Adolf I van Nassau-Wiesbaden-Idstein (1307Cawley.Huberty, et al. (1981).Dek (1970).Van de Venne & Stols (1937).Vorsterman van Oyen (1882). – Idstein, 17 januari 1370), Duits: Adolf I. Graf von Nassau-Wiesbaden-Idstein, was graaf van Nassau-Wiesbaden-Idstein, een deel van het graafschap Nassau. Hij stamt uit de Walramse Linie van het Huis Nassau en was de stamvader van het Huis Nassau-Wiesbaden-Idstein.

Biografie Adolf was de oudste zoon van graaf Gerlach I van Nassau en Agnes van Hessen, dochter van landgraaf Hendrik ‘de Jongere’ van Hessen en Agnes van Beieren.

Zijn vader liet hem sinds ongeveer 1338 deelnemen aan de regering.Vogel (1843), p. 328. In 1344 deed zijn vader afstand ten gunste van Adolf en zijn broer Johan. De graven van Katzenelnbogen losten in 1350 de verpanding van stad en burcht Katzenelnbogen in, zodat deze voor Adolf verloren gingen.

In een op 25 november 1355 te Eltville gesloten verdrag gingen Adolf en Johan over tot een verdeling van hun bezittingen, Adolf verkreeg bij die verdeling de heerlijkheden Wiesbaden en Idstein. Gezamenlijk bezit van beide broers bleven de tol bij Wiesbaden, Klooster Schönau, Miehlen, de Burcht Laurenburg, de Esterau, het Vierherrengericht en het deel van de Burcht Nassau dat bezit was van de Walramse Linie. Deze gebieden konden niet verdeeld worden, omdat ze in 1255 bij de verdeling van het graafschap Nassau (de Prima divisio) gezamenlijk bezit van de Walramse en de Ottoonse Linie gebleven waren. De halfbroers van Adolf en Johan, Kraft en Rupert, verkregen bij de verdeling van 1355 de Burcht Sonnenberg en regeerden sindsdien samen als graven van Nassau-Sonnenberg.

Adolf resideerde overwegend in Idstein. Daar liet hij de kapittelkerk (sinds 1817: Uniekerk) uitbreiden, en bouwde de Hexenturm. In Wiesbaden bevorderde hij de weverij. Adolf bouwde de Burcht Adolfseck aan de Aar, dat hij in 1356 in leen opdroeg aan het aartsbisdom Mainz. Op dat moment was Adolfs broer Gerlach de aartsbisschop en keurvorst van Mainz.

Adolf deed in 1358 afstand van de jurisdictie over Wellmich aan het aartsbisdom Trier en verpandde zijn deel van de Burcht Laurenburg. Hij kocht in 1369 Rambach van de heren van Eppstein.

In de rijkspolitiek stond Adolf aan de zijde van keizer Karel IV.

In hun gezamenlijk testament van 31 maart 1360, waarin ze hun begrafeniswens formuleerden, schonk het echtpaar waardevolle bezittingen aan Klooster Klarenthal bij Wiesbaden: Adolf schonk zijn strijdros en zijn beste paard, twee van zijn beste harnassen en de beste wapenrok, zijn vrouw gaf een jurk, een bovenkledingstuk, mantel en een gevoerde rok. Bovendien werden 100 pond Heller om het paar te herdenken geschonken. In de necrologie van Klarenthal is achter alleen de graaf voor 17 januari opgenomen, niet zijn vrouw.Adolf I. Graf von Nassau und Frau Margarethe Burggräfin von Nürnberg 1370, Wiesbaden-Klarenthal in: Landesgeschichtliches Informationssystem Hessen (LAGIS). Gearchiveerd op 24 november 2021.

Adolf overleed te Idstein op 17 januari 1370 en werd begraven in Klooster Klarenthal. Hij werd opgevolgd door zijn zoons Gerlach II en Walram IV.

Grafmonument en muurschildering miniatuur|links|Het grafmonument voor Adolf I van Nassau-Wiesbaden-Idstein en Margaretha van Neurenberg met de muurschildering in Klooster Klarenthal Het grafmonument voor Adolf en zijn echtgenote stond in een nis in het koor aan de linkerkant van het altaar onder een boog, d.w.z. aan de zuidkant van de kerk. De tombe bestond blijkbaar uit een tegen de wand geplaatste sokkel, waarvan de drie vrije zijden mogelijk arcades droegen. De op deze sokkel rustende in reliëf gemaakte grafplaat toonde het echtpaar onder een dubbele kielboog: rechts de graaf in harnas met langzwaard en helm, links zijn vrouw in lang gewaad met kruis, beide in gebedsgebaar. Aan elk van hun voeten zat een hurkende leeuw. Boven de dubbele bogen zaten de wapenschilden van het echtpaar elk twee keer links en rechts. Adolf lag aan de kant tegenover het interieur van de kerk, Margaretha tegen de wand, dus in een andere positie dan het grafmonument voor zijn ouders en de meeste andere monumenten voor echtparen. De inscriptie voor de graaf liep aan twee kanten rond en begon op de richel aan de voet van de figuur van de graaf. Een inscriptie voor de gravin is niet overgeleverd. De inscriptie luidde: “an(n)o · d(omi)ni · mo ccco lxxo · i(n) · die · s(ancti) · a(n)to(n)ii · abb(at)is · o(biit) · illustris · d(omi)nus · adolfus · comes de nassa · fili(us) d(omi)ni gerlaci · comitis · qui fuit / fili(us) · d(omi)ni · adolfi · regis · roma(n)(orum)”.

Het uitvoerig versierde grafmonument werd lang na de opheffing van Klarenthal, niet voor 1632, naar de Mauritiuskerk in Wiesbaden verplaatst, waar het op een steunpilaar van het koor werd geplaatst, maar al in 1818 verbrijzeld werd. Enkele bewaarde fragmenten worden aan dit grafmonument toegeschreven. In het museum te Wiesbaden bevond zich een inmiddels verloren gegaan stuk van het rechter benedendeel van de grafplaat met de voeten van de ridder en de hurkende leeuw. Van het grafmonument en de muurschildering resteren nog slechts tekeningen van Heinrich Dors uit zijn in 1632 gepubliceerde Epitaphienbuch.

In de nis boven de graftombe bevond zich een muurschildering met naamopschriften en kruistitel, in 1632 in illustraties overgeleverd. De door Heinrich Dors overgeleverde muurschildering toonde de kruisigingsscène met Christus en de bijfiguren Maria en Johannes in het midden op een heuvel voor een met sterren bezaaide achtergrond, met aan het hoofd van de gekruisigde INRI op een rol. Aan de voet van het kruis is het gezin van de graaf afgebeeld: links de graaf zelf in ridderharnas met negen knielende zonen achter hem; rechts tegenover zijn vrouw met zeven dochters, eveneens knielend. Boven de rij kinderen waren de respectievelijke volledige wapenschilden van Nassau aan de linkerkant en Neurenberg aan de rechterkant. Met uitzondering van twee van de kinderen zijn alle familieleden met naam boven hun hoofd gegraveerd: links de naaminscripties van de vader en zijn zonen, rechts de naaminscripties van de moeder en haar dochters. In de nis van het gewelf bevonden zich links het wapenschild en rechts het wapen van Nassau, boven de nis nog vier andere wapenschilden. De muurschildering is tweemaal door Dors overgeleverd: eenmaal in een pentekening, de andere keer in een in dekkende kleuren op perkament geschilderde versie, die opgenomen is in het genealogieboek van Johann Andreae.Bedoeld is de alleen nog in handschift in het Staatsarchiv te Wiesbaden overgeleverde publicatie Johann Andreae, Handschrift des Genealogienbuches über die Nassau-Weilburgische Linie. In deze gekleurde versie is het geheel van de graftombe van het echtpaar afgebeeld, namelijk de graftombe samen met de muurschildering in perspectief. De opschriften zijn in het wit geschilderd op een blauwe achtergrond.DI 51, Wiesbaden, Nr. 25† (Yvonne Monsees) in: Deutsche Inschriften Online. Gearchiveerd op 22 november 2021.

De chronologische datering van de muurschildering is gebaseerd op verschillende overwegingen. De belangrijkste aanwijzing is te vinden in de vorm van de afbeelding van de aartsbisschoppen van Mainz, Adolf I en Johan II. Beiden zijn afgebeeld in aartsbisschoppelijke kledij, het witte onderkleed en de rode mantel, met de mijter op het hoofd en de kromstaf in de hand. Aangezien de oudste van de twee, Adolf I, in 1390 overleed, maar zijn jongere broer Johan II pas op 7 juli 1397 tot aartsbisschop werd verheven, kan de muurschildering op zijn vroegst kort na deze verheffing worden gedateerd. Het doet ook denken aan de muurschildering van het Laatste Oordeel in de torenzaal van de parochiekerk van Sint-Petrus en Paulus in Eltville, die gedateerd wordt op het einde van de 14e en het begin van de 15e eeuw. Er is ook een nauwer verband met de wapenschilderingen op de triomfboog in de parochiekerk in Eltville, die waarschijnlijk tussen 1397 en rond 1400 (?) werden gemaakt. Met het aanbrengen van de wapenschilden van het Huis Nassau en zijn verwanten documenteerde men in Eltville hun steun aan Johan II in zijn strijd met zijn tegenkandidaat Godfried van Leiningen en de triomf van het Huis Nassau. De onbekende ‘Meester van het Laatste Oordeel van Eltville’ wordt beschouwd als de uitvoerende meester, aan wie of wiens werkplaats naast Eltville en Klarenthal ook andere schilderingen in Lorsch en Heppenheim kunnen worden toegeschreven.

Huwelijk en kinderen Paus Johannes XXII verleende op 13 september 1327 dispensatie voor het huwelijk tussen ‘nobili viro Adolpho nato nobilis viri Gerlaci comitis de Nassawe Trevirensis diocesis’ en ‘una ex filiabus … nobilis viri burgravii de Nurenberg Bambergensis diocesis’ ondanks hun vierdegraads verwantschap. Het huwelijkscontract tussen ‘Friderich … Purgrave ze Nurnberch … Margretin unser Tochter’ en ‘Gerlachin grauin von Nassowe … Adolfin … sun’ is gedateerd 23 februari 1330 en bevat het advies van ‘Emchen Grauen von Nassowe unsers … Swagers und Ulrichs von Hanawe und Johansen dez vorgenanten greuen Emchin sun’.

Adolf huwde in 1332 met Margaretha van Neurenberg († na 13 november 1382), dochter van burggraaf Frederik IV van Neurenberg en Margaretha van Görz en Tirol. Margaretha werd begraven in Klooster Klarenthal. Uit het huwelijk werden de volgende kinderen geboren:De kinderen worden door de verschillende genealogieën (Cawley, Huberty, et al. (1981), Schwennicke (1978), Dek (1970), Van de Venne & Stols (1937) en Vorsterman van Oyen (1882)) in afwijkende volgordes vermeld, deels gebaseerd op verschillende geboortedata. Daarnaast noemen deze genealogieën niet allemaal dezelfde kinderen. Op de muurschildering bij het grafmonument voor de ouders in Klooster Klarenthal stonden in totaal negen zoons en zeven dochters afgebeeld. Omdat twee dochters uit dit huwelijk abdis van dat klooster waren, is de volgorde op deze muurschildering waardevol. De volgorde hier genoemd is gebaseerd op waar de genealogieën het met elkaar eens zijn, en is voor wat betreft de eerste zestien kinderen de meest waarschijnlijke. De overige twee kinderen zijn met een vraagteken daaronder geplaatst. Gerlach II (1333 – na 1386), volgde zijn vader op samen met zijn broer Walram IV. Frederik († 1371), was domheer te Mainz. Agnes († 1376), huwde eerst met graaf Werner IV van Wittgenstein († vóór 1359) en daarna vóór 1361 met heer Everhard I van Eppstein († tussen 28 mei en 16 oktober 1391). Johan († na 22 mei 1354). Margaretha († 8 juli 137.), was abdis van Klooster Klarenthal. Elisabeth († 1 februari 1389), huwde op 18 juni 1361 met graaf Diederik VIII van Katzenelnbogen († 17 februari 1402). Elisabeth en Diederik werden begraven in Klooster Eberbach. Anna († 28 mei ....), was abdis van Klooster Klarenthal.Volgens Dek (1970), Van de Venne & Stols (1937) en Vorsterman van Oyen (1882) zou Anna geboren zijn tussen Adolf en Walram hoewel zij tegelijkertijd stellen dat Walram één jaar na Adolf geboren zou zijn. Dat lijkt onwaarschijnlijk. Volgens Schwennicke (1978) zou Anna geboren zijn tussen Catherina en Johan II. Volgens de muurschildering bij het grafmonument voor haar ouders was Anna de vierde dochter. Adelheid, was in 1370 non in Essen.Volgens de muurschildering bij het grafmonument voor haar ouders was Adelheid de vijfde dochter. Adelheid wordt niet vermeld door Cawley, Dek (1970) en Van de Venne & Stols (1937). Adolf (1345/46 of 1353Cawley: geboren 1345/46. Schwennicke (1978): geboren 1346. Dek (1970), Van de Venne & Stols (1937) en Vorsterman van Oyen (1882): geboren 1353. Volgens de muurschildering bij het grafmonument voor zijn ouders was Adolf de vierde zoon. – Heiligenstadt, 6 februari 1390), was sinds 1381 aartsbisschop en keurvorst van Mainz.