Filmkomedie, kortweg komedie of comedy is een filmgenre waarin de nadruk ligt op humor. Komedie is een van de grootste en oudste filmgenres: enkele van de vroegste films hadden al komische elementen. Komedies vertrouwen meer dan andere genres op de kracht van de filmster. Veel komedies zijn luchtige vertellingen met een goede afloop en geen ander doel dan vermaak, maar er zijn ook zwarte komedies met een grimmigere toon en films met een maatschappijkritische ondertoon.

Geschiedenis Begin van de cinema (1894-1902) Toen film eind 19e eeuw ontstond, kende het theater al een lange traditie van komedie met genres als vaudeville, klucht, commedia dell'arte, variététheater en het circus. Zij zouden ook van grote invloed zijn op de eerste filmkomedies. De vroege film zelf was zeer nauw met het komische theater verbonden: vroege filmvertoningen vonden vaak plaats op kermissen, sideshows en in vaudevilletheaters. Veel van de eerste filmkomieken zijn afkomstig uit de vaudeville, die een groot deel van hun materiaal hebben overgenomen van succesvolle showroutines.

Humor vond dus al snel zijn weg naar de film. Thomas Edison filmde in 1894 de nies van een van zijn medewerkers, en bracht hem uit onder de naam Fred Ott's Sneeze. Edisons assistent William K.L. Dickson maakte al snel daarna korte filmpjes van twintig seconden van vaudeville-acts als Buffalo Bill. De gebroeders Lumière maakten in 1895 L'Arroseur arrosé, waarin een jongen een grap uithaalt met een tuinman, waardoor deze zichzelf natspuit.

Het stomme tijdperk (1902-1927) thumb|260px|De Franse acteur Max Linder was een van de eerste internationaal bekende filmkomieken. In het tijdperk van de stomme film was slapstick het dominante subgenre. In het begin waren het vooral achtervolgingsfilms: films waarbij door een gebeurtenis een personage door een grote groep mensen wordt achtervolgd over verscheidene locaties. Achtervolgingsfilms werden over de gehele wereld gemaakt. Zelfs Nederland bracht zo'n film voort: De mésaventure van een Fransch heertje zonder pantalon aan het strand te Zandvoort (1905).

Vooral Frankrijk produceerde in het begin veel populaire en invloedrijke komedies: in 1907 begon Pathé met een reeks films over het typetje Boireau, gespeeld door André Deed. Deed groeide uit tot een van de eerste internationale filmsterren. Zijn typetje, gebaseerd op de Pierrot, was in een groot aantal landen onder een andere naam bekend, zoals Cretinetti in Italië en Foolshead in Engeland. Meer filmsterren stonden op in Frankrijk, elk met een eigen typetje. Zo speelde Charles Prince in bijna zeshonderd films. De bekendste was Max Linder, eveneens werkzaam bij Pathé. Linders typetje was altijd keurig gekleed in chique kledij, hoge hoed en met een parmantige snor, en kreeg steevast te kampen met voor de middenklasse beschamende momenten. Hij was bekend over heel Europa, zodat hij in 1910 wekelijks een film opnam om aan de vraag te voldoen. Hij groeide al snel uit tot de best betaalde artiest van zijn tijd. Hij beïnvloedde latere komieken om onderscheidende typetjes te ontwikkelen met elk hun eigen kenmerkende uiterlijkheden. Charlie Chaplin noemde hem zelfs zijn "professor". Tot zijn dood in 1925 werkte hij afwisselend in Frankrijk en de Verenigde Staten.

Italiaanse studio's streefden het succes van de Franse komedies na en begonnen vanaf 1909 hun eigen komische reeksen. Ze werkten niet alleen met Italiaanse, maar ook met Franse komieken. Zo huurde Itala André Deed in voor de Cretinetti-reeks, en maakte Cines films rond het typetje Polidor van de oorspronkelijk Franse clown Ferdinand Guillaume. Ook de Italiaanse films werden internationaal succesvol, waardoor er tot ver in de jaren tien honderden komische films werden geproduceerd. Ook in andere landen kwamen de eerste filmkomieken op, zoals Fred Evans in Engeland en Antonin Fertner in Rusland.

De VS had ook zijn eigen komediester, John Bunny. Met Flora Finch vormde hij van 1912 tot zijn dood in 1915 een van de eerste filmkomedieduo's. Hollywood werd pas dominant met de komst van de Eerste Wereldoorlog, toen veel Europese komieken moesten dienen (en stierven) aan het front. Spil hierin was Mack Sennett. In 1912 richtte hij Keystone Pictures op, het eerste filmbedrijf dat zich specialiseerde in komedie. De studio werd vooral bekend vanwege The Keystone Cops, een reeks korte komische films bekend om de stunts, achtervolgingen, taartsmijtscènes en montagetrucs als versneld afspelen en achteruitspoelen. Komieken als Roscoe "Fatty" Arbuckle en Chester Conklin begonnen hun carrière als Keystone Kop. Sennett had daarnaast een kleine groep komieken onder contract, waaronder Mabel Normand en Ben Turpin. Vaak gaf hij hen de vrijheid om zelf hun eigen films te regisseren.

De slapstickfilms waren vooral korte films, maar in 1914 maakte Sennett de eerste komische lange speelfilm, Tillie's Punctured Romance. Een van de hoofdrolspelers in deze film was Charlie Chaplin. Chaplin ontwikkelde bij Keystone zijn personage, de "kleine zwerver", met bolhoed, wandelstok en te grote schoenen. Chaplin sprong uit door zijn behendigheid, wat zich uitte in vele strak gechoreografeerde vecht- en achtervolgingsscènes, en zijn kracht om humor te halen uit alledaagse objecten. Bovendien voegde hij in zijn films pathos toe. Hij zou uitgroeien tot een van de prominente komieken van het tijdperk. Al in 1916 wist hij de volledige controle te krijgen over het creatieve aspect van zijn films.

Sennett was echter niet de enige die actief was op de markt. In 1917 begon een van Sennetts populairste komieken, Fatty Arbuckle, zijn eigen productiemaatschappij, waarmee hij zijn eigen films kon produceren en regisseren. In het spel werd hij vaak bijgestaan door zijn sidekick Buster Keaton. Een andere populaire acteur was Douglas Fairbanks, die anders dan andere komieken vrijwel alleen in lange speelfilms speelde. Fairbanks ruilde in de jaren twintig de komedie in voor avontuurlijke mantel-en-degenfilms. Sennetts belangrijkste concurrent was echter Hal Roach. Hij behaalde zijn eerste successen met het produceren van de films van Harold Lloyd. Lloyds personage was een onstuimige jongeman met een strohoed en een bril met donker montuur, die veel succes had. Roach groeide in de jaren twintig uit tot de belangrijkste producent en schrijver van slapstickfilms. In 1922 begon hij de zeer populaire en langlopende Our Gang-reeks, later op televisie uitgezonden onder de naam De Boefjes. In 1927, het jaar dat de geluidsfilm zijn eerste successen kende, deed hij nog een meesterzet door Stan Laurel en Oliver Hardy bij elkaar te brengen.

thumb|210px|Met The Kid maakte Charlie Chaplin de overstap naar de lange speelfilm

Chaplin, Keaton, Arbuckle en Lloyd zouden in diezelfde periode succesvol de overstap maken naar de lange speelfilm. Chaplin was van de drie de eerste, met The Kid uit 1921. Lloyd volgde vrij snel. Hij maakte een grote verscheidenheid aan komedies, maar is tegenwoordig vooral bekend van spannende films als Safety Last!, waarin hij een wolkenkrabber beklimt, met allerlei gevaarlijke stunts tot gevolg.

Fatty Arbuckle ging eveneens lange speelfilms maken, maar zag zijn carrière al snel eindigen toen hij verwikkeld raakte in een seksschandaal. Zijn voormalige sidekick Buster Keaton nam zijn productie-eenheid over en maakte verscheidene korte speelfilms. Hierin gaf hij blijk van surrealistische grappen. Zijn belangrijkste eigenschap was zijn droge humor, dat zich vooral uitte in zijn stoïcijnse blik. Hieraan dankte hij de bijnaam "The Great Stone Face", het Grote Stenen Gezicht. Later stapte hij ook over naar de lange speelfilm. Alhoewel zijn films nooit de populariteit van Chaplin en Lloyd wisten te behalen, worden zij tegenwoordig beschouwd als klassiekers.

Naast Chaplin, Keaton en Lloyd kende de jaren twintig nog een vierde zeer populaire filmkomiek: Harry Langdon. Sennett tekende hem in 1923. Zijn typetje, een uiterst onschuldig figuur met een babygezicht die altijd miraculeus weet te overleven terwijl om hem heen rampen gebeuren, wist pas in 1926 een succes te worden dankzij films als Tramp, Tramp, Tramp en The Strong Man. Als een jaar later de geluidsfilm zijn intrede doet, is zijn carrière over.

Naast slapstick kende de jaren twintig nog andere subgenres. Zo waren voor een korte tijd militaire komedies populair. De bekendste hiervan was een reeks van Paramount rond het duo Wallace Beery en Raymond Hatton.

Een ander belangrijk subgenre waren de verfijnde 'seksuele' komedies, over driehoeksverhoudingen in het hogere milieu. Chaplin maakte een van de eerste films uit het genre, A Woman of Paris. Het publiek bleef echter weg bij deze film, waarschijnlijk omdat Chaplin er niet in verscheen als zijn geliefde zwerverspersonage. De belangrijkste regisseur van het genre was Ernst Lubitsch: hij kenmerkte zich met romantische komedies vol suggestieve seksuele toespelingen en risqué onderwerpen als buitenechtelijke relaties en driehoeksverhoudingen in de middenklasse. In deze films was een belangrijkere rol weggelegd voor vrouwen dan in de slapstickfilms. Ook Cecil B. DeMille maakte enkele van deze films, vaak met Gloria Swanson in de hoofdrol. De Milles geraffineerde komedies kenmerkten zich door vrouwen in dure, uitdagende kledij, rijke settings en seksueel provocerende situaties. Een voorbeeld is Why Change Your Wife? uit 1920. Boris Barnet maakte in de Sovjet-Unie vergelijkbare films als Het meisje met de hoedendoos (1927).

1928-1945 De komst van de geluidsfilm maakten het mogelijk om ook verbale humor in de film te verwerken. Acteurs die hiervan in de jaren twintig en dertig wisten te profiteren en uitgroeiden tot grote sterren, waren onder anderen Bob Hope, W.C. Fields, Mae West en The Marx Brothers, veelal acteurs die al in het theater succes hadden behaald met oneliners, kwinkslagen en scherpe woordspelingen, en nu de mogelijkheid kregen om hun vorm van hun humor naar het witte doek te brengen.

Ook kwamen nieuwe genres op, zoals de screwball-komedie, een variant van de romantische komedie over de strijd der seksen, gekenmerkt door kluchtige situaties, snelle, spottende dialogen en excentrieke personages. Bekende voorbeelden zijn onder andere It Happened One Night (1934) van Frank Capra, The Awful Truth (1937) van Leo McCarey en Bringing Up Baby (1938) en His Girl Friday (1940) van Howard Hawks. Cary Grant, die in de laatste twee de hoofdrol had, was de belangrijkste acteur van het genre, Claudette Colbert, Katharine Hepburn en Carole Lombard de belangrijkste actrices. Preston Sturges bouwde hier in de oorlogsjaren op voort. Zijn Sullivan's Travels zou het genre hebben "beëindigd".

Slapstick was misschien zijn dominante positie verloren, maar de traditie van fysieke humor werd voortgezet door de korte films van onder andere Laurel en Hardy en de Three Stooges. Van de grote sterren van de jaren twintig wist enkel Charlie Chaplin nog succesvolle films maken, eerst met dialoogloze rolprenten als City Lights (1931) en Modern Times (1936), waarin zijn stem voor het eerst is te horen, een onzintaal zingend. Daarna ging hij ook geluidsfilms opnemen, zoals The Great Dictator (1940). In de VS werden ondertussen nieuwe komedieduo's uitgeprobeerd om het succes van Laurel en Hardy te evenaren. In de jaren veertig werden zij in de Verenigde Staten van de troon gestoten door Abbott en Costello. Ook Bob Hope en Bing Crosby hadden succes met zes Road To...-films.

De jaren dertig kende ook veel kindsterretjes. De Our Gang-films van Hal Roach liep tot ver in de jaren dertig. Shirley Temple werd op zesjarige leeftijd uitgeroepen tot de belangrijkste publiekstrekker van Hollywood, een positie die zij vier jaar lang vast wist te houden. Mickey Rooney werd als tiener een ster dankzij de Andy Hardy-films, een reeks die meer dan twintig jaar zou lopen.