De Galerij Prins Willem V (oorspronkelijk het Stadhouderlijk Kabinet van Schilderijen), gelegen aan het Haagse Buitenhof naast de Gevangenpoort, was in 1774 het eerste openbare museum in Nederland. Het werd gebouwd op initiatief van prins Willem V van Oranje-Nassau, met als doel een aanzienlijk deel van de omvangrijke stadhouderlijke schilderijencollectie voor het publiek toegankelijk te maken. Na tweemaal te zijn gesloten werd het museum in 1977 heropend voor het publiek. Sindsdien zijn er werken te zien van onder andere Peter Paul Rubens, Paulus Potter en Jan Steen. Tegenwoordig functioneert het museum, met een eigen identiteit, als onderdeel van het Mauritshuis.

Geschiedenis Stadhouderlijke schilderijencollectie Prins Willem V van Oranje-Nassau had van zijn vader een hoeveelheid schilderijen geërfd, maar die verzameling was verre van een complete collectie. Veel van de werken waren door huwelijk of vererving in het buitenland terechtgekomen. De latere stadhouder was een grote kunstliefhebber; hij zal het bezit van een aanzienlijke kunstcollectie tevens hebben gezien als een middel om zijn status onder de Europese vorsten te vergroten. Als jonge prins begon de stadhouder de collectie te verrijken met nieuwe aanvullingen. Hij deed op zijn vijftiende zijn eerste aankoop: een schilderij genaamd 'Aanbidding van de koningen', dat tegenwoordig aan Salomon Koninck wordt toegeschreven. Dit schilderij bevindt zich tegenwoordig in de collectie van museum het Mauritshuis in Den Haag. Een veel beroemder stuk in zijn collectie was De stier van Paulus Potter, dat zich tegenwoordig eveneens in het Mauritshuis bevindt. In 1768 kocht de prins de gehele verzameling van Govert van Slingelandt (1694-1767) op: veertig schilderijen waaronder drie werken van Rembrandt.Jager, Maarten: Kunst van plint tot plafond: Vernieuwde Galerij Prins Willem V (...), De Telegraaf, 21-01-1994

thumb|Willem V van Oranje-Nassau, stichter van het later naar hem vernoemde museum

Stadhouderlijk Kabinet van Schilderijen Voornaamste adviseur bij de plannen van Willem V om een schilderijengalerij te stichten was hofschilder Tethart Haag, die hij ook het beheer van zijn schilderijencollectie had toevertrouwd. Hij zou later worden benoemd als eerste directeur en conservator van het Stadhouderlijk Kabinet van Schilderijen. In 1763 had Tethart Haag in opdracht van de stadhouder een inventaris opgesteld van diens schilderijenverzameling op het stadhouderlijk hof in Den Haag.Woelderink, B.: Inventaris van de archieven van stadhouder Willem V (1745-1808) en de (...), Volumes 1732-1794, pagina 55, Uitgeverij Verloren, 2005, . Gearchiveerd op 5 oktober 2018. In 1771 kocht Willem V twee huizen aan het Buitenhof 34 en 35 van de erfgenamen van Jan de la Tour, met het oog op de toekomstige bouw van zijn kunstgalerij. Dit eersteMuseale Verwervingen, Galerij Prins Willem V (eerste publiekelijk toegankelijke museum van Nederland). Gearchiveerd op 3 maart 2021. publiek toegankelijke museum van Nederland zou onderdak gaan bieden aan de belangrijkste stukken uit zijn collectie van 202 schilderijen. Tot dan toe was de stadhouderlijke kunstcollectie verspreid geweest over verschillende locaties als Paleis Het Loo, Huis Honselaarsdijk, het Stadhouderlijk Hof te Leeuwarden en Slot Oranienstein in Duitsland. Architect Philip Willem Schonck kreeg in het jaar 1773 van Willem V de opdracht om te beginnen met de bouwplannen voor zijn kunstgalerij. Met de bouw daarvan werd nog datzelfde jaar begonnen. Tegelijkertijd begon de prins zijn kunstverzameling samen te brengen in Den Haag. In afwachting van de voltooiing van de bouwwerkzaamheden bracht de stadhouder zijn collectie onder in een daarvoor gereserveerd gedeelte van het stadhouderlijk verblijf Paleis Noordeinde. thumb|Aanbidding van de koningen, door Salomon Koninck (ca. 1650). De eerste kunstaankoop van Prins Willem V

Opening in 1774 In 1774 kon stadhouder Willem V van Oranje-Nassau zijn schilderijengalerij in gebruik nemen. De indeling was geïnspireerd op die van Engelse en Italiaanse paleizen. De langgerekte galerijzaal was 25 meter lang, zes meter breed en ruim vijf meter hoog en had voldoende ramen voor een goede lichtinval. De galerijzaal was vormgegeven in Lodewijk XVI-stijl en had een origineel stucplafond van Johannes van Gorcum, hetwelk de volgende eeuwen gaaf zou doorstaan. De gehele muur werd behangen met schilderijen; van plafond tot 1,20 meter boven de vloer. Naar de smaak van die tijd werden zij, zonder enige indeling naar kunstenaar of onderwerp, groot en klein door elkaar heen, naast en boven elkaar opgehangen. Voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis kon het gewone publiek in eigen land kennisnemen van schilderkunst van eigen bodem en uit andere Europese landen. Naast vele burgers die zich kwamen vergapen aan kunstwerken die tot dan toe exclusief voor de ogen van de stadhouder en zijn gasten waren bestemd, maakten veel kunstschilders gebruik van de kans om hun eigen kennis van de schilderkunst uit te breiden, en vervaardigden er studietekeningen van de werken. Een lidmaatschap om toegang te krijgen was niet nodig en het museum genoot snel een zekere mate van populariteit. thumb|Galerijzaal thumb|Galerijzaal met buste van prins Willem V

Oorlogsbuit Eenentwintig jaar na de opening werden, ten tijde van de Bataafse Republiek, veel schilderijen door de Franse bezettingsmacht als oorlogsbuit afgevoerd naar Parijs, alwaar zij werden tentoongesteld in het net geopende Louvre in Parijs. In 1800 werd een 'Nationale Konst-galerij' in paleis Huis ten Bosch geopend voor publiek. Als voorbeeld diende het Louvre in Parijs. De Amsterdammer Jan Gerard Waldorp werd door Alexander Gogel aangesteld als 'opzichter'. In de praktijk fungeerde hij als directeur en conservator.RKd Artists database: Jan Gerard Waldorp Een aantal schilderijen uit de collectie van de Amsterdamse verzamelaar Jan Gildemeester konden toen worden aangekocht op een veiling. Bij de Vrede van Amiens van 1802 werd bevestigd dat de schilderijencollectie van de stadhouder aan de Franse staat was vervallen. Deze vrede hield echter slechts kort stand, door het uitbreken van de Derde Coalitieoorlog in 1805, waarna de voorwaarden in het verdrag als ontbonden werden beschouwd. Toen in datzelfde jaar Rutger Jan Schimmelpenninck als staatshoofd van het Bataafs Gemenebest het paleis Huis ten Bosch betrok, werd de schilderijengalerij aan het Buitenhof weer in gebruik genomen. Het gebouw was gedurende die tijd in gebruik geweest als schermschool.

Terugvordering collectie Na de Slag bij Waterloo in 1815 ging de Nederlandse regering over tot terugvordering van de schilderijencollectie. Aangezien de Fransen niet meewerkten, omsingelden Britse, Pruisische en Nederlandse militairen drie dagen lang het Louvre om, met behulp van een inventarislijst, 120 van de 202 ontvreemde schilderijen, alsmede 10.000 prenten en tekeningen, te identificeren en af te voeren. De overige schilderijen bleven als roofkunst achter in Frankrijk.https://www.omroepwest.nl/nieuws/4524594/van-bomkelder-tot-conciergewoning-dit-wist-je-niet-over-het-mauritshuis

De galerij aan het Buitenhof herkreeg zijn oorspronkelijke functie als tentoonstellingsruimte voor schilderijen. In 1816 schonk koning Willem I een groot aantal van de werken aan de Nederlandse staat. In die tijd hadden studenten vijf dagen per week toegang, liefhebbers konden bij de conciërge een gratis toegangsbewijs krijgen.

Koninklijk Kabinet van Schilderijen Toen de collectie schilderijen terugkeerde in Den Haag was de oude directeur/conservator Tethart Haag inmiddels overleden. Koning Willem I benoemde in 1816 als directeur van de tot 'koninklijk' omgedoopte kunstverzameling de jurist Johan Steengracht van Oostcapelle, een bekende verzamelaar van Hollandse Meesters uit de Gouden Eeuw.RKD Kunstenaars: Johan Steengracht van Oostcapelle. Gearchiveerd op 21 augustus 2016. In de inleiding van een beschrijving uit 1875 van de collectie van het Mauritshuis schreef Victor de Stuers dat in 1817 de verzameling schilderijen 'slechts' 133 werken telde. Hierbij was ook De stier van Paulus Potter, toentertijd het pronkstuk van de galerij. In 1822 verhuisde een groot aantal schilderijen van het 'Koninklijk Kabinet van Schilderijen' naar het destijds net gerestaureerde Mauritshuis, waarna de galerij aan het Buitenhof werd gesloten. Na de sluiting werd de oude galerij onder andere gebruikt als archiefruimte.

Het gebouw van het nieuwe museum werd in die tijd het Koninklijk Museum genoemd, terwijl de kunstverzameling uit de Galerij Prins Willem V, ook na de verhuizing werd aangeduid als het Koninklijk Kabinet van Schilderijen.Steengracht van Oostcapelle, Johan, De voornaamste schilderijen van het Koninklijk Kabinet te 's Gravenhage (...), Algemene Landsdrukkerij, Den Haag, 1830 Dit ter onderscheid van het eveneens in het Mauritshuis ondergebrachte Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden. De schilderijencollectie van Galerij Prins Willem V diende voor een belangrijk deel als basiscollectie voor dit nieuwe museum. Johan Steengracht van Oostcapelle werd de eerste directeur van het museum. Steengracht beschreef in 1827 in een tweetal catalogi de belangrijke werken, waaronder drie werken van Frans van Mieris de Oudere, drie van Jan Steen en vier van Peter Paul Rubens. Over Johannes Vermeer wist hij niet veel te vertellen, maar zijn Gezicht op Delft maakte ook in die tijd indruk.

Heropening Voordat de galerij in 1977 kon worden heropend moest het gebouw worden gerestaureerd. Een uit verschillende musea bijeengebrachte verzameling schilderijen is daarna, naar de mode en de smaak van de achttiende eeuw, opgehangen in de zogenaamde Sint-Petersburgse opstelling. Bijna iedere vierkante meter muuroppervlak werd benut, net als in de oorspronkelijke situatie.Spaans, Erik: Oudste museum Galerij Prins Willem V heropent, NRC Handelsblad, 21-01-1994 Ongeveer de helft van de schilderijen hangt te hoog om goed te kunnen worden bekeken, maar het is wel illustratief voor veel collecties in de 18e eeuw. In 1993-1994 volgde een tweede restauratie van de galerij, die nodig bleek nadat aan het licht kwam dat de eerste restauratie onvoldoende was geweest. Zo moest er asbest worden verwijderd dat in het verleden achter de wandbespanning was aangebracht.

In 2009 begon een derde restauratie waarbij onder andere het oude plafond volledig werd hersteld. Het lichtgetoogde stucplafond, met versieringen en voorstellingen in Lodewijk XVI-stijl, was in de jaren 1773-1774 aangebracht door stukadoor Johannes van Gorkum. De galerij werd op 2 september 2010 heropend door koning Willem-Alexander.Jaarverslagen Mauritshuis/Galerij Prins Willem V: Jaarverslag 2010, pagina 14. Gearchiveerd op 6 september 2021. Het museum deelt sindsdien een gezamenlijke ingangspartij met Museum de Gevangenpoort. Hoewel Galerij Prins Willem V organisatorisch deel uitmaakt van museum het Mauritshuis, stelt deze dat er sprake is van een “volwaardig museum” dat “een opzichzelf staande identiteit heeft, die losstaat van die van het Mauritshuis”.Jaarverslagen Mauritshuis/Galerij Prins Willem V: Jaarverslag 2010, pagina's 27 en 57. Gearchiveerd op 6 september 2021.

Het museumgebouw is eigendom van de Staat der Nederlanden en wordt beheerd door het Rijksvastgoedbedrijf.Jaarverslagen Mauritshuis/Galerij Prins Willem V: Jaarverslag 2017, pagina 23

Collectie De tentoongestelde schilderijen behoren grotendeels tot de collectie van het Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis. Daarnaast zijn er een aantal werken te zien die in langdurige bruikleen zijn van het Rijksmuseum Amsterdam.Jaarverslagen Mauritshuis/Galerij Prins Willem V: Jaarverslag 2010, pagina 25. Gearchiveerd op 6 september 2021.