Acanthostega is een geslacht van uitgestorven amfibieën, een fossiele overgangsvorm tussen dieren die nog de morfologie van een basale vis bezaten en dieren die op poten konden lopen. Acanthostega was een van de eerste gewervelde dieren met herkenbare ledematen. Het verscheen in het Boven-Devoon (Famennien) ongeveer 365 miljoen jaar geleden en was anatomisch een tussenvorm tussen lobvinnigen en vissen die volledig in staat waren om aan land te komen.

Naamgeving Het eerste in Groenland ontdekte fossiel van Acanthostega werd al in 1933 beschreven. De gefossiliseerde overblijfselen zijn over het algemeen goed bewaard gebleven, met de beroemde fossielen in blok UMZC T1300 waardoor de betekenis van deze soort werd onderkend, ontdekt door Jennifer A. Clack in Oost-Groenland in 1987 als deel van een expeditie opgezet door de universiteiten van Kopenhagen en Cambridge,Clack, J.A. 1988. "New material of the early tetrapod Acanthostega from the Upper Devonian of East Greenland". Palaeontology 31: 699–724 hoewel fragmenten van de schedel in 1932 waren ontdekt door Gunnar Säve-Söderbergh en Erik Jarvik. left|thumb|Een afgietsel van het holotype met links de tabulaire hoorn waarnaar het geslacht vernoemd is Jarvik benoemde in 1952 de typesoort Acanthostega gunnari. De geslachtsnaam betekent 'doorndak'. De soortaanduiding eert Gunnar Säve-Söderbergh die in 1932 het eerste fossiel opgroef en wiens ontijdige dood het onderzoeksproces twintig jaar vertraagde.Jarvik, E. 1952. "On the fish-like tail in the ichthyostegid stegocephalians with descriptions of a new stegocephalian and a new crossopterygian from the Upper Devonian of East Greenland". Meddr Grønland 114: 1–90

Het holotype is NHMD 74758 (eerder MUGH [GM] A33 ), gevonden op de Wimansbjerg-vindplaats in de Britta Dal-formatie. Het betreft de eerste gevonden schedel. Een andere kop, MGUH 6085, was bewaard als een natuurlijk afgietsel. In 1970 werden door John Nicholson nog eens drie schedels geborgen.Nicholson, J. & Friend, P.F. 1976. "Devonian sediments of East Greenland V. The central sequence, Kap Graah Group and Mount Celsius Supergroup". Meddr Grønland 206: 1-117 Deze trokken echter nauwelijks belangstelling. Nicholson was een sedimentoloog die bij toeval op de schedels was gestoten. In 1987 werden de postcraniale skeletten geborgen die nog aan alle drie de schedels verbonden bleken te zijn geweest. Talrijke latere vondsten zijn aan de soort toegewezen, waaronder negentien schedels. Belangrijke schedels kregen bijnamen als Grace, Boris en Rosie. Op de vindplaats zijn ruim tweehonderd specimina aangetroffen die minstens twintig individuen vertegenwoordigen. Veel exemplaren zijn nogal vervormd wat een reconstructie bemoeilijkt. Ze zijn meestal mechanisch geprepareerd maar natuurlijke afgietsels zijn ook vrijgelegd met een bad van zoutzuur wat de interne structuur van de schedel onthulde.

De vondsten uit 1987 baarden veel opzien, vooral door het vervreemdende bezit van acht in plaats van vijf vingers.Coates, M.I. & Clack, J.A. 1990. "Polydactyly in the earliest known tetrapod limbs". Nature 347: 66-69 Het fenomeen inspireerde de evolutiebioloog Stephen Jay Gould tot zijn essay, en gelijknamige boek, Eight Little Pigies. Hierin stelt hij dat huidige wetenschappers weliswaar neerkijken op de archetypen van Richard Owen maar in wezen dezelfde soort concepten toepassen. Erik Jarvik zelf had in zijn boek uit 1980 Acanthostega gereconstrueerd met vijf vingers en gemeend dat het vroege vastleggen van dit aantal een noodzakelijke voorwaarde geweest was voor een geslaagde evolutie van het menselijke brein: een kleiner aantal had tot een grotere specialisatie geleid en een verlies van essentiële flexibiliteit. Dat het dier in feite acht vingers had, zag Gould als een ironisch bevestiging van de onderliggende contingentie van evolutie: alles berust volgens hem uiteindelijk op stom toeval.

In 2006 werd Tiktaalik roseae beschreven, waarvan men denkt dat het een soort is die tussen vissen en Acanthostega in stond.

Beschrijving thumb|De schedel MGUH f.n. 1300b, bijgenaamd Grace Grootte Acanthostega is zestig tot tachtig centimeter lang. Een kwart van die lengte beslaat de schedel. De schedel van het holotype is ongeveer veertien centimeter lang. De grootste schedels hebben een lengte van twintig centimeter. De gevonden juveniele exemplaren hebben twee derden van de lengte van de volwassen dieren.

Schedel left|thumb|De eerste gevonden fossielen De schedelbotten zijn bij oudere exemplaren hecht vergroeid. De kop is zeer afgeplat en breed. De snuit loopt naar voren taps toe in een afgeronde punt. Die wordt mede gevormd door middelste rostralia en voorste tectalia. De snuit wordt doorboord door een langwerpige fontanel, wellicht voor een slijmklier. In eerste instantie was dit kenmerk Clack niet opgevallen; pas het ontdekken van een gelijksoortige structuur bij Ventastega verklaarde waarom bij veel exemplaren de snuit overlangs gespleten is. Het neusgat ligt dicht bij de snuitrand. In de snuit zijn zijlijnorganen aanwezig die een prooi konden opsporen door veranderingen in de waterdruk. Ze liggen in diepe buizen die door middel van vrij grote poriën zijn verbonden met het omringende water. Soms vloeien die gaten samen tot groeven. De bovenzijde van de schedel toont, zoals bij veel verwanten, een opvallende textuur van rimpels, putjes, groeven en bultjes waarvan de functie onduidelijk is.

De premaxilla draagt dertien tanden die naar achteren in grootte toenemen. Het bovenkaaksbeen draagt maximaal tweeënvijftig tanden. De zevende tot en met elfde maxillaire tanden zijn het grootst. De oogkas is een ovaal die schuin naar boven gericht is. Deze orbita wordt versterkt door negentien of twintig platen van een scleraalring. De schedel heeft al een stapes, een oorbot dat het trommelvlies met het binnenoor verbindt. De stapes is robuust, heeft een enkelvoudige kop, een groot foramen stapediale en aan de zijde van de hesenpan een platte tweelobbige plaat met een ruw uiteinde. Clack wijdde verschillende studies aan dit element gezien het belang voor de evolutie van het gehoor bij landdieren.Clack, J.A. 1992. "The stapes of Acanthostega gunnari and the role of the stapes in early tetrapods". In: Webster, D., Fay, R. & Popper, A.N. (eds) Evolutionary Biology of Hearing, p. 405-420. New York: SpringerClack, J.A. 1993. "Homologies in the fossil record: the middle ear as a test case". Acta Biotheoretica 41: 391-410 Het was indertijd de oudste stapes van viervoeters die bekend was.Clack, J.A. 1989. "Discovery of the earliest-known tetrapod stapes". Nature 342: 425-427 De hersenpan lijkt op die van basale vissen door de aanwezigheid van een uitholling in de zijwand, de fenestra vestibuli. Deze mist echter de commissura lateralis waar bij zulke vissen de hyomandibula scharniert; in plaats daarvan bevindt zich er de stapes.

Een intertemporale ontbreekt. Het tabulare is ingekeept en draagt boven de oorzone de lange naar binnen gekromde hoorn waarnaar het geslacht vernoemd is. Het supratemporale heeft de vorm van een pijlpunt. Net als bij basale vissen is de hersenpan niet met contactfacetten verbonden met het verhemelte.Clack, J.A. 2002. "The dermal skull roof of Acanthostega gunnari, an early tetrapod from the Late Devonian". Earth and Environmental Science Transactions of the Royal Society of Edinburgh, 93(01): 17–33 Het verhemelte bestaat uit een doorlopende beenplaat die maar losjes is verbonden met de bovenkant van de schedel.

In de onderkaak draagt het dentarium een zestigtal eenvormige tanden. Vooraan heeft de symfyse een paar grotere vangtanden. De plaat op de achterste symfyse is slechts bedekt met kleinere denticula. Meer achteraan wordt de onderkaak bedekt door drie coronoïde botten met kleinere tanden. Het dentarium vormt alleen de bovenrand. Het spleniale maakt het leeuwendeel van de onderzijde uit, gevolgd door een postspleniale waarachter zich weer een surangulare bevindt dat ondanks de naam achteraan bedekt wordt door een groot angulare.

Acanthostega had inwendige kieuwen die bedekt waren als die van een vis. De kieuwholten worden vooraan ondersteund door krachtige ceratobranchialia. Er zijn minstens drie kieuwbogen aanwezig. Alle brachialia zijn sterk verbeend. Hun achterzijden zijn ingekorven door diepe groeven waarin de aderen lagen die zuurstofarm bloed naar de kieuwen brachten.Coates, M.I. & Clack, J.A. 1991. "Fish-like gills and breathing in the earliest known tetrapod". Nature 352: 234-236 Hij had vermoedelijk ook longen daar die oorspronkelijk zijn voor beenvissen, maar zijn ribben waren te kort om zijn borstholte op het land te ondersteunen en hij kon daar dus niet ademhalen.

Postcrania De wervelkolom is rachitoom: de intercentra waren de belangrijkste elementen en de gepaarde pleurocentra waren kleiner. Het atlas-draaier-complex is basaal van vorm met nauwelijks verschillen tussen deze twee eerste halswervels. Over de hele lengte van de wervelkolom zijn wervels overigens weinig gedifferentieerd. De notochorda is niet ingesnoerd. De wervelbogen zijn maar licht verbeend en dragen nauwelijks ontwikkelde gewrichtsuitsteeksels. Wel zijn er tussen sommige wervels secundaire gewrichtsuitsteeksels aanwezig. De gepaarde intercentra zijn niet vergroeid, behalve bij de atlas en de sacrale wervels. De wervelkolom moet een grote zijdelingse flexibiliteit hebben gehad. Dit zijn alle basale kenmerken. Meer afgeleid is het grote aantal staartwervels. Hun wervelbogen dragen radialia die weer talrijke rijen niet vertakte en ongesegmenteerde lange lepidotrichia dragen, benige vinstralen, die hoge vinnen ondersteunden die over en onder de staart liepen. De nekribben zijn schepvormig aan hun verbrede uiteinden als aanhechting voor de nekspieren. De borstribben zijn kort en recht. thumb|Een diagram van de linkervoorpoot, naar Clack Acanthostega had acht vingers aan elke hand (het aantal tenen aan de voeten is vermoedelijk ook acht), wellicht verbonden door zwemvliezen. Ten opzichte van latere tetrapoden bevonden zich drie "extra" kleinere vingers aan de binnenzijde van de hand. De buitenste twee vingers zijn ook slank. De vingerkootjes hebben een eenvoudige vorm. Het zijn iets afgeplatte cilinders die wat verbreed zijn aan beide uiteinden. Acanthostega miste wellicht polsbeenderen op een intermedium na en was over het algemeen slecht aangepast om op het land te lopen. Hij had ook een opmerkelijk visachtige schoudergordel en voorpoot. De schoudergordel is niet vergroeid en is ook los van de schedel. Boven het cleithrum bevindt zich nog een naar binnen gebogen anocleithrum. Het cleithrum zet zich naar onderen voort in een sleutelbeen dat onderaan naar binnen buigt. De omvatting van de voorste borstkas die zo ontstaat is aan de voorrand voorzien van een lamina postbranchialis die het water uit de kieuwholte weer naar buiten geleidde. Het cleithrum is naar achteren verbonden met de grote driehoekige plaat van het scapulocoracoïde. Daarop bevindt zich een ondiep ovaal schoudergewricht dat de arm zijwaarts naar buiten richtte. left|thumb|Afgietsel van MGUH f.n. 255, 1227 ofwel "Individu X". Het afgietsel laat de toestand zien van vóór de uiteindelijke preparatie van 1998 die nog een schedel blootlegde