thumb|De Sint-Martinusbasiliek De Sint-Martinusbasiliek is een gotische kerk in de Vlaams-Brabantse stad Halle, gewijd aan de heilige Martinus van Tours, waar nog tal van kunstwerken uit de periode van de bouw in situ aanwezig zijn. Het is een bedevaartsoord en werd in 1946 door paus Pius XII tot basiliek verheven. Sindsdien wordt de kerk ook wel Onze-Lieve-Vrouwebasiliek genoemd.Gids voor Vlaanderen, VTB/VAB Antwerpen en Uitgeverij Lannoo Tielt, 1995 Door het KB van 30 december 1933 werd ze een beschermd monument.

De basiliek domineert het stadsgezicht van Halle; haar toren van 71 meter neemt de 32e plaats in op de lijst van hoogste kerktorens in België.

Beeld van de Onze-Lieve-Vrouw van Halle

Geschiedenis miniatuur|Jean-Baptiste Van Moer, Uitzicht op de basiliek van Halle (1845) (collectie Koning Boudewijnstichting) - een van de oudst bewaarde beelden van Halle.

Algemeen Een bul uit 1335 wordt in de crypte bewaard. Hij is verleend door een aartsbisschop en 18 bisschoppen uit Avignon. Hij verleende onder meer aflaten voor wie in Halle deelnam aan de jaarlijkse processie. Hieruit blijkt dat de processie reeds vóór 1335 bestond.

De Sint-Martinuskerk is van 1341 en 1467 gebouwd in Brabantse hooggotiek. Toen de bouw begon, stond de gotische Mariakapel uit 1335, los van de voorloper van de huidige kerk, er reeds. Doordat de kerk nooit geplunderd is, bevinden er zich nog vele kunstwerken die speciaal voor de kerk gemaakt zijn. De bekendste zijn het Mariabeeld, een Zwarte Madonna van rond 1250 en het Mone-retabel van 1533.

Na 1467 werd aan de kerk verder gewerkt; in 1664 werd de barokke sacristie en van 1772 tot 1776 de barokke bekroning van de toren gebouwd.

In 1946 kreeg de kerk de titel van basiliek.

Patroonheiligen De eerste patroon is de heilige Martinus van Tours, de tweede de heilige Catharina van Alexandrië en de derde de heilige Gertrudis van Nijvel.

Voorlopers van de huidige kerk De plaats waar Halle zou ontstaan, kent een lange geschiedenis. Gedurende eeuwen was ze de laatste doorwaadbare plaats stroomopwaarts aan de Zenne. Het is dan ook niet toevallig dat er reeds in de pre-Romeinse en later in de Romeinse en vroeg-middeleeuwse tijd een knooppunt van verschillende wegen was. Logischerwijze ontwikkelde er zich een nederzetting. Deze nederzetting die het domein van Halle werd, werd meer dan waarschijnlijk in de zevende eeuw gekerstend: er kwam een parochie met een erbij horende kerk.

Het domein was eigendom van Waltrudis uit Bergen, later Sint-Waltrudis, die het in de zevende eeuw aan de door haar gestichte en naar haar genoemde Sint-Waltrudisabdij van Bergen, waarvan ze de eerste abdis was, schonk om de abdij van inkomsten te voorzien. Meer dan waarschijnlijk werd er toen een kerk gebouwd. Sommige bronnen vermelden dat de eerste kerk in 727 gebouwd werd. Een bul uit 1335 wordt de crypte bewaard. Hij vermeldt onder meer dat er jaarlijks op de eerste zondag van september een processie uitging naar aanleiding van de wijding van de eerste kerk op 1 september. Nu nog viert men jaarlijks tijdens het eerste weekend van september "kermestale" of kermis te Halle.

In de negende eeuw werd de graaf van Henegouwen beschermer van de abdij. Dit betekent dat hij voogd en lekenabt werd (laïcisering). Dit zou een belangrijke rol bij de bouw van de kerk spelen en er uiteindelijk toe leiden dat Halle tot op het einde van het ancien régime tot het graafschap Henegouwen zou behoren.

Halle was het centrum van het dekenaat van Halle. Dat omvatte een tachtigtal parochies die nu tot de huidige provincies Vlaams- en Waals-Brabant, Henegouwen en Oost-Vlaanderen behoren. Deze megadekenij viel samen met het vroegere graafschap Halle dat voor het eerst in het Verdrag van Meerssen uit 870 vermeld werd en al vóór 1000 ophield te bestaan. Het ging op in het graafschap Leuven, het latere hertogdom Brabant, en het graafschap Henegouwen.

Het staat vast dat de kerk aan de noden (meer inwoners, hoofdplaats van een uitgebreide dekenij en van een graafschap) aangepast werd: uitbreiding of/en zelfs nieuwbouw. Over die kerken is echter niets bekend.

Heel weinig weet men over de laatste voorloper van de huidige kerk. Het zou een Romaans gebouw geweest zijn. Slechts één enkel element is overgebleven. Toen men in 1341 met de bouw van de huidige kerk begon, werd besloten om de toren van de laatste voorloper als kern van en als sokkel of 'fundering' voor de huidige toren te gebruiken en de nieuwe kerk erop te laten aansluiten.

Broederschap van de Onze Lieve Vrouw van Halle In 1344 werd de "Broederschap van de Onze Lieve Vrouw van Halle" opgericht. Deze broederschap bestaat nog steeds en is aldus een van de oudste van het land.

Later werden andere broederschappen opgericht, eerst in Henegouwen waarvan Halle deel uitmaakte en later elders. Ze worden "Tweede Broederschappen" genoemd. Ze hadden het recht om tijdens de processies het Mariabeeld te dragen. Voorrang, duur en traject van het dragen van het beeld werden door anciënniteit bepaald en gaven al eens aanleiding tot discussies.

De "Tweede Broederschappen" waren/zijn talrijk (tussen haakjes het jaar van ontstaan): Aat (meer dan waarschijnlijk in 1325), Tongeren (vóór 1356), Doornik (1420), Brussel, Valenciennes (1421), Condé (1430), Namen, Lembeek, Quiévrain, Crespin, 's-Gravenbrakel, Gussignies, Sint-Renelde, Luik (1643), Hoei (1646), Dinant (1654), Gent (1657), Oudenaarde-Sint-Walburga (1657), Bellingen, Pepingen, Beert, Herfelingen, Heikruis, Bogaarden, Kester, Oetingen, Leerbeek (1659), Nijvel (1661), Rijsel, Mouveaux, Bergen (1677), Sint-Niklaas (1699), Wakken, Hooglede, Lokeren, Zottegem, Dentergem, Verrebroek, Antwerpen, Brussel, Tielt, Kortrijk, Harelbeke, Brugge, Haringen, Aalst, Lembeek, Ballieul, Oudenaarde-Pamel en Oostrozebeke (1892).

Inwijding thumb|De toren. Op 24 februari 1409 werd de kerk door Peter V van Ailly, bisschop van Kamerijk, ingewijd.

Bedevaartsoord Zeker sinds de twaalfde eeuw, dus al vóór de aankomst van het 'miraculeuze' beeld, wordt Maria in Halle vereerd. Daardoor is de kerk een belangrijk bedevaartsoord geworden. In april en mei en met Pinksteren wanneer om de 2 jaar (op voorwaarde dat het goed weer is) een Mariaprocessie uitgaat, komen duizenden bedevaarders naar Halle.

Verheffing tot basiliek De verheffing tot basiliek of basilica minor was een werk van lange adem: 4 november 1945: indiening van de aanvraag bij de kardinaal te Mechelen; 24 februari 1946: aanvraag met de pauselijke nuntius naar Rome; 15 augustus 1946: ondertekening van de toekenningsbul; 5 maart 1947: Halle door Mechelen officieel op de hoogte gebracht; 2 juni 1948: toekenningsbul gepubliceerd in de Acta Apostolicae Sedis.

De erkenning zorgde voor vreugde bij de parochianen en deken Jean-Marie De Clercq die in het Parochieblad van Halle van 9 maart 1947 schreef: “Hoe groots en wijdingvol zal dit klinken: de basiliek van O.-L.-Vrouw-van-Halle”. Hij leek vergeten te zijn dat de kerk aan de heilige Martinus toegewijd was.

Een basilica minor kan men aan twee zaken onderscheiden: een conopeum of umbrella: een soort half-gesloten parasol bestaande uit stroken zijde die afwisselend geel en rood, een verwijzing naar de pauselijke kleuren goud en zilver, zijn en bekroond zijn met een bol met kruis; een tintinnabulum: een klokje in edelmetaal.

Ze staan aan weerszijden van het hoofdaltaar en worden in processies meegedragen.

Galerij

Bouwchronologie Gotiek 1335: Mariakapel; 1341-(ten laatste) 1380: schip, oorspronkelijk concept of pseudobasilicaal opzet; 1341-vóór 1400: toren, eerste en tweede verdieping.

1480-1490. Rond het midden van de veertiende eeuw was het gedaan met het geslacht van de Henegouwse graven van het huis Avesnes. Het werd opgevolgd door de graven van Henegouwen van het huis van Beieren. Met Albrecht van Beieren die regeerde van 1358 tot 1404, kwam er een periode van bloei voor Henegouwen. De stad Halle en vooral haar kerk haalden er hun voordelen uit. Voor de kerk bleek dit uit een verandering van het bouwconcept: het pseudobasilicale concept van het schip werd verlaten voor een basilicaal en er kwam een crypte met daarbovenop een imposant koor.

1380-1400: schip, verhoging; 1385: Driekoningenportaal; 1398-1410: koor; 1400-1410: schermmuur tussen toren en schip; 1400-1410: noordportaal; 1440: doopkapel; 1440: bol van de doopkapel; 1467: Trazegnieskapel; 1450-1470: toren, verhoging met derde en vierde verdieping; 1450-1470: toren, eerste torenbekroning; 1600: toren, tweede torenbekroning.

Barok 1664: sacristie; 1772-1776: toren, derde torenbekroning.

Bouwmeesters Er bestaat geen zekerheid over de identiteit van de bouwmeesters of architecten. Geregeld worden de namen van Jan van Osy (gestorven in 1377), die bouwmeester van de graaf van Henegouwen was, en zijn leerling Jacob van Gobbertingen, ook Jacob van Tienen (meer dan waarschijnlijk gestorven in 1410) genoemd.

Kerkinterieur Toren De toren is 71 meter hoog, telt vier verdiepingen en heeft vier achthoekige hoektorens.

In de westelijke torenwand werd net na het begin van de bouwwerken in 1341 een grote spitsboogvormige toegang tot het schip gemaakt. Om het schip op de toren te doen aansluiten moest men aan de stevigheid van de zuidoostelijke hoektoren raken. Deze zaken brachten de stabiliteit van de toren in gevaar. Om dat te verhelpen werd de hoektoren volgestouwd en werd later een schermmuur tussen toren en schip aangebracht. Een nieuwe toegang tot de toren werd in het midden van de noordwand aangebracht. Dit gebeurde na het begin van de bouwwerken en vóór de verhoging van de toren waarvoor de werken in 1450 startten.

In de oostelijke toren is boven het renaissancistische tochtportaal een glasraam van Joseph Casier (1852-1925) in een gotisch venster (geen rosette zoals in de Franse gotiek). Fragmenten uit het leven van de heilige Martinus zijn afgebeeld: bisschopswijding, de heilige en de bedelaar, de heilige en een catechumeen en de heilige die onderricht geeft.

De eerste en tweede verdieping dateren van vóór 1400. Op de eerste verdieping is een klokkenmuseum, op de tweede is de uurwerkkamer met allerlei mechanismen. Gustaaf Desmet, koster tijdens de Tweede Wereldoorlog, zorgde ervoor dat de Duitse bezetter de klokken niet voor hersmelting weghaalde. Hij beweerde ten onrechte dat kardinaal Jozef Van Roey een uitzonderingsclausule van de bezetter had afgedwongen: historische klokken en klokken die deel uitmaakten van een historische beiaard, moesten gespaard blijven.

De derde en vierde verdieping zijn van 1470. Op de derde verdieping is de beiaard, op de vierde het torenwachtersverblijf. Sinds december 2006 heeft de toren weer een officiële stadstorenwachter, de enige in Vlaanderen.

Tegen de zuidelijke muur hangen zes mirakelschilderijen uit de zeventiende eeuw waarvan er één gerestaureerd is. Op de grens tussen toren en schip is er een achtste (gerestaureerd) mirakelschilderij in een glazen kast met informatie over de restauratie. Deze schilderijen beelden mirakels opgetekend in het "Guldenboek van de Broederschap van de O.-L.-Vrouw van Halle" dat in de crypte bewaard wordt, uit.

Mariakapel In de Mariakapel, één travee met vijfzijdig koor, aan de noordkant van de kerk, tussen noordelijke zijbeuk en koor, werd eeuwenlang het Mariabeeld dat zich sinds 1866 in het hoogkoor bevindt, aanbeden.

In een nis in de zuidelijke muur bevindt zich een liggend grafbeeld in zwart marmer. Een tekst erboven vermeldt: "hic jacet Ioachimus Galliae delphinus Lucovici xi filius obiit A° Di m.cccclx". Het is het graf van Joachim, zoon van de toekomstige Lodewijk XI van Frankrijk, die in 1459 en niet in 1460 zoals boven het graf vermeld, stierf. Lodewijk XI verbleef toen in Genappe omdat hij ruzie had met zijn vader Karel VII van Frankrijk. Hij was er de gast van Filips de Goede en diens zoon Karel de Stoute.