Cicaden (Auchenorrhyncha) zijn een groep van insecten die vertegenwoordigd wordt door ongeveer 40.000 verschillende soorten. Cicaden vormen een onderorde die behoort tot de orde van de halfvleugeligen (Hemiptera).

Veel soorten blijven erg klein en de cicaden zijn niet zo bekend als andere halfvleugeligen, zoals de plantenluizen en de wantsen. Toch zijn de cicaden bij het grote publiek bekend door de op spuug gelijkende schuimnesten waarin het larvale stadium van een aantal soorten cicaden zich ontwikkelt. Dergelijke nesten worden wel koekoeksspuug genoemd en kunnen worden aangetroffen op verschillende wilde en gecultiveerde planten. Andere cicaden eten als larve van plantenwortels en leven ondergronds, ze zijn hierdoor moeilijk zichtbaar.

Cicaden leven allemaal van plantensappen, sommige soorten komen in grote aantallen voor op door de mens geteelde gewassen en worden beschouwd als plaaginsecten. Een bijzonderheid van cicaden is dat veel soorten een symbiotische relatie hebben met bepaalde bacteriën, deze helpen de cicade bij het verteren van het voedsel. Dit komt ook wel voor bij andere insecten maar een dergelijke samenwerking is bij de cicaden het hoogst ontwikkeld.

Cicaden komen over de gehele wereld voor en zijn een vrij uniforme groep; de meeste soorten zien er ongeveer hetzelfde uit maar er zijn enkele uitzonderingen. De bochelcicaden bijvoorbeeld hebben enkele zeer bijzondere kenmerken en staan bekend als een van de vreemdst gevormde insecten. Ook in België en Nederland komen verschillende cicaden voor, zoals de rododendroncicade (Graphocephala fennahi), de groene cicade (Cicadella viridis) en de zwarte, roodgevlekte bloedcicade (Cercopis vulnerata).

Cicaden worden verdeeld in twee groepen, de lantaarndragerachtigen (Fulgoromorpha) en de zingcicadeachtigen (Cicadomorpha). Deze laatste groep is het bekendst vanwege de harde geluiden die de mannetjes maken.

Verspreiding en habitat miniatuur|Phromnia rosea uit Madagaskar. Cicaden komen wereldwijd voor en zijn te vinden in uiteenlopende biotopen. Het enige continent waar geen cicaden leven is Antarctica. Veel soorten leven in uitgesproken graslanden waar ze grassen uitzuigen maar ook zijn er soorten die specifiek van kruidachtige planten leven en andere soorten leven op houtige planten als bomen. Sommige soorten hebben zich aangepast op het leven in droge en schrale gebieden, zoals bergstreken.

De verspreiding van de cicaden hangt af van de familie en geslacht, de bekende periodieke cicaden bijvoorbeeld komen alleen voor in Noord-Amerika, terwijl de helmcicaden met hun soms bizarre uitsteeksels vooral in Azië te vinden zijn. Andere families, zoals de dwergcicaden, zijn wereldwijd verspreid geraakt door de handel in planten.

België en Nederland miniatuur|Cicadetta montana In België en Nederland komen ook cicades voor maar veel soorten blijven kleiner dan één centimeter. Een wat bekendere soort is het algemeen voorkomende schuimbeestje (Philaenus spumarius). Sommige soorten worden wat groter zoals de bloedcicade (Cercopis vulnerata), die ook gemakkelijk te herkennen is aan de zwarte kleur met bloedrode vlekken. In zuidelijk België komt de soort Cicadetta montana voor die wat groter wordt tot 28 millimeter.H. Bellmann & W.R.B. Heitmans - Insecten van Europa - Cicadetta montana - Website De mannacicade (Cicada orni) is pas in 2010 ontdekt in Nederland en is hier vermoedelijk geïntroduceerd. Andere wat bekendere soorten in de Benelux zijn de doorncicade, Graphocephala coccinea, de groene cicade, Ribautiana tenerrima en de rododendroncicade, die is meegelift met tuinplanten.

Kenmerken miniatuur|links|Algemene kenmerken van een cicade. De meeste cicades blijven klein, veel soorten worden nog geen centimeter lang. Grotere soorten kunnen een lichaamslengte van meer dan vijf centimeter bereiken en hebben een spanwijdte van bijna 20 cm. Dergelijke maten komen voor bij soorten uit de geslachten Pomponia en Tacua, een voorbeeld is Pomponia imperatoria uit Maleisië.Steve Frankham - Malaysia and Singapore - Website

Cicaden hebben net als alle insecten een in drieën verdeeld lichaam, bestaande uit een kop (A), een borststuk of thorax (B) en een achterlijf of abdomen (C). Het borststuk draagt drie paar poten aan de onderzijde en twee paar vleugels aan de bovenzijde, net als alle gevleugelde insecten. De vleugels bestaan uit twee verharde dekvleugels, die aan de bovenzijde zijn gelegen en de voorvleugels (I) worden genoemd. Hieronder zijn de achtervleugels aanwezig (II), die vaak doorzichtig en vliezig zijn en bij de meeste soorten kunnen worden gebruikt om mee te vliegen.

De kop van de cicade draagt verschillende zintuiglijke organen, waarvan de antennes (1) het duidelijkst zichtbaar zijn omdat ze sprieterig zijn en ontspruiten aan de voorzijde van de kop. In vergelijking met andere insecten zijn de antennes echter klein. De ogen (2) zijn bij veel soorten goed zichtbaar en zijn altijd aan de zijkanten van de kop gepositioneerd. Net als andere insecten bestaan de ogen uit vele kleinere suboogjes die de ommatidiën worden genoemd, het geheel heet een samengesteld oog. Alle cicaden hebben aan de bovenzijde van de kop, tussen de samengestelde ogen, drie zogenaamde enkelvoudige oogjes, die bestaan uit een enkele structuur met ieder een eigen lens. Deze zogenaamde ocelli hebben een ondergeschikte visuele functie en kunnen slechts grove lichtverschuivingen waarnemen. Ze hebben waarschijnlijk een functie in de regulatie van het dag- en nachtritme. miniatuur|Helmcicaden, hier uit het geslacht Sphongophorus hebben soms bizarre uitsteeksels. De kop van de cicade wordt goed beschermd door het vergrote kopschild of vertex (3), het borststuk wordt bedekt door het pronotum of halsschild (4). Het achterlijf van de cicade is gesegmenteerd en ieder segment wordt aan de bovenzijde beschermd door een tergiet (6) , de onderzijde door een sterniet. Het eerste achterlijfssegment draagt de tymbalen (5) die voor de geluidsproductie zorgen, zie onder communicatie.

De monddelen zijn gepaard maar zijn omgebouwd tot een enkele, buisvormige structuur die de zuigsnuit of (het) rostrum wordt genoemd. Het rostrum wordt in rust onderaan het lichaam geborgen en is aan de bovenzijde niet te zien. Het rostrum kan bij cicaden niet naar voren worden gestoken zoals bij wantsen. De vorm van het rostrum alsook de exacte positie ervan is bij een groot aantal soorten een belangrijk determinatiekenmerk. Bij de cicaden is de zuigsnuit veel verder naar achteren geplaatst dan bij wantsen en bladluizen en is soms tussen de voorste poten gelegen.

Het borststuk van de cicade draagt aan de onderzijde de drie paar poten, de voor- en achterpoten worden gebruikt om te lopen terwijl het achterste potenpaar sterk gespierd is en gebruikt wordt om te springen. Dit is een typisch kenmerk van alle soorten cicaden; alle soorten kunnen snel wegschieten door de goed ontwikkelde achterpoten. De poten bestaan net als andere insecten uit een heup of coxa die de poot met het lichaam verbindt en vervolgens een dij of femur en een scheen of tibia. Het uiteinde van de poot bestaat uit een gelede tarsus of voet en draagt kleine klauwtjes aan het einde waarmee de cicade zich aan de ondergrond hecht. De poten van cicaden zijn klein en worden bij de meeste soorten grotendeels onder het lichaam geborgen en bij andere cicaden zijn ze in het geheel bedekt door de grote vleugels. Het achterste potenpaar is bij de meeste soorten omgevormd tot sterke springpoten, de springspieren zijn bij de schuimcicaden gelegen in de metathorax en zijn verbonden met de trochanter of dijbeenring.Evolutionary Biomaterials Group, Max-Planck-Institute of Metals Research - The jumping mechanism of cicada Cercopis vulnerata (Auchenorrhyncha, Cercopidae) - Website Cicaden kunnen in relatie tot hun lichaamslengte een enorme afstand afleggen per sprong.

Aan de bovenzijde van het borststuk zijn de twee paar vleugels gehecht. Cicaden kunnen meestal vliegen, al hebben veel soorten een onregelmatige vlucht en zijn lang niet zo behendig als bijvoorbeeld tweevleugeligen zoals zweefvliegen. Tijdens de vlucht zijn de vleugels aan elkaar gehaakt met een koppelmechanisme. De meeste soorten kunnen ook springen, vaak worden de vleugels na een sprong uitgeklapt en wordt een stukje gevlogen. De vleugels zijn relatief groot en worden bij alle cicaden in rust als een dakje boven het lichaam gevouwen. Net als andere gevleugelde insecten heeft een cicade twee paar vleugels, de voorvleugels zijn aan de bovenzijde gelegen en zijn groter dan de achtervleugels. De vleugels van de cicade zijn altijd duidelijk geaderd. Sommige soorten dragen oogvlekken op de vleugels, die tevoorschijn komen als de cicade wegvliegt.

Cicades zijn een van de weinige niet-zoogdieren die het lichaam kunnen afkoelen door te zweten. Ze hebben zweetklieren die water over het lichaamsoppervlak brengen waarna het verdampt en de cicade snel afkoelt. De zweetklieren zijn gelegen aan de bovenzijde van het lichaam, mogelijk zijn eicosanoïden betrokken bij het zweten. Het water wordt verkregen uit de opgezogen plantensappen en kan hiermee worden aangevuld.

Voortplanting miniatuur|Paring van de rododendroncicade (Graphocephala fennahi) In de voortplantingstijd worden de vrouwtjes gelokt door de mannetjes die zoemende geluiden maken. Als een koppeltje elkaar gevonden heeft vindt de paring plaats. Bij de paring kruipt het mannetje niet op het vrouwtje zoals bij veel andere insecten, maar zijn de dieren met de achterlijven aan elkaar gehecht terwijl de voorzijden uit elkaar staan.

Cicaden zijn altijd eierleggend en nooit levendbarend zoals sommige verwante insecten als bladluizen. Het aantal eitjes verschilt per soort, de meeste cicaden zetten enige tientallen tot honderden eitjes af. De eitjes worden vaak in plantendelen als stengels en bladeren afgezet met de ovipositor, de legbuis van een vrouwtje. Een aantal cicaden deponeert de eieren in de epidermis van een blad, hierdoor zijn ze niet direct blootgesteld aan mogelijke vijanden. Veel cicaden zetten de eieren af in spleten in houtachtige planten, vaak worden dergelijke openingen in het hout door de vrouwtjes zelf gemaakt. Na enkele weken komen de eieren uit en komen de nimfen tevoorschijn.

Nimf miniatuur|Een opvallend gekleurde nimf van de soort Epiptera europea. miniatuur|De nimf van de soort Eurymela fenestrata wordt beschermd door mieren. Cicaden behoren tot de groep van insecten die een onvolledige gedaanteverwisseling kennen en een nimfstadium hebben. Dat wil zeggen dat ze geen wormachtige larve hebben zoals bij onder andere de kevers en de vlinders het geval is. Als een jonge cicade het ei verlaat heeft deze al direct de lichaamsvorm van de ouderdieren met een duidelijk gesegmenteerd lichaam, drie gelede poten en ontwikkelde ogen.

De nimf is slechts enkele millimeters lang als het ei wordt verlaten en groeit in stapjes. De verschillende stadia worden steeds opgevolgd door een vervelling of ecdysis. Iedere keer als de nimf vervelt is het lichaam groter en vertoont steeds meer van de volwassen kenmerken. De jonge cicaden hebben wel een kleiner lichaam en vaak een andere kleur dan de volwassen exemplaren, deze worden de imagines genoemd. Een belangrijk verschil tussen de nimf en de imago is het ontbreken van de vleugels van de jonge dieren, die alleen bij de volwassen insecten zijn ontwikkeld. Bij de nimfen zijn de vleugels al wel in aanleg zichtbaar als kleine stompjes maar zijn nog niet functioneel. De nimfen van cicaden zijn meestal niet mobiel; ze zijn niet in staat om zich van plant tot plant te begeven zoals de nimfen van andere plantenetende insecten zoals rechtvleugeligen en wantsen.

De nimfen van veel grotere cicades graven zich in in de bodem en zuigen aan plantenwortels, ze bevinden zich vaak op een diepte van enkele decimeters. Ze kunnen zich soms jarenlang ondergronds ophouden voordat ze ontwikkeld zijn.