kan daarentegen juist worden gevraagd dichterbij te komen zitten.

Nederigheid is bij vele katholieke orden (kloosterorden) een eerste eis, zoals bij de 'minderbroeders' Franciscanen. Als bewijs van nederigheid ging men in zogenaamde 'missiegebieden' werken met ernstig zieken, zoals pater Damiaan deed toen hij voor besmettelijke lepralijders ging zorgen. De opdracht tot nederigheid binnen kerkelijk verband werd in katholieke kringen vaak misbruikt om macht uit te oefenen over ordeleden of gelovigen.

Categorie:Christelijke ethiek Categorie:Ethiek