De bijtschildpad, ook wel gewone bijtschildpad of bijtchelydra (Chelydra serpentina) is een schildpad uit de familie van de bijtschildpadden (Chelydridae).
Het is met een schildlengte tot vijftig centimeter en een totale lengte van ongeveer een meter een van de grootste zoetwaterschildpadden. De bijtschildpad heeft een enorme kop die ver kan worden uitgestoken door de lange nek. Met name bij jongere dieren zijn rijen bulten aanwezig op het rugschild die bij de volwassenen vervagen. De staart is voorzien van een dubbele rij opstaande schubben.
De bijtschildpad komt voor in delen van Noord- en Midden-Amerika en leeft in gematigde tot subtropische streken. De habitat bestaat uit permanente wateren zoals moerassen en grotere rivieren. Het is een sterk aan water gebonden soort die bijna onafgebroken in het water leeft. Alleen om de eieren af te zetten, te migreren naar andere wateren en soms om te paren wordt het land betreden.
De bijtschildpad is een omnivoor die leeft van kleine waterdieren, planten en aas maar kan ook wel grotere dieren buitmaken als de kans zich voordoet. De schildpad laat zich niet benaderen en gedraagt zich met name op het land agressief en is dan erg bijterig. De bijtschildpad is wat betreft de gevolgen van een beet bij de mens een erg beruchte soort die vingers en tenen kan amputeren.
Naam en indeling De bijtschildpad dankt zijn Nederlandstalige naam aan het agressieve gedrag waarbij de schildpad fel van zich af bijt. Ook in andere talen wordt de soort hiernaar vernoemd, zoals het Spaans (tortuga mordedora), het Duits (schnappschildkröte), het Frans (tortue serpentine) en het Engels (snapping turtle).
Wetenschappelijke naam De wetenschappelijke naam van de soort werd voor het eerst voorgesteld door Carl Linnaeus in 1758, in de tiende editie van Systema naturae. Oorspronkelijk werd de wetenschappelijke naam Testudo serpentina gebruikt. De soort werd eerder aan niet langer erkende geslachten toegekend, zoals Chelonura en Emysaura. De soort is daarnaast onder verschillende verouderde namen beschreven, zoals Testudo longicauda (Shaw, 1831), Chelydra lacertina (Schweigger, 1812), Chelydra emarginata (Agassiz, 1857) en Devisia mythodes (Ogilby, 1905). De voormalige ondersoort Chelydra serpentina osceola wordt tegenwoordig niet meer erkend.
De wetenschappelijke naam verwijst naar de slang-achtige nek van de schildpad, al is deze in rust ingetrokken en niet te zien. De geslachtsnaam Chelydra is gebaseerd op het Grieks (kheludros) en is een samentrekking van de Oudgriekse woorden χέλυς, chelus en ὕδρος, hudros, wat 'schildpad-slang' betekent. De soortnaam serpentina is het Latijnse woord voor 'slangachtig'. Twee voormalige ondersoorten worden sinds recentelijk (2007) als volwaardige soort gezien: Chelydra acutirostris en Chelydra rossignonii.
Indeling thumb|Proganochelys is een uitgestorven verwant van de bijtschildpad. De bijtschildpad behoort tot de schildpaddenfamilie die bijtschildpadden of soms wel grootkopschildpadden worden genoemd, de wetenschappelijke naam van de groep is Chelydridae. Deze familie telt vele soorten, maar de meeste zijn alleen bekend als fossiel en zijn al lange tijd uitgestorven. Lange tijd waren de bijtschildpad en de alligatorschildpad (Macrochelys temminckii) de enige nog levende vertegenwoordigers, deze laatste soort leeft in een deel van het verspreidingsgebied van de bijtschildpad. Tegenwoordig zijn er in beide geslachten meerdere moderne soorten erkend, waardoor in veel literatuur de verouderde situatie wordt vermeld.
Evolutie De bijtschildpad is ontstaan in het Pleistoceen in Noord-Amerika, de verwante alligatorschildpad is ouder en is bekend vanaf het Mioceen. In vroeger tijden kwamen de bijtschildpadden in een veel groter gebied voor, fossiele resten van verwante soorten zijn gevonden tot in Europa. Een voorbeeld van een soort die vroeger in andere continenten voorkwam is Chelydropsis uit het Oligoceen, die leefde in Europa, Azië en mogelijk tot in Afrika.
Uiterlijke kenmerken thumb|Schildplaten van het rugschild miniatuur|Achterzijde met klauwendragende poten en van rijen schubben voorziene staart miniatuur|De alligatorschildpad heeft een grotere kop, een bulterig schild en een gladde staart.
De bijtschildpad is een grote, grof gebouwde schildpad, met stevige, korte poten en een lange, dikke staart. De kop is opvallend groot en grof gebouwd, en kan net als de poten niet in het schild worden geborgen. Het rugschild of carapax wordt maximaal 50 centimeter lang en het gewicht is dan bijna 30 kilo. Alleen mannetjes worden echter zo lang, de vrouwtjes blijven aanzienlijk kleiner. Het langst beschreven exemplaar had een carapaxlengte van 50,3 centimeter.
Kop De kop van de schildpad is groot en driehoekig van vorm, de bek kan ver worden opengesperd. De randen van de bek zijn verhoornd, de randen zijn lichter van kleur en hebben donkere strepen. De bek is erg scherp, in combinatie met de stevige kaakspieren kan de schildpad zeer krachtig bijten. De bijtkracht van een groter exemplaar kan 500 kilogram per cm² bedragen.Stichting Schildpad - Bijtschildpad (Chelydra serpentina) - Website Aan de voorzijde van de bovenkaak is een snavelachtige, omlaag gekromde punt aanwezig. Aan de bovenzijde van deze punt zijn de neusgaten gepositioneerd. De ogen zijn aan de bovenzijde van de kop geplaatst en zijn relatief klein, de pupil is zwart, de iris is gevlekt en heeft een stervormig patroon van donkere strepen. De kleur van de kop is donkerder dan de huid van de poten en staart, en vooral in de nek zijn bij oudere dieren vele kleine uitsteekseltjes zichtbaar.
Aan de onderzijde van de kop zijn twee kleine, langwerpige uitsteekseltjes zichtbaar, deze worden de baarddraden genoemd. Baarddraden komen ook voor bij andere dieren zoals vissen, de structuren hebben een tastzintuiglijke functie.
Schild Het rugschild wordt wel de carapax genoemd en is erg groot en stevig. Het schild verandert naarmate de schildpad ouder wordt; heel jonge exemplaren die net uit het ei kruipen hebben een stekelige bovenzijde van het schild. Het schild is voorzien van verharde bultjes, de hoornplaten aan de achterzijde hebben doorn-achtige, naar achteren wijzende punten. Sommige juveniele exemplaren hebben gele tot rode, straalsgewijze vlekjes op het schild. Jonge dieren hebben ook drie duidelijke opstaande lengterichels of kielen aan de bovenzijde van het schild. Al deze juveniele kenmerken verdwijnen naarmate de schildpad ouder wordt. Bij subadulte exemplaren zijn de vlekjes en kielen meestal verdwenen, wel zijn nog de bultjes aanwezig maar ook deze verdwijnen en volwassen exemplaren hebben een gladde bovenzijde van het schild. Bij exemplaren van sommige populaties blijven echter gekleurde vlekjes aanwezig.
De schildplaten aan de bovenzijde van het rugschild bestaan uit verschillende soorten platen, de plaat aan de voorzijde van het schild wordt de nekplaat of nuchale plaat genoemd. De uit vijf platen bestaande schildenrij op het midden van de bovenzijde van het schild worden de vertebrale schilden of ribschilden genoemd en de rijen schilden aan weerszijden zijn vier costale schilden of costalen. Aan de achterzijde van het schild zijn boven de staart twee anale schilden of supracaudale schilden gelegen. Rondom de rand van het schild is een rij van 22 smalle, kleinere platen aanwezig die de marginale platen worden genoemd.
De schildkleur is groen tot bruin of donkerder tot bijna zwart. In het wild levende dieren krijgen naarmate ze ouder worden steeds meer aangroei van planten en algen op het schild, zodat hun natuurlijke kleur niet meer te zien is.
Het buikschild of buikschild of buikschild is bij de bijtschildpad opvallend klein en heeft een duidelijke kruisvorm. Dit laat een grote bewegingsvrijheid toe van de kop en de poten. Het buikschild is aan weerszijden verbonden met het rugschild door een smalle benen brug, het buikschild is in de lengte veel smaller dan bij de meeste schildpadden waardoor het lijkt alsof de schildpad te groot is voor zijn schild. De plastronformule is als volgt: an >< hum > pect > fem > intergul > abd.
Poten en staart De poten zijn breed, kort en stomp en eindigen in verbrede klauwen die voorzien zijn van duidelijke zwemvliezen. De voorpoten dragen vijf grote nagels, de achterpoten vier. Bij heel grote exemplaren zijn de klauwen zo groot als een mensenhand. De klauwen spelen niet alleen een rol bij de voortbeweging, het mannetje gebruikt ze tijdens de paring om op een vrouwtje te klimmen. De staart van de bijtschildpad is opvallend groot en is voorzien van rijen opstaande schubben, die de staart een zaag-achtige zijwaartse aanblik geven en doet denken aan de staart van een krokodil. De staart is een belangrijk geslachtskenmerk; de staart van mannetjes is langer en de anus is duidelijk verder naar achteren geplaatst in vergelijking met een vrouwtje, al is dit verschil alleen aan de onderzijde te zien. Zowel de poten als de staart hebben een geelbruine tot groene kleur.
Onderscheid met andere soorten De bijtschildpad is te onderscheiden van de alligatorschildpad (Macrochelys temminckii) doordat deze laatste soort een duidelijk ananas-achtig reliëf op het schild heeft, en de ogen iets meer naar buiten staan. De alligatorschildpad heeft daarnaast een verhoudingsgewijs grotere kop en heeft geen opstaande stekel-achtige schubben op de staart zoals de bijtschildpad. De enige andere schildpad waarmee de bijtschildpad te verwarren is, is de grootkopschildpad (Platysternon megacephalum), die echter ontbreekt in Noord-Amerika en alleen voorkomt in delen van Azië. De grootkopschildpad heeft een kleiner en minder gewelfd schild (tot ongeveer 20 centimeter) en een verhoudingsgewijs veel grotere kop.
De bijtschildpad is moeilijker te onderscheiden van twee voormalige ondersoorten, die vroeger als variaties van de bijtschildpad werden gezien maar tegenwoordig als aparte soorten beschouwd. Deze twee soorten zijn het makkelijkst in het veld te onderscheiden aangezien ze in het zuiden van Noord-Amerika en in Midden-Amerika leven, van Mexico tot Honduras.
Levenswijze miniatuur|De bijtschildpad houdt zich schuil onder onderwaterobjecten zoals takken en boomstronken.
De bijtschildpad is een typische waterbewoner die in ondiepe wateren leeft of langs de oevers van diepere wateren. Deze oevers mogen niet te steil zijn want de schildpad is ondanks de aquatische levenswijze een slechte zwemmer die in diep water verdrinkt. Snelstromende wateren worden vermeden, alleen stilstaande tot matig stromende wateren zijn geschikt als leefomgeving. Het is een bodembewoner die zich niet zwemmend maar lopend over de bodem voortbeweegt.
De schildpad heeft een grote voorkeur voor wateren met een weelderige onderwatervegetatie of een ruim aanbod aan onderwaterobjecten zoals takken om te onder schuilen. Een modderige of fijne zanderige bodem is een vereiste, de schildpad heeft enige tolerantie voor brak water.