John Tyler jr. (Charles City County, Virginia, 29 maart 1790 – Richmond, Virginia, 18 januari 1862) was een Amerikaans politicus en slavenhouder. Hij was de 10e president van de Verenigde Staten. Eerder was hij de 10e vicepresident van de Verenigde Staten onder president William Henry Harrison, maar na diens vroegtijdig overlijden werd Tyler na één maand al beëdigd als president. Daarvoor was hij gouverneur van Virginia, senator en lid van het Huis van Afgevaardigden.
Levensloop Jeugd en vroege carrière Tyler kwam voort uit een aristocratische familie. Zijn vader was een vriend van Thomas Jefferson, zat in het Huis van Afgevaardigden van de staat Virginia en was later gouverneur van diezelfde staat. Hij studeerde rechten en werd op 19-jarige leeftijd tot de balie toegelaten. Twee jaar later maakte hij zijn entree in de politiek met zijn verkiezing in het Huis van Afgevaardigden van Virginia. Daarvan was hij vijf jaar lid. Tyler moest weinig weten van de Britten, net als de meeste van zijn tijdgenoten. Toen tijdens de Oorlog van 1812 Hampton bezet werd en er een aanval dreigde op Richmond, de hoofdstad van zijn thuisstaat, organiseerde Tyler een kleine militie, maar een aanval bleef uit. In dezelfde periode overleed Tylers vader en erfde hij diens plantage, inclusief dertien slaven.
Lid Huis van Afgevaardigden In het Huis van Afgevaardigden kwam in eind 1816 tussentijds een zetel vrij. Tyler stelde zich verkiesbaar en won de verkiezingen namens de Democratisch-Republikeinse Partij. Deze partij wilde dat de federale overheid meer (financiële) steun zou geven aan binnenlandse verbeteringen van de infrastructuur, zoals de havens en de aanleg van (spoor)wegen. Tyler hield echter vast aan zijn eigen opvattingen dat de individuele staten verantwoordelijk waren voor die verbetering en zelf de kosten dienden te dragen. Hij nam een overeenkomstig standpunt in wat betreft de slavernij. Hij zag slavernij als slecht en deed geen poging om zich te rechtvaardigen, maar heeft ook nooit een van zijn eigen slaven de vrijheid gegund, hoewel hij goed voor ze zorgde en geen geweld tegen hen gebruikte. Hij vond dat de federale overheid weg moest blijven van het onderwerp en dat het een keuze van de individuele staten was of slavernij wel of niet werd toegestaan.
Tyler stemde daarom in 1820 ook tegen het Missouri-compromis. Dit compromis draaide om de toetreding van Missouri tot de Unie. In Missouri was de slavernij toegestaan. In de Senaat was het aantal staten waar slavernij wel en niet was toegestaan in evenwicht, maar dat zou anders komen te liggen met de toetreding van Missouri. Door het compromis zou Maine worden afgesplitst van Massachusetts en als aparte staat, waar slavernij verboden was, toetreden tot de Unie, waarmee de balans werd hersteld. Ondanks Tylers tegenstem werd het compromis aangenomen. In 1821 besloot hij zich niet meer verkiesbaar te stellen en keerde terug naar zijn rechtenpraktijk.
Gouverneur van Virginia Na twee jaar begon het advocatenvak weer te vervelen en stelde Tyler zich opnieuw - met succes - verkiesbaar voor het Huis van Afgevaardigden als afgevaardigde van Virginia. Zijn reputatie groeide en in december 1825 koos de Wetgevende Vergadering van Virginia hem als nieuwe gouverneur. Onder de oude grondwet van Virginia had hij weinig macht, hij kon zelfs geen veto over wetten uitspreken. Zijn meest opvallende optreden was de begrafenisrede na het overlijden van oud-president Thomas Jefferson.
De Wetgevende Vergadering van Virginia moest in januari 1827 beslissen of ze de zittende senator John Randolph een nieuwe termijn zou gunnen. Deze verschilde qua standpunten niet veel van Tyler, maar had ook politieke vijanden gemaakt vanwege zijn instabiele karakter en felle tegenstand tegen president John Quincy Adams en senator Henry Clay. Hun politieke bondgenoten zochten een acceptabel alternatief voor Randolph en kwamen bij Tyler uit. Deze weigerde eerst om zich kandidaat te stellen, maar de politieke druk groeide, hij zwichtte en won de verkiezing met een paar stemmen meer ten koste van Randolph.
Senator Tegelijk met Tylers verkiezing in de Senaat was ook de presidentscampagne gaande. De zittende president John Quincy Adams werd uitgedaagd door Andrew Jackson. De Democratische-Republikeinse Partij viel uit elkaar in de Nationaal-Republikeinen die Adams steunden en de Democraten die Jackson steunden. Tyler had niet veel vertrouwen in Adams omdat die geloofde in een sterke federale overheid. Hij was bang dat Jackson hetzelfde zou doen, maar had wel meer vertrouwen in hem zodat deze op zijn steun kon rekenen.
Jackson werd gekozen als president en Tyler kwam in de Senaat al vrij snel met hem in botsing. Hij was het er niet mee eens dat de nieuwe president veel vrienden en politieke bondgenoten voordroeg voor belangrijke overheidsposities en stemde tegen veel van diens voordrachten. Hij had vooral moeite met de benoeming tijdens een reces van drie commissarissen die met het Ottomaanse Rijk over een handelsverdrag moesten onderhandelen. Ondanks zijn bezwaren tegen diens beleid bleef Tyler op relatief goede voet staan met de president. Hij steunde Jackson toen deze zich in 1832 met succes herkiesbaar stelde.miniatuur|Henry Clay, olieverfschilderij (1821) door Charles Bird King, National Gallery of Art
Aan het begin van Jacksons tweede termijn raakte de federale overheid in een conflict met de staat South Carolina. In antwoord op tarieven die op sommige handelswaren werden geheven, beriep South Carolina zich op Nullification, het recht van een staat om wetten niet te handhaven als die het staatsbelang niet dienden. South Carolina verklaarde de Tariff Acts van 1828 en 1832 nietig binnen hun eigen grenzen. Jackson stuurde gewapende eenheden om de federale wetten te handhaven terwijl South Carolina dreigde zich af te zullen scheiden van de Unie. Tyler was het niet eens met dat gewapende ingrijpen, hij maakte dat duidelijk kenbaar en in de periode daarna vervreemde hij verder van de president. Hij voegde zich bij de nieuwe Whig Party die door Henry Clay was gevormd. Door zijn partijgenoten werd Tyler in 1833 gekozen als President pro tempore van de Senaat.
Kort daarna kregen de Democraten de macht in het Huis van Afgevaardigden van Virginia. In de Senaat was op dat moment een motie van afkeuring tegen president Jackson in de maak. Het Huis van Afgevaardigden van Virginia kon Tyler de instructie geven om voor te stemmen, iets waar hij zich helemaal niet in kon vinden. Eerder had Tyler als staatspoliticus ingestemd met een motie van afkeuring tegen twee politici die een instructie naast zich hadden neergelegd. Hij bevond zich in een lastige positie, diende daarom in februari 1836 zijn ontslag in en verliet de Senaat.
Vicepresident Tylers naam werd begin 1835 al genoemd als kandidaat voor het vicepresidentschap. De Whig-partij was nog niet georganiseerd genoeg om één nationale conventie te houden. In plaats daarvan nomineerden ze drie kandidaten, die elk in hun eigen regio een grote populariteit genoten. In een paar staten werd gekozen voor Tyler als running mate. Daarmee hoopten ze de Democratische genomineerde en zittend vicepresident Martin van Buren een meerderheid te onthouden in het Kiescollege, waarna het Huis van Afgevaardigden zou moeten beslissen. Tyler hoopte dat hij zou eindigen als een van de twee kandidaten voor het vicepresidentschap met de meeste stemmen en dat, wanneer het Kiescollege niet tot een beslissing kon komen en de Senaat vervolgens moest beslissen, deze voor hem zou kiezen. Van Buren haalde echter direct een meerderheid van stemmen. Zijn running mate Richard Mentor Johnson haalde net niet genoeg stemmen in het Kiescollege om vicepresident te worden, maar in het Huis van Afgevaardigden was dat vervolgens wel het geval.
Weer trok Tyler zich terug uit de politiek, maar hij keerde in 1838 alweer terug namens het Huis van Afgevaardigden van Virginia. In maart 1839 kwam er een zetel in de Senaat vacant, waarvoor Tyler een van de kandidaten was. Sommige partijgenoten bleven de zittende senator William Cabell Rives steunen en zo ontstond een impasse waardoor de Senaatszetel twee jaar lang leeg bleef.miniatuur|Een versie van het campagnelied van Harrison en Tyler in 1840, geschreven door Alexander C. Ross
In de aanloop naar de presidentsverkiezingen van 1840 was er in Amerika al drie jaar een economische crisis gaande, veroorzaakt door de Paniek van 1837. President Van Buren had geen einde weten te maken aan die crisis en dat kostte hem veel politieke steun. De Democratische Partij was opgesplitst in verschillende facties, waardoor voor de Whigs de weg naar het presidentschap open lag. Hun kandidaat zou waarschijnlijk de nieuwe president worden. Tijdens hun Nationale Conventie in 1839 in Harrisburg (Pennsylvania) koos de partij voor William Henry Harrison, die er van werd verdacht abolitionistische sympathieën te hebben. Als tegenwicht werd daarom de slaveneigenaar Tyler gekozen als zijn running mate, die bovendien afkomstig was uit een grote Zuidelijke staat. Pijnlijk was dat de gedelegeerden uit zijn eigen staat zich van stemming onthielden, vanwege het conflict rondom de vacante Senaatszetel. Harrison had sinds zijn overwinning in 1811 op de opstandige indianen als bijnaam Tippecanoe en het Whigs-duo voerde campagne met als slogan Tippecanoe and Tyler too.Tippecanoe and Tyler Too: American presidential campaign song via youtube.com De daaropvolgende verkiezing werd inderdaad door hen gewonnen.
In de aanloop naar de vorming van een nieuw kabinet hield Tyler zich grotendeels afzijdig. Harrisons hoge leeftijd en kwakkelende gezondheid was al een thema tijdens de verkiezingscampagne en in de eerste weken van zijn presidentschap ging hij snel in gezondheid achteruit. Amper een maand later, op 4 april 1841 overleed Harrison. Tyler ontving het nieuws een dag later. De Amerikaanse Grondwet was er onduidelijk over wat precies de status van de vicepresident was wanneer de president zou overlijden. Het gedeelte daarover luidde: "Wanneer de president uit zijn ambt wordt ontzet, of wanneer hij overlijdt, ontslag neemt, of niet in staat is de machten en verplichtingen van zijn ambt te vervullen, zal dit ambt overgaan op de vicepresident". Het kabinet besloot dat Tyler zou worden aangeduid als "vicepresident optredend president", maar Tyler maakte daar meteen korte metten mee en koos voor de aanduiding president, waarmee hij aangaf dat hij dezelfde rol en status had als zijn voorgangers. Gedurende zijn termijn had een deel van de oppositie daar moeite mee en bleef hem aanduiden als de "optredend president". Maar brieven waarin hij met iets anders dan 'president' werd aangesproken, liet hij ongeopend terugsturen.
Tylers overgang van vice-president tot president was destijds omstreden. Het werd echter een precedent voor latere vice-presidenten, het Tyler-precedent genaamd. Elk van de zeven presidenten die na Harrison tijdens hun presidentschap stierven, werd opgevolgd door de vice-president. Pas in de twintigste eeuw werd het Tyler-precedent ook in de wet verankerd als het 25e amendement. In deze wet staat dat wanneer een president komt te overlijden, deze zal worden opgevolgd door de vice-president. Wanneer een president ziek wordt, of door overige omstandigheden niet in staat is om het land effectief te leiden, zal deze worden vervangen door de vice-president, die in dit geval enkel als "optredend president" zal acteren. Tyler heeft door zijn voorbeeld in de 19e eeuw dus het vice-presidentschap voor de rest van de Amerikaanse geschiedenis drastisch veranderd. Het vice-presidentschap, dat eerst als een oneervolle baan werd gezien, werd nu een belangrijk onderdeel van de Amerikaanse politiek.
President miniatuur|Daniel Webster, olieverfportret (1817 à 1820) door Gilbert Stuart, Hood Museum of Art, Hanover