thumb|De uitvoering van de rijksbelastingwetgeving vindt plaats door de Belastingdienst. Belastingen vormen in Nederland het grootste deel van de inkomsten van de overheden. Daarnaast ontvangt de staat inkomsten uit de verkoop van aardgas uit de Nederlandse bodem. Ook krijgt de rijksoverheid inkomsten uit de winst van bedrijven waarvan de overheid (voor een deel) eigenaar is, zoals KLM en KPN. Ook de provinciale en gemeentelijke overheid en de waterschappen heffen hun eigen belasting.
Traditioneel nemen de omzetbelasting en de loonbelasting de grootste moten voor hun rekening. Tezamen zijn zij goed voor zo'n 70% van de belastinginkomsten. Daarna volgt de vennootschapsbelasting met ongeveer 15%. De loonbelasting is een voorheffing van de inkomstenbelasting; deze afrekening kan een (bij)betaling of een teruggave inhouden, per saldo is deze goed voor enkele procenten van de belastinginkomsten. Andere, kleinere belastingen, zoals de dividendbelasting en de accijnzen, leveren voor de overheid verhoudingsgewijs weinig op.
Het ministerie van Financiën is verantwoordelijk voor de uitvoering van rijksbelastingwetgeving. De feitelijke uitvoering vindt plaats door de Belastingdienst. Binnen de belastingdienst is de inspecteur verantwoordelijk voor heffingsaangelegenheden zoals de aanslagregeling en de behandeling van bezwaar- en verzoekschriften. De ontvanger is verantwoordelijk voor invorderingsaangelegenheden. De inspecteur werkt voornamelijk op basis van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) terwijl de ontvanger voornamelijk de Invorderingswet hanteert.
Belasting versus heffing De term heffing wordt vaak gebruikt als algemener dan belasting. Zo is bijvoorbeeld de loonheffing een combinatie van loonbelasting en ingehouden premies volksverzekeringen. Daarnaast wordt in het spraakgebruik een heffing vaak gezien als een bestemmingsheffing, zijnde een heffing waarvan de opbrengsten geoormerkt zijn voor bepaalde uitgaven. Volgens de regering volgt dat echter niet uit de term heffing. Omdat de opbrengst van de verhuurderheffing niet los is te zien van de voordelen die verhuurders in de gereguleerde sector hebben van toegestane extra huurverhogingen, heeft het kabinet ervoor gekozen deze maatregel als een heffing te betitelen en niet als een belasting, ook al is het geen bestemmingsheffing.https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33407-6.html
Geschiedenis Het betalen van belastingen bestaat al eeuwen. In de 17e eeuw en 18e eeuw ging het voornamelijk om belastingen op eerste levensbehoeften als brandhout, zeep, zout, graan, vlees, turf, kolen en wol. Omdat niemand zonder deze producten kon leven, was de overheid verzekerd van inkomsten. De overheid gebruikte dat geld voor de bescherming van land en inwoners, de handhaving van de openbare orde en de regulering van verkeer, waterstaat en handel. Iedereen betaalde toen hetzelfde tarief ongeacht het inkomen.
In 1806 werd onder Alexander Gogel, minister van Financiën tijdens de Bataafs-Franse tijd een stelsel van algemene belastingen ingevoerd. De betekenis van het stelsel zat vooral in het bereiken van eenheid van de Nederlandse belastingheffing.
In 1914 werd de eerste vorm van belasting op inkomen ingevoerd. Het doel van het invoeren van inkomstenbelasting is om naar draagkracht te belasten. De rol van de overheid is sindsdien alleen maar groter geworden. Vandaar dat de overheid steeds meer geld "nodig heeft" om alle taken te kunnen uitvoeren. Nieuwe belastingsoorten, zoals omzetbelasting (vanaf 1969 btw) en vennootschapsbelasting worden ingevoerd. In 1964 werd de loonbelasting ingevoerd.
Na de Tweede Wereldoorlog is het belastingstelsel uitgegroeid tot een systeem dat gekenmerkt wordt door twee belangrijke uitgangspunten: het draagkrachtbeginsel en het profijtbeginsel, die in de praktijk echter niet goed uit de verf komen.
De volgende belastingen zijn inmiddels afgeschaft: Vermogensbelasting (afgeschaft per 1 januari 2001) Belasting op uranium-235 (afgeschaft per 1 januari 2001) Kapitaalbelasting (afgeschaft per 1 januari 2006) Vliegbelasting (nultarief ingevoerd per 1 juli 2009) Grondwaterbelasting (afgeschaft per 1 januari 2012) Afvalstoffenbelasting (afgeschaft per 1 januari 2012)
Beginselen Profijtbeginsel Het profijtbeginsel houdt in dat naarmate men meer profijt heeft van een bepaalde overheidsvoorziening, men er ook meer voor moet betalen. Daarom zou degene die een auto bezit wegenbelasting moeten betalen, wie er geen heeft, niet. Het profijtbeginsel komt zo niet echt uit de verf, want de een rijdt mogelijk veel meer kilometers in een lichte (en dus fiscaal goedkope) auto dan de ander in een zware. Bovendien is het profijtbeginsel in tegenspraak met de BPM: de belasting op de aanschaf van een motorrijtuig. Een andere kritiek tegen het profijtbeginsel is dat het eigenlijk niet bestaat wanneer het perfect opgevolgd wordt. Als iedereen dat bedrag aan belasting betaalt dat gelijk is aan zijn profijt van de overheidsvoorziening, dan zouden die voorzieningen dus geen zin hebben omdat de belastingplichtige dan net zo goed zelf daarin had kunnen voorzien.
Draagkrachtbeginsel Daarnaast hanteert de overheid het draagkrachtbeginsel. Dat gaat ervan uit dat de sterkste schouders de zwaarste last kunnen dragen. Dus hoe hoger het inkomen, hoe meer belasting men procentueel moet betalen.
De overheid hanteert tegenwoordig, behalve het profijt- en het draagkrachtbeginsel, ook het principe van 'de vervuiler betaalt'. Dat principe is bijvoorbeeld van toepassing als de overheid belasting heft op milieuvervuilende activiteiten van burgers. Voor industrie en grootverbruikers worden echter een aparte tariefstructuur en kortingen gehandhaafd.CBS - De vervuiler betaalt?
Wie draagt de belastingen af? Bij het afdragen van belastingen zijn de volgende twee mogelijkheden te onderscheiden: directe of indirecte belastingen. Belastingen die door de belastingplichtige zelf worden afgedragen (dit kunnen particulieren maar ook bedrijven zijn, afhankelijk van de ondernemingsvorm) aan de Belastingdienst worden directe belastingen genoemd. Een voorbeeld hiervan is de inkomstenbelasting. Bij de indirecte belastingen draagt een ander de belastingen af aan de Belastingdienst. Een voorbeeld hiervan zijn accijnzen. Dit is een belasting die in de prijs van goederen en diensten is verwerkt. De consument betaalt de belasting, maar de leverancier draagt het belastingbedrag af aan de Belastingdienst.
Belastingen in soorten en maten De staat heft belastingen op inkomen, winst en het forfaitair rendement uit vermogen. Iedereen heeft te maken met de inkomstenbelasting, die betaald moet worden over inkomsten. Hoeveel inkomstenbelasting wordt betaald is afhankelijk van de hoogte van het inkomen en persoonlijke omstandigheden. In het huidige belastingstelsel, dat op 1 januari 2001 in werking is getreden, is de vroegere belastingvrije som vervangen door een systeem van heffingskortingen. Zoals het begrip "heffingskorting" doet suggereren, is het een korting op de belastingheffing (te betalen bedrag). De voorheen heersende belastingvrije som daarentegen was een vermindering van de heffingsgrondslag, het bedrag waarover de belastingheffing (aanslag) wordt berekend.
De hoogte van de totale korting is afhankelijk van persoonlijke omstandigheden als leeftijd, het al of niet hebben van een baan en het aantal kinderen. Mensen zonder inkomsten kunnen ook in aanraking komen met de belastingen doordat zij eventueel heffingskortingen uitbetaald kunnen krijgen indien het door de fiscale partner te betalen belastingbedrag hiervoor toereikend is.
Naarmate het inkomen hoger is, wordt meer belasting betaald. Daarnaast heft de staat accijnzen en een Belasting op Toegevoegde Waarde (btw). Btw wordt ook wel juridisch de omzetbelasting genoemd. Bij leveringen of diensten (samen: prestaties) zit een toeslag op de prijs die de consument moet betalen. Deze toeslag is de btw of omzetbelasting. De producenten en leveranciers verhogen dus de prijs van een levering of dienst met het bedrag van de btw, en vervolgens moeten zij dit geld aan de staat afdragen. Maar de consument betaalt in werkelijkheid deze belasting, want hij moet een toeslag op de prijs betalen. Zonder de btw zou de consument goedkoper uit zijn.
Op luxe producten, die niet echt nodig zijn om te leven, wordt 21 procent btw betaald (bijvoorbeeld op cd's, of op sieraden). Op minder luxe producten, eerste levensbehoeften, wordt meestal 9% btw betaald (bijvoorbeeld op brood). Dit zijn dus alle leveringen die belast zijn met btw naar het algemeen of verlaagde tarief. Dit kan ook voor diensten gelden, bijvoorbeeld het schilderen van een huis dat meer dan 15 jaar oud is. Ten slotte zijn er nog prestaties waarvoor een 0%-tarief geldt en prestaties waarop een vrijstelling van omzetbelasting van toepassing is. Op zaken als sigaretten, drank of benzine wordt boven op de btw nog accijns of verbruiksbelasting geheven. Van iedere verkochte liter benzine of jenever wordt een vast bedrag aan accijnzen aan de overheid afgedragen. De classificatie staat regelmatig ter discussie, en toekenning kan eerder een politiek karakter krijgen.
Veel belastingsoorten uit het verleden behelsden een poging van de heffer om de belastinginkomsten te stabiliseren. Door de toegenomen beschikbaarheid van informatie voor de staat, is dit nu zeer sterk verbeterd. Het heeft wel als gevolg dat de staat niet langer 'mee-ademt' met de conjunctuur van de economie, zoals lang wel het geval was.
Door de toename van het aantal belastingsoorten neemt de complexiteit van de inning toe, en dus ook de bijhorende kosten. Aangezien controle van de aard van de grondslag vaak niet efficiënt kan plaatsvinden, of tegen privacy-wetgeving aanloopt, is er een sterke trend van de oorspronkelijk analytische benadering, naar een synthetische belasting.
Hierbij wordt een algemeen tarief geconstrueerd dat meer tendeert naar de inkomstenbehoefte van de staat dan de precieze inkomsten van een persoon. Aangezien er toenemend belasting-ontwijking plaatsvindt, versterkt dit de politieke acceptatie van wat dan nu bekendstaat als 'vlaktaks'. Deze combineert eenvoud van inning met het door velen gedragen beginsel van breedste schouders, zwaarste lasten, in voldoende mate.
De ultieme synthetische belasting die uit dit proces kan voortvloeien, is dan uiteraard een vlaktaks, die alle belastingsoorten in een enkel tarief consolideert. Gezien ontwikkelingen in het verleden ligt de voorkeur dan bij een belasting op uitgaven, die de productiviteit niet ontmoedigt. Deze laatste ontwikkeling wordt nog niet zozeer breed gedragen, maar ontplooit zich de laatste jaren wel over een breed politiek spectrum.
Belastingheffende instanties en wat wordt zoal geheven? thumb|Video Waarom betaal ik waterschapsbelasting? Er zijn in Nederland vijf overheden die belasting heffen: de Rijksoverheid de Provincies de Gemeenten de Openbare lichamen BES de Waterschappen
Ten opzichte van de totale belastingopbrengst is het aandeel van de provinciale, de gemeentelijke en de waterschapsbelastingen gering: nog geen 4% van de totale belastingopbrengst.
Belastingen geheven door de Nederlandse rijksoverheid in Europees Nederland Rijksbelastingen op inkomen, winst, vermogen e.d. Inkomstenbelasting: Wet inkomstenbelasting 2001 Loonbelasting: Wet op de loonbelasting 1964 Vennootschapsbelasting: Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Dividendbelasting: Wet op de dividendbelasting 1965 Kansspelbelasting Erfbelasting en schenkbelasting: Successiewet 1956 Verhuurderheffing Vermogensrendementheffing
Kostprijsverhogende rijksbelastingen Omzetbelasting Rechten bij invoer Rechten bij uitvoer Accijnzen, te onderscheiden in: Alcoholaccijns Wijnaccijns Bieraccijns Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere productenWet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten op wetten.overheid.nl. Suikeraccijns Tabaksaccijns