De vroedmeesterpad (Alytes obstetricans) is een padachtige kikker uit de familie Alytidae.

De vroedmeesterpad is een West-Europese soort die leeft in kalkrijke omgevingen met poeltjes, waarin de dieren zich ontwikkelen. De vroedmeesterpad is een echte landbewoner die zelden het water betreedt. De habitat bestaat uit kale omgevingen met hier en daar poeltjes. De kikker komt voor in België en Nederland. In Nederland was dat beperkt tot zuidelijk Limburg, maar na de eeuwwisseling worden er met regelmaat ook waarnemingen gemeld uit andere delen van het land.Gegevens over het voorkomen van de vroedmeesterpad in Nederland op Waarneming.nl dd. 23-04-2015 De vroedmeesterpad is in België en Nederland aangemerkt als beschermde diersoort.

De vroedmeesterpad is een vrij kleine soort die ongeveer 5 centimeter lang wordt. De kikker heeft een grijze tot bruine kleur aan de bovenzijde, de onderzijde is lichter. De huid is wrattig en bevat giftige verbindingen. De vroedmeesterpad dankt zijn naam aan de bijzondere manier van voortplanting. De kikker kent een verregaande vorm van broedzorg, althans de mannetjes.

Naamgeving De vroedmeesterpad heeft als wetenschappelijke naam Alytes obstetricans. Oorspronkelijk werd de kikker beschreven onder de naam Bufo obstetricans. Deze naam werd voor het eerst gebruikt door Josephus Nicolaus Laurenti in 1768. Later werden ook andere wetenschappelijke namen gebruikt, zoals Bombinator obstetricans, Rana obstetricans en Obstetricans vulgaris zijn in het verleden wel gebruikt voor de soort.

De geslachtsnaam Alytes komt uit het Grieks en betekent 'gewikkeld'. Deze naam slaat op het feit dat de mannetjes de eiersnoeren om de achterpoten wikkelen en deze enige tijd met zich mee dragen.

De soortaanduiding obstetricans is afgeleid van het Latijnse woord obstetricare, dat werken als verloskundige betekent. Deze benaming is te danken aan het feit dat het mannetje tijdens de paring op- en neer gaande bewegingen met het achterlichaam maakt, zodat het lijkt of het mannetje de eieren uit het vrouwtje probeert te persen. Hierop is ook de Nederlandstalige naam 'vroedmeesterpad' gebaseerd, dus niet aan het feit dat het mannetje de eieren draagt.

Verspreiding en habitat thumb|260px|Verspreidingsgebied in het groen

De vroedmeesterpad leeft in het westen en zuidwesten van Europa, met het midden en noorden van het Iberisch Schiereiland als kerngebied. De soort komt in geheel Frankrijk voor, in Zuid-Wallonië en lokaal in Oost-Vlaanderen. In Oost-Duitsland komt de soort in geheel Saksen tot aan Brandenburg voor. Verder naar het zuiden wordt de populatie begrensd tot de Jura in Midden-Zwitserland.

De vroedmeesterpad komt voor in België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje en Zwitserland. De kikker is door de mens geïntroduceerd in het Verenigd Koninkrijk.

Het noordelijkste deel van het areaal besloeg tot voor kort het deel van Nederland ten zuiden van de stad Heerlen, in Duitsland komt de soort op ongeveer even noordelijke locaties voor, echter alleen in het midden van het land. De populaties in Nederland en Duitsland komen hierdoor nergens samen. Het zuidelijkste deel van het verspreidingsgebied beslaat zuidelijk Spanje. In de Pyreneeën komt de kikker voor tot een hoogte van 1500 tot 1800 meter boven zeeniveau, in streken die grote delen van het jaar bedekt zijn met sneeuw.

In Nederland De aanwezigheid van de vroedmeesterpad in Nederland werd voor het eerst vastgesteld in 1893 door Oudemans. Er is enige verwarring geweest omdat de Limburgse naam voor de vroedmeesterpad abusievelijk werd aangezien voor de aanduiding voor de geelbuikvuurpad.

In Nederland komt de pad van nature alleen voor in de Limburgse mergelgroeven in zeven verschillende kernpopulaties. Daarnaast zijn er kleinere groepjes van Meerssen in het westen van Zuid-Limburg tot Wahlwiller in het oosten. Een populatie ten westen van Nuth stond anno 2010 bekend als de meest noordelijke natuurlijke populatie in Nederland.

De vroedmeesterpad is op diverse plekken elders in het land uitgezet. Zo is hij in de Botanische Tuinen Universiteit Utrecht, Amsterdam en Den Haag gesignaleerd. Hier schijnt de kikker goed te gedijen. In Amersfoort was anno 2010 een zodanige populatie ontstaan dat wijkbewoners klaagden over een verstoorde nachtrust door de lokroep van de kikkers.

Een andere uitgezette populatie is gelegen rond Rheebruggen in Drenthe die al sinds 1970 bekend is. Sommige van deze kunstmatige populaties zijn van overheidswege ondersteund geweest, zoals de dieren die in Epen werden uitgezet in de jaren 50. Deze habitat bestond uit een enkele poel van enige vierkante meters.

Habitat thumb|De vroedmeesterpad leeft in vochtige omgevingen.

De pad leeft veelal op het land waarbij droge plekken worden vermeden. Kleine holletjes onder stenen, in rotsspleten en in omgevallen bomen dienen als schuilplaats. De pad kan ook zelf een hol graven en ook verlaten holen van zoogdieren worden wel gebruikt. Vrijwel alle zand- en steengroeven, open bosranden en stenige hellingen zijn in principe geschikt als leefgebied voor de vroedmeesterpad. Het stenige karakter en de verzonken ligging in het landschap zorgt voor een groot aanbod aan schuilplaatsen; zo is er sprake van een korte schrale begroeiing en heerst er een geschikt microklimaat. De weersomstandigheden kunnen zorgen voor flinke fluctuaties binnen de populaties. In een enkel seizoen met flinke zonperioden kunnen populaties groeien van tientallen tot vele honderden exemplaren. De groeves in het mergelland vormen in Nederland het belangrijkste leefgebied voor de vroedmeesterpad en de nog zeldzamere geelbuikvuurpad (Bombina variegata). Lokale natuurbeheerders dragen zorg voor het geschikt houden van de habitats door oeverbegroeiing en verbossing tegen te gaan. Dit beheer schept de voorwaarden voor de instandhouding van beide soorten.

De vroedmeesterpad leeft op kalkhoudende gronden of in de directe omgeving ervan. De kikker plant zich voort in kleine poeltjes, met name gegraven drinkplaatsen voor vee zijn geschikt. Aangezien deze vaak worden vervangen door betonnen bakken zijn veedrinkplaatsen steeds minder beschikbaar aangezien ze niet bereikbaar zijn voor de kikker. De nog bestaande poeltjes worden wel gebruikt om landbouwwerktuigen zoals sproeiinstallaties schoon te maken. Dit heeft een negatieve en soms fatale invloed op de dieren die erin leven.

Ook in door de mens aangepaste omgevingen komt de vroedmeesterpad voor, zelfs in de nabijheid van steden. Hier maakt de kikker gebruik van houtstapels en kelders als schuilplaats. Voorkeur bestaat voor ruderale terreinen zoals kerkhoven, groeven en verlaten fabriekscomplexen.

Uiterlijke kenmerken thumb|260px|Bovenzijde van een mannetje

De vroedmeesterpad is een vrij kleine, gedrongen pad met een opvallend forse kop. De buikzijde is wittig, crèmeachtig gekleurd. Gemarmerde exemplaren zijn zeldzamer en komen alleen in het zuidelijke deel van het verspreidingsgebied voor. Het geslachtsonderscheid is niet eenvoudig. Eierdragende exemplaren zijn altijd mannetjes, maar deze dragen slechts een deel van het jaar het legsel. Mannetjes hebben ook geen kwaakblaas die bij vele soorten kikkers en padden alleen bij de mannetjes aanwezig is. Deze blaas ontbreekt echter bij de vroedmeesterpad.

Het plomp aandoende lichaam wordt tot ongeveer 45 tot 55 millimeter lang. De vrouwtjes worden iets groter dan de mannetjes. De huid doet vrij glad aan, lichte kleine wratten zijn van heel dichtbij zichtbaar. De basiskleur is groenbruin tot groengrijs, de bovenzijde van het lichaam is voorzien van kleine puntjes. Deze zijn donkergroen, grijsgroen of rood van kleur. Exemplaren van populaties uit Nederland en Duitsland zijn over het algemeen vrij donkergroen, vaak olijfkleurig of grijsgroen met weinig opvallende tekening. De meer zuidelijk voorkomende populaties vertonen veel variatie in tekening met een lichtgroene of vaalwitte grondkleur.

De vroedmeesterpad is binnen België en Nederland niet te verwarren met andere kikkers en padden. De pupil is verticaal spleetvormig en dit is het enige kenmerk dat de kikker deelt met de knoflookpad. Deze laatste heeft echter een gladde huid en meer kikker-achtige bouw en is gemakkelijk te onderscheiden.

Kop thumb|260px|Kopprofiel met verticale spleetpupil en kleine parotoïden

De vroedmeesterpad heeft een relatief kleine en korte kop in vergelijking met andere kikkers, de snuit is puntig. De ogen zijn relatief groot, wat duidt op de nachtelijke activiteit. De ogen puilen daarnaast ook duidelijk uit, de pupil is verticaal spleetvormig tot ovaal van vorm. Het trommelvlies of tympanum is duidelijk zichtbaar. Kenmerkend zijn de vrij kleine gifklieren achter de ogen, deze worden wel de parotoïden of oorklieren genoemd. De parotoïden zijn echter goed zichtbaar doordat ze sterk gewelfd zijn; ze steken uit boven de huid. De parotoïden hebben bovendien vaak de oranjerode kleur die ook op veel huidverdikkingen zichtbaar zijn. De parotoïden worden nog eens extra geaccentueerd door een rij vergrote verdikkingen aan de achterzijde die naar de liezen van de achterpoten loopt. Met name bij de wijfjes hebben deze wratten aan de bovenzijde een oranjerode kleur.

Poten Onder de handpalmen bevinden zich drie duidelijke knobbeltjes. De mannetjes van de meeste kikkers en padden hebben karakteristieke knobbels aan de poten die de paarkussentjes worden genoemd en alleen voorkomen bij mannetjes en dienen om een vrouwtje beter vast te kunnen houden bij de paring. De vroedmeesterpad heeft dergelijke structuren echter niet. Hij paart op het land en daar zijn de paarkussentjes niet zo zinvol als in het water waar het nogal glibberig kan zijn tijdens de paring; in water voldoen deze kussentjes wel goed voor het vasthouden van het vrouwtje.

De vroedmeesterpad heeft kleine poten en beweegt zich kruipend voort. De achterpoten zijn niet geschikt om mee te springen, de kikker kan zelfs bij gevaar slechts onhandige sprongetjes maken.

Onderscheid met andere soorten De vroedmeesterpad kan door de verticale pupil en de gedrongen lichaamsbouw en gladde huid worden verward met de knoflookpad (Pelobates fuscus). Deze laatste soort heeft echter schoffelachtige structuren aan de achterpoten. De groengestipte kikker (Pelodytes punctatus) heeft een gelijkend voorkomen en komt in hetzelfde gebied voor. Deze soort heeft echter langere en dunnere poten. De verwante Iberische vroedmeesterpad (Alytes cisternasii) heeft twee knobbels onder iedere hand en niet drie zoals de 'gewone' vroedmeesterpad.

Voortplanting en ontwikkeling thumb|left|Roep van een mannetje

Het voortplantingsseizoen loopt tot in het najaar, en daarmee is de soort een grote uitzondering in vergelijking met andere West-Europese kikkers. De vroedmeesterpad plant zich in België en Nederland rond mei en juni voort en de kleine kikkertjes zijn te zien vanaf juli en augustus. De voortplantingstijd is echter afhankelijk van de geografische locatie en met name de daarbij behorende temperaturen. In warmere streken, zoals het Spaanse Malaga, worden de pas ontwikkelde kikkertjes van april tot september waargenomen.

Roep thumb|Oscillogram mannetje bij 10 °C

De aanwezigheid van vroedmeesterpadden is vooral vast te stellen door het merkwaardige lokgeluid dat met name de mannetjes maken. Het bestaat uit een monotoon geluid dat doet denken aan een korte fluittoon, die om de paar seconden wordt herhaald en aan een generator doet denken. De kikkers maken alleen geluiden om het andere geslacht te lokken en deze geluiden zijn dus als lokroep aan te duiden. Het klinkt als drie korte verschillende fluittonen met hele en halve toonafstanden rond f eengestreept (f′, F4, 350 Hz) en fis eengestreept (fis′, Fis4, 370 Hz), en een duur van ongeveer een halve seconde.