miniatuur|De ram van de Buffel miniatuur|In het Maritiem Kwartier in Hellevoetsluis miniatuur|longroom

De Zr.Ms. Buffel, HW 12, A 884, is een pantserschip, dat door de scheepswerf Robert Napier and Sons werd gebouwd. Schepen van de Koninklijke Marine in W.O. II, uitgegeven in Alkmaar: De Alk bv, 1997, 160-163, met de gegevens van de Buffel. Op 23 juli 1868 werd het schip onder commando van Kltz. J.A.H. Hugenholtz in dienst genomen. Tussen 1896 en 1972 deed het dienst als logementschip. Als marineschip droeg het het predicaat Zr. Ms. Het is nu een museumschip in Hellevoetsluis.

De Buffel heeft een zusterschip: de Schorpioen. Samen vormden zij na 1868 de kern van de vernieuwde Koninklijke Marine.

Geschiedenis Pantserschip De Buffel was bedoeld voor de verdediging van de Nederlandse kustwateren. Omdat Nederland zelf over onvoldoende kennis beschikte om pantserschepen te bouwen, vond de bouw plaats in Schotland. Tijdens de bouw van de Buffel werd ervaring opgedaan die voor de bouw van Zr. Ms. Guinea werd gebruikt, later door de Amsterdamse Rijkswerf.

In 1868 werd geld vrijgemaakt in de begroting voor de bouw van meerdere marineschepen. De opdracht voor de Buffel werd gegund aan de Schotse scheepsbouwer Robert Napier and Sons gevestigd in Glasgow. Deze nam het werk aan voor 88.500 Pond sterling, dat was ongeveer 1,125 miljoen gulden.

Het was in feite een ramtorenschip, met een geschutstoren inclusief kanonnen en een ram om andere schepen onder de waterlijn te raken. Op het dek staan dekhuizen met schuin lopende zijwanden om de kanonnen zo min mogelijk te hinderen. De kanonnen in de geschuttoren, iets vóór het scheepsmidden, konden alleen niet recht voor- of achteruit vuren. Met stoom draaide de toren een volledige cirkel in 47 seconden, handmatig duurde dit drie minuten. Het achterdekhuis was aan drie zijden gepantserd en deed tevens dienst als commandocentrum.

In de toren stonden bij de bouw twee kanonnen met een kaliber van 23 centimeter van de Britse fabrikant Armstrong. Het waren voorladers. In 1887 werden deze kanonnen vervangen door één 28 cm Krupp achterlader. In 1889, toen de torpedoboot een nieuwe bedreiging vormde, werd de bewapening uitgebreid met diverse lichte kanonnen. De pantsering van de waterlijn was 1,8 meter breed en maximaal 152 millimeter dik. De voorsteven was versterkt en diende als ram, onder water was de ram naar voren gebogen en stak ongeveer drie meter onder water. Hierdoor kon de Buffel vijandelijke schepen, die eveneens van een pantsergordel waren voorzien, onder die gordel treffen. Het gewicht van de Buffel was voldoende om ook bij een lage snelheid de ram in een ander schip te boren.

Het machinevermogen bedroeg ongeveer 2200 IPK met een maximale snelheid van 12 knoop. Er was ruimte voor 200 ton steenkool aan boord. In 1883 werd een dynamo geplaatst voor het zoeklicht, hierdoor werd het kolenruim kleiner en de voorraad nam met een kwart af tot 150 ton. Met deze hoeveelheid en een zuinige snelheid van zes knopen kon het schip slechts 800 zeemijl afleggen. Er zijn twee schroeven die onafhankelijk van elkaar zijn te bedienen. Draait een schroef sneller dan de andere, dan draait het schip naar de kant van de langzaamdraaiende schroef. Als een schroef met volle kracht vooruit en de andere met volle kracht achteruit sloeg, kon het schip een een kleine ruimte snel draaien. Dit is van belang om het schip goed te positioneren om een vijandelijk schip te rammen.

In augustus 1871 bracht de Buffel, samen met enkele andere marineschepen waaronder Hr.Ms. Tijger, een bezoek aan Antwerpen. Op de terugreis werden de stoffelijke resten van de in 1832 bij de verdediging van de citadel gesneuvelde Nederlanders naar het vaderland gevoerd.

Het vaartuig werd in 1892 naar Hellevoetsluis overgebracht en twee jaar later afgevoerd als oorlogsschip.

Logementschip Na een rustige carrière als pantserschip werd de Buffel omgebouwd, het pantser en de stoommachine en ketels werden verwijderd en verkocht voor 29.000 gulden. Vanaf 1896 deed het schip dienst als wacht- en logementschip. In 1921 werd de Buffel van Hellevoetsluis naar Den Helder gesleept

Tijdens de Duitse aanval op Nederland in 1940 was de Buffel nog in dienst als logementschip en lag het in de Rijkswerf Willemsoord. Na de val van Nederland werd het schip door de Duitse bezetter naar Amsterdam versleept, om daar als logementschip dienst te doen.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het schip intact teruggevonden en als logementschip ingedeeld bij de onderzeedienst in Rotterdam. In 1948 keerde het schip terug naar Amsterdam om te gaan dienen als logementschip bij het Marine Etablissement Amsterdam.

Museumschip Een jaar na de uitdienstname van het schip in 1973 werd de Buffel verkocht aan de gemeente Rotterdam. In Rotterdam werd het schip tot museumschip omgebouwd, waarbij de periodes als oorlogsschip en logementschip worden uitgebeeld. Sinds 1979 was het schip te bezichtigen bij het Maritiem Museum Rotterdam, waar het in de Leuvehaven lag.

Vanwege bezuinigingen in Rotterdam werd de Buffel in het najaar van 2013 verplaatst naar Hellevoetsluis. Vanaf 5 oktober 2013 heeft het schip tijdelijk in het Timmerdok van Droogdok Jan Blanken gelegen. De Buffel had eerder ook al, na omgebouwd te zijn tot logementschip, van 28 mei 1896 tot 5 juli 1919 als logementschip in Hellevoetsluis gelegen. De gemeente Rotterdam was tot oktober 2018 eigenaar van het schip. Daarna is het beheer en eigendom overgedragen aan de Stichting Ramtorenschip Buffel. Vanaf 7 febr. 2015 heeft de Buffel zijn definitieve ligplaats aan de Koningskade in Hellevoetsluis.

De Buffel ligt afgemeerd in Hellevoetsluis in het Maritiem Kwartier. Er liggen daar meer historische schepen, zoals de mijnenveger Bernisse, het lichtschip de Noord-Hinder. Ook is daar het stenen Droogdok Jan Blanken uit 1806 te bezichtigen.

Externe link Stichting Museumschip de Buffel Onze marine vloot Hr.Ms. Buffel

Categorie:Museumschip Categorie:Nederlands logementschip Categorie:Nederlands marineschip in de Tweede Wereldoorlog Categorie:Nederlands pantserschip Categorie:Schip op naam