thumb|Oude straatnaam in natuursteen (Infirmerijstraat te Diest) thumb|Straatnaambord in Groningen thumb|Straatnaambord Rozengracht, Amsterdam-Centrum
Een straatnaam of hodoniem is een naam om openbare ruimten als straten, lanen, wegen en stegen mee aan te duiden. De hodonymie of straatnaamkunde, vormt een onderdeel van de toponymie of plaatsnaamkunde. Een straatnaam dient voor de oriëntatie en voor het vormen van adressen en wordt in veel landen gebruikt voor het adresseren van post. Ook bij bijvoorbeeld een plein of weg spreekt men van een straatnaam, niet van een wegnaam of pleinnaam.
Soortnaam en eigennaam Straatnamen zijn in het Nederlandse taalgebied bekend sinds de middeleeuwen. Ze worden gevormd uit een soortnaam plus een eigennaam. Het weglaten van de soortnaam is sinds circa 1970 niet ongebruikelijk.
De soortnaam geeft aan om welk type openbare ruimte het gaat. 'Straat' is een neutrale aanduiding voor een openbare ruimte; steeg, gang, pad of hofje zijn kleiner dan een straat. Passage is een specifieke aanduiding voor een overdekte winkelstraat; laan, dreef en allee hebben een groen karakter. Pleinachtige structuren heten plein, markt, hof of plantsoen. Een weg of een baan zijn langer en breder dan een straat. Ook parken hebben namen.
Soortnamen voor autoloze straten zijn bijvoorbeeld: domein, erf, wijk, buurt, goed of plaats. Straatnamen ontleend aan oude arbeidersbuurten zijn bijvoorbeeld hof, plaats, gang, rijtje en beluik. Namen van straten met een groen karakter eindigen bijvoorbeeld op: tuintjes, boompjes, pad, laantje, veld, allee of promenade.
De eigennaam onderscheidt de straat, het pad of de laan van andere straten, paden en wegen.
Een straatnaam gevormd uit één woord komt weinig voor. Dit heet proprialisering, de ontwikkeling van soortnaam tot eigennaam: de Dreef, de Markt, de Kaai, het Park, het Plein, de Brink.
Straatnamen zijn meestal samengesteld uit maximaal drie woorden. Meer woorden geeft problemen met het onthouden van de naam en met de uitspraak. Vergelijk de Zeebodemkolonistenweg in Almere.
Benoemingsmotief Om onderscheid te maken wordt een soortnaam meestal gekoppeld aan een eigennaam. Dit heet het benoemingsmotief. Een straat is bijvoorbeeld genoemd naar een natuurlijk landschapselement: zand donk, berg; of herinnert aan een agrarisch verleden: Akkerstraat, Katerstraat.
Een straat kan vernoemd zijn naar een bepaalde vorm of fysieke eigenschap: breed – smal, recht – krom, kort – lang, groot – klein, wijd – eng: Kromme Elleboog, Rechtboomssloot; of van recentere datum zijn: Nieuwe Hoogstraat; of een specifieke functie hebben: Hoofdweg.
Een straat wordt vaak genoemd naar een gebouw dat zich in die straat bevindt, of waar een straat of weg naartoe loopt: kerk-, toren-, burcht-, school-, (tol)brug-, molen, gasthuis-, stations-weg of -straat. In de middeleeuwen ontleende een straat vaak zijn naam aan een huisnaam: Morenstraat, Maastricht, naar het hoekhuis In den Moriaan; Potkanstraat, Breda; Achter de Engelse Pispot, Den Bosch. Een recenter voorbeeld is het Moskeeplein in Utrecht. Verdere voorbeelden zijn Fabrieksstraat, Watertorenstraat en Vliegveldweg.
thumb|Straat in Oostende Straatnamen ontleend aan economische bedrijvigheid zijn bijvoorbeeld Vismarkt, Houtmarkt, Turfmarkt, Smedenstraat. Recentere voorbeelden zijn namen als Industriestraat en Nijverheidsstraat.
Een straat of weg kan naar een naburig dorp of een wat verder weg gelegen stad leiden. Iedere stad of dorp heeft straatnamen als: Wassenaarseweg, Gronausevoetpad, Hinthamerstraat. Een recent voorbeeld vormt de Oosterhoutse Busbaan in Breda.
Soms ontleende een straat zijn naam aan een specifieke groep mensen die er woonde: Barteljorisstraat, Minnebroederssteeg. In de middeleeuwen werden straten weleens genoemd naar de grondeigenaar of -eigenares, zoals het Vrouwjuttenland in Delft (1432) en het Nonnenveld in Breda (1533). Ook Heiligen leverden middeleeuwse straatnamen.
Verder kan elke eigenschap die de straat onderscheidt van andere straten als straatnaam dienen. Zo zijn opvallende straatnamen als de Apendans in Den Haag, de Duivelshoek in Breda, of de Poepershoek in Steenwijkerland, heel wel te verklaren.
Straatnamen kunnen afslijten en daarmee veranderen. Soms wordt de oorspronkelijke herkomst daarmee onduidelijk.
Straatnamen dienen ter oriëntatie. Ook straten en wegen waar geen huizen staan moeten dus een naam hebben.
Geschiedenis van huisnummering en straatnamen Merkwaardigerwijs heeft de overheid eerst een officiële huisnummering ingevoerd en pas daarna officiële straatnamen met straatnaamborden.
In de middeleeuwen en daarna waren huizen te vinden met behulp van een straatnaam en een huisnaam op een gevelsteen of uithangbord. In de dorpen werden de huizen aangeduid met een eigennaam of de naam van een buurtschap, wijk of gehucht.
In de loop van de achttiende eeuw is in verschillende Europese landen geëxperimenteerd met huisnummersystemen, in verband met belastingheffing of het inkwartieren van troepen. Huisnummering werd het eerst toegepast in de steden en pas later uitgebreid tot het platteland. Na de Franse revolutie, het einde van het ancien régime, is de huisnummering standaard ingevoerd in heel Europa. Aanvankelijk werden alle huizen in een stad achter elkaar genummerd, soms werden ze genummerd per wijk, met een wijkletter. De huisnummering en straatnamen stonden dus een tijdlang los van elkaar en vormden twee gescheiden systemen. Al spoedig ging men straatnamen en huisnummers combineren tot adressen. In 1805 werd in Parijs het huidige nummersysteem ingevoerd, met een straatnaam en een nummering per straat, met aan de rechterkant van de straat de even nummers en aan de linkerkant de oneven.
In de Franse tijd werden in de meeste steden in Nederland de huizen genummerd in verband met de Franse inkwartiering. In 1807 werd een nieuwe belastingwet ingevoerd, de verpondingswet en moesten ook in de dorpen de huizen worden genummerd. De huizen werden genummerd per wijk (A, B, C, D, ...). Al snel werden in de steden straatnaambordjes aangebracht en ging men adressen gebruiken, samengesteld uit een combinatie van straatnaam en wijkletter, plus huisnummer. In de dorpen gebruikte men een combinatie van buurtnaam plus huisnummer. In de negentiende eeuw werd het postverkeer steeds intensiever en daarmee de noodzaak van een goede adressering steeds groter.
Uiteindelijk voerden steeds meer steden het Parijse systeem in, waarbij de huizen per straat werden genummerd, met even en oneven nummers. Brussel deed dit vlak na Parijs, Antwerpen volgde in 1856, Amsterdam in 1875, Utrecht in 1879 in de buitenwijken en in 1891 in de binnenstad, Dordrecht tussen 1883 en 1885, Breda 1897 en Den Bosch pas in 1909.
Pas na de Tweede Wereldoorlog werd overal in Nederland het systeem ingevoerd van straatnaam plus huisnummering per straat. Met het invoeren van de huisnummering per straat, moesten overal officiële straatnamen worden vastgesteld en moesten straatnaamborden worden aangebracht. Het dorp Ottoland in Zuid-Holland is waarschijnlijk nog de enige plaats waar huizen zijn genummerd in twee wijken, A en B. Wel zijn daar na 1980 nog straten met echte namen bijgebouwd.
Overheid stelt straatnamen vast Door de invoering van een adressysteem van straatnamen en huisnummers was de overheid gedwongen alle straten te voorzien van een officiële naam, met een straatnaambord. Ook nieuwe straten moesten voortaan meteen van een officiële naam worden voorzien.
Deze gang van zaken is nooit formeel vastgelegd. Pas met de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, de Wet BAG, uit 2008, is de straatnaamgeving in Nederland door de overheid van een wettelijke grondslag voorzien. In Vlaanderen geldt het Decreet van de Vlaamse Raad tot bescherming van de namen van de openbare wegen en pleinen van 28 januari 1977, laatst gewijzigd op 29 november 2002.
Thematische straatnaamgeving thumb|Straat in de Vogelbuurt Vanaf het midden van de negentiende eeuw kenden de steden in Nederland en België wegens de Industriële revolutie een sterke bevolkingsgroei. Er werden talloze nieuwe straten aangelegd. Vanwege de bevolkingsadministratie, het kadaster en andere administraties, moest de overheid voor deze straten (en hele wijken) snel namen verzinnen. Aanvankelijk borduurde men voort op de volksmond: straten werden genoemd naar buurten, gebouwen of de richting waarin ze liepen.
Op een gegeven moment werden wijken voorzien van straatnamen volgens één thema. Rond 1900 begon, onder invloed van de Woningwet en de Engelse Tuinstad-gedachte, de periode van de Ot- en Sienstraatnamen, de bloemen- en plantenwijken, de vogelbuurten en de landbouwstraten. Voorbeelden zijn de Vogelwijk in Den Haag en de Kruidenbuurt in Eindhoven. Brouwer en Ten Kroode geven in de richtlijnen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) het commentaar: "Het is de idylle van de aangeharkte tuin, het sappige gras en de goudglanzige akker, kortom van de schoolplaten van Jetses, die ons uit deze straatnamen toelacht."
Tot in de jaren 1950 creëerde men zo nieuwe straatnamen. Tijdens de bouwexplosie na de Tweede Wereldoorlog ging men over op samenstellingen met aanduidingen voor bijzondere dieren, planten, abstracta en objecten. Daarbij werden hele aquaria, herbaria, schepen of orkesten uit elkaar gehaald om er straten in nieuwbouwwijken mee te benoemen: de typische Wederopbouw-straatnamen. Het beste voorbeeld van dit naamgevingssysteem is Almere, dat geheel bestaat uit een Muziekwijk, een Literatuurwijk, een Kruidenwijk, een Stripheldenbuurt.
Na de oorlog was er ook het systeem om alle namen in een nieuwe woonwijk te laten eindigen op -horst, -rode en -gaarde. Als eerste gebeurde dit in Rotterdam, en spoedig ook elders. Sindsdien wemelt het in Nederland van de dreven, steden, oorden, zichten, kampen, burgen, horsten, landen en steinen, aldus de publicatie van de VNG.
Tijdens de periode van de 'straatloze' straatnamen bestonden deze uit een biologische soort-aanduiding of een aardrijkskundige naam, zoals Koperwiek, Schokker, Abberdaan en Geestakker. Deze mode is inmiddels voorbij. Straatnamen worden in principe gevormd uit een soortnaam plus een eigennaam.
Soms zijn de straten op beginletter geordend. De Vastertlanden, Vrielinklanden en Veldhoflanden bevinden zich in hetzelfde deel van Enschede-Zuid, terwijl de Braamlanden ergens anders in de wijk is. De bewoners spreken vaak over de V-landen.
Straten, genoemd naar personen Het noemen van straten naar personen heeft een lange geschiedenis. In de Romeinse tijd noemden Romeinse keizers hele steden naar zichzelf. De Franse koning Lodewijk XIV heeft in Parijs meerdere standbeelden van zichzelf laten oprichten en meerdere pleinen naar zichzelf laten noemen. Tijdens de Franse revolutie werden deze standbeelden omvergetrokken, en werden de pleinen en straten genoemd naar de waarden en de helden van de revolutie.
In de negentiende eeuw moest de zelfstandigheid van Nederland worden verdedigd, met name tegen Duitsland. België moest zijn zelfstandigheid bewijzen ten aanzien van Frankrijk, en Vlaanderen ten aanzien van Wallonië. In Nederland ontstond in deze tijd een symbolisch landschap van standbeelden en straatnamen ter ere van personen uit de Gouden eeuw. Willem van Oranje en diverse andere Oranjes symboliseren de Nederlandse onafhankelijkheid. Vondel en Vader Cats staan voor de zelfstandige Nederlandse taal. De schilders Rembrandt en Frans Hals symboliseren de Nederlandse cultuur en welvaart tijdens de Gouden Eeuw en Michiel de Ruyter, Piet Hein en Jan Pieterszoon Coen werden geëerd als de bouwers van het Nederlandse imperium overzee.