De Russische Burgeroorlog (Russisch: Гражданская война в России; Grazjdanskaja vojna v Rossii) (7 november (25 oktober o.s.) 1917 – 25 oktober 1922) was een oorlog in het voormalige keizerrijk Rusland tussen het bolsjewistische Rode Leger en het Witte Leger, de losjes geallieerde anti-bolsjewistische troepen. Buitenlandse geallieerden en de pro-Duitse legers vochten tegen het Rode Leger. De oorlog verliep aanvankelijk slecht voor de Roden. De Witten namen heel Siberië, Oekraïne, het zuidoosten en het westen en noordwesten in bezit. In een aantal landen die zich onafhankelijk verklaarden, zoals Finland, vonden kleine burgeroorlogen plaats tussen Roden en Witten. Petrograd (Sint-Petersburg) werd vanuit het noorden en westen in de tang genomen, terwijl Denikin en Koltsjak Moskou en Tsaritsyn) bedreigden. De Polen namen Kiev in. In 1919 versloeg het Rode Leger de Witte Strijdkrachten van Zuid-Rusland in Oekraïne en het leger onder leiding van Aleksandr Koltsjak in Siberië. De overblijfselen van de Witte troepen onder leiding van Pjotr Wrangel werden in de herfst van 1920 verslagen op de Krim en geëvacueerd. Een aantal onafhankelijke landen - Finland, Estland, Letland, Litouwen en Polen - kwam voort uit de oorlog.
Inleiding De Oktoberrevolutie had in 1917 de bolsjewieken onder leiding van Lenin aan de macht gebracht. Zij genoten slechts steun van ca. 25% van de bevolking, maar grepen door krachtig optreden toch de macht. Uit voormalig tsaristische legers begonnen zich nu echter de Witte legers te vormen: anticommunistische troepen, geleid door tsaristische generaals, waarin monarchisten, liberalen, mensjewieken, sociaal-revolutionairen, Kozakken en de adel meevochten. Het Witte Leger vocht voornamelijk tegen het Rode Leger van de bolsjewistische revolutionairen. Naast deze twee grote legers bestonden verschillende onafhankelijke legers van anarchisten en etnische minderheden. De Witten werden bijgestaan door geallieerde troepen.
Verloop van de oorlog Eind 1918 moesten de Roden, die geconcentreerd waren in een relatief klein gebied rond Moskou en Petrograd, de volgende tegenstanders het hoofd bieden: Witten onder leiding van generaal Jevgeni Miller bij Archangelsk, bijgestaan door de Amerikanen en later de Britten; Witten onder leiding van admiraal Aleksandr Koltsjak in Siberië, bijgestaan door de Amerikanen; Het Tsjecho-Slowaaks Legioen dat vooral terug naar huis wilde; Een Japans leger, dat een deel van Oost-Siberië bezette waar Tokio een oogje op had; Witte Kozakken uit het zuidoosten; Witten onder leiding van generaal Pjotr Krasnov en Anton Denikin (later generaal Pjotr Wrangel) in het zuiden en Oekraïne, bijgestaan door de Fransen; Witten onder leiding van generaal Nikolaj Joedenitsj, bijgestaan door de Britse vloot; Finnen, Polen, Esten, Letten, Litouwers, Oekraïners, Armenen, Azerbeidzjanen, Georgiërs, Turken en Turkestanen die hun onafhankelijkheid al dan niet gewapenderhand trachtten te bereiken. Anarchistische groeperingen, die vonden dat de revolutie niet ver genoeg ging en vooral niet van bovenaf moest worden gestuurd maar van onderaf door de bevolking zelf. Zij wezen het autoritaire karakter van de bolsjewieken af.
Begin van de burgeroorlog Op 20 november 1917 (o.s.) verklaarden de Donkozakken onder leiding van Aleksej Kaledin zich onafhankelijk. Wegens de opmars van de bolsjewistische troepen richting de hoofdstad van de Don-kozakken sloot Kaledin een bondgenootschap met het Vrijwilligersleger van Kornilov, Alexandre Alexeïeffv en Denikin om te strijden tegen de bolsjewieken. Na een zesdaagse slag wisten de Don-Kozakken en het Witte Leger Rostov aan de Don in te nemen. Het Don-gebied werd overspoeld met vluchtelingen uit het bolsjewistische noorden. Onder de eerste 3.000 leden van het Vrijwilligersleger waren slechts enkele tientallen soldaten. De rest waren allemaal officieren of onderofficieren in het tsaristische leger geweest.Figes, blz. 683 - 690. Kornilov en de andere leiders van het Witte Leger wilden officieel niet de monarchie herstellen, maar eisten de bijeenroeping van de Grondwetgevende vergadering. Kornilov had een afkeer van de liberale kadetten, terwijl Alexeïeff juist met de liberalen wilde samenwerken. De Kozakkentroepen van Kaledin vielen uit elkaar. Op 8 februari veroverden de bolsjewieken de stad Taganrog en Kaledin schoot zichzelf dood. Op 23 februari hadden de bolsjewieken de hoofdstad van de Don-Kozakken veroverd.
Nadat de bolsjewieken Rostov aan de Don hadden veroverd trokken de 4.000 manschappen van het Witte Leger onder leiding van Kornilov naar de Koeban over de bevroren steppen. Achter het leger kwam een lange stoet van burgers. Deze tocht kwam bekend te staan als de IJsmars. Mensen die ziek, zwak of gewond waren bleven achter. De meeste gewonde burgers schoten zichzelf dood om niet gevangen genomen te worden door de bolsjewieken. Om aan voedsel te komen plunderden de Witten dorpen. De grootste terreuractie tijdens de IJsmars was in het dorp Lezjanka, waar zestig boeren werden vermoord. Op 23 maart 1918 kregen de troepen van Kornilov steun van 3000 Koebankozakken. Samen vielen zij op 10 april Jekaterinodar aan met hun gezamenlijke troepenmacht van 7000 man. Bij de slag kwam Kornilov om het leven toen een granaat op zijn hoofdkwartier insloeg. Denikin nam het commando over en beval een terugtocht naar de Don. Met vierduizend man kwam het Witte Leger onder commando van Denikin terug in het Dongebied, waar ze tien weken eerder waren vertrokken.Figes, blz. 690 - 705.
In die tussentijd waren de dorpen in het Dongebied het slachtoffer geworden van voedselvorderingen en hadden bolsjewieken honderden gijzelaars vermoord. Voor het verzet tegen de bolsjewieken werden milities opgezet door verschillende dorpen. Eind april 1918 verenigden de milities zich tot een leger met 10.000 ruiters onder leiding van generaal Pjotr Krasnov. Half juni had het leger van Krasnov ongeveer 40.000 manschappen. Krasnov werd een bondgenoot van het Vrijwilligersleger. Het Witte Leger was langs politieke lijnen verdeeld met in hun rangen monarchisten, liberalen, mensjewieken en sociaal-revolutionairen. Ook bestond er een groot meningsverschil tussen enerzijds de Russische centralisten tegenover Kozakken die streefden naar onafhankelijkheid. De generaals van het Witte Leger wilde de onteigeningen van de grootgrondbezitters door de boeren terugdraaien, wat zorgde dat de boeren nauwelijks steun verleenden aan de Witten.
Eind mei 1918 kwamen de bolsjewieken in conflict met het Tsjecho-Slowaaks Legioen. Dat legioen was opgericht door Tsjechische nationalisten die in Rusland zaten om in de Eerste Wereldoorlog aan de kant van Rusland tegen Oostenrijk-Hongarije te vechten voor een onafhankelijk Tsjechië. In 1917 telde het ongeveer 35.000 manschappen. Nadat de bolsjewieken de Vrede van Brest-Litovsk hadden ondertekend, besloot het Tsjecho-Slowaaks Legioen om de oorlog voort te zetten. Zij wilden naar Frankrijk gaan via Vladivostok en de Verenigde Staten. Zij gebruikten hiervoor de Trans-Siberische spoorlijn met toestemming van de bolsjewieken. Op 14 maart werden enkele Tsjechen in de Oeral gearresteerd nadat zij hadden gevochten met Hongaarse krijgsgevangenen. Lev Trotski beval om iedere gewapende Tsjech op het spoor dood te schieten. Dit leidde tot gevechten tussen Tsjechen en de bolsjewieken. Het Tsjecho-Slowaaks Legioen veroverde op 26 mei Novonikolajevsk, op 28 mei Penza, op 31 mei Tomsk, op 6 juni Omsk op 29 juni Vladivostok.Figes, blz. 707 - 717.
De sociaal-revolutionairen in de oblast Samara sloten een verbond met de Tsjechen. De sociaal-revolutionairen veroverden de hoofdstad van Samara en richtten met Tsjechische hulp een eigen regering op, genaamd Komoetsj. De Komoetsj wilde de Grondwetgevende vergadering herstellen. De Komoetsj kreeg steun van de Wolga-Tataren, Basjkieren, mensjewieken en kadetten. De Komoetsj-troepen en het Tsjecho-Slowaaks Legioen wisten Oefa op 6 juli, Simbirsk op 22 juli en Kazan op 6 augustus te veroveren. In Izjevsk kwamen op 8 augustus de arbeiders in opstand tegen de communisten en gaven hun steun aan de Koemoetsj. Begin september 1918 hadden de bolsjewieken ongeveer 700.000 manschappen samengebracht bij het front tegen Komoetsj, tweemaal zoveel als de Komoetsj. De communisten verjoegen de Komoetsj uit hun machtsbasis Samara. De Komoetsj vluchtte in oktober 1918 naar Oefa en sloot zich aan bij de regering van Omsk die werd gedomineerd door monarchisten en mensen die streden voor een onafhankelijk Siberië. De Komoetsj en de Omsk-regering vormden samen een regering met de naam Directoire. Op 17 november 1918 organiseerde de rechtervleugel een staatsgreep en nam de macht over. Aleksandr Koltsjak werd benoemd tot leider. In Siberië waren er ook Witte bendes actief, geleid door Grigori Semjonov en de “dolle baron” Roman von Ungern-Sternberg.
Na de Duitse capitulatie op 11 november 1918 verklaarden de bolsjewieken dat het vredesverdrag van Brest-Litovsk was geannuleerd. Zij vielen de Baltische landen en Oekraïne binnen. De geallieerden zegden hulp aan het Witte Leger toe. Daarnaast probeerden Groot-Brittannië en Frankrijk om gesprekken te beginnen met de bolsjewieken voor het vaststellen van de landsgrenzen. De geallieerden steunden de Witten, maar probeerden tegelijkertijd tot een vergelijk te komen met de bolsjewieken. Op 8 januari 1919 verenigden het Vrijwilligersleger en het Donleger van Krasnov zich tot de Geallieerde Strijdkrachten van Zuid-Rusland.
In de provincies Tambov, Rjazan, Toela, Kaloega, Smolensk, Vitebsk, Pskov, Novgorod en Mogiljov braken boerenopstanden uit tegen de communisten. Deze opstanden ontstonden door het geweld van de communisten tegen boeren voor dienstplicht, onteigening van paarden en inbeslagnames van voedsel.Figes, blz. 731 - 737. De communisten stuurden strafexpedities tegen dorpen uit wraak wegens desertie of verzet tegen voedselinbeslagname. Er werden gijzelaars genomen en doodgeschoten en soms werden hele dorpen door de communisten in brand gestoken. De bolsjewistische commissaris van Toela liet honderden boeren zonder proces doodschieten. Meer soldaten stierven aan ziektes door onhygiënische omstandigheden en vervuild drinkwater dan aan gevechten. In 1918 deserteerden meer dan 1 miljoen soldaten uit het Rode Leger. In 1919 waren er officieel 2 miljoen Rode soldaten gedeserteerd en in 1921 waren er 4 miljoen deserteurs uit het Rode Leger.
De Rode en Witte Terreur leidden tot het ontstaan van het Groene Leger. Dat is een verzamelnaam voor verschillende onafhankelijke groeperingen van boeren en arbeiders die zowel vochten tegen de communisten als tegen de Witten. Sommige legers noemden zichzelf het Groene Leger. Ook worden het Zwarte Leger en het Blauwe Leger (opstandelingen van de Tambov-opstand) onder de verzamelnaam “Groene Leger” gebracht. Sommige legers die onder het Groene Leger worden gerangschikt, vochten ook tegen elkaar.
Offensieven van het Witte Leger thumb|Gepantserde treinen werden door zowel de communisten als de Witten gebruikt.