thumb|Straat van de kindertijd: Hedebygade in Vesterbro, Kopenhagen Tove Irma Margit Ditlevsen (Kopenhagen, 14 december 1917Zelf vermeldt ze 1918 in haar autobiografisch werk, maar ze is geboren op 14 december 1917, wonende Hedebygade 30A (bron: kerkregister Kopenhagen, Kristkirkens parochie, 1917-1921, pag. 162). - aldaar, 7 maart 1976) was een Deense schrijfster en dichteres. Zowel haar fictie als haar autobiografisch werk vormt de neerslag van haar eigen leven: haar kindertijd, jeugd, liefdesrelaties, huwelijks- en gezinsleven, verslaving, angsten en psychische problemen, in het besef dat geluk onbereikbaar is. Doordat ze de vaak zware thematiek onder woorden bracht in een nuchtere, leesbare stijl met rauwe zelfspot, werd ze in eigen land een veelgelezen auteur met invloed bij het grote publiek. Haar 'schandalige' kijk op het leven was een populair onderwerp in de Deense media. Haar depressies hadden de overhand gekregen toen ze op 58-jarige leeftijd een einde aan haar leven maakte.
Van haar literaire proza verschenen in 2020 voor het eerst vertalingen in het Nederlands, van de autobiografische Kopenhagen-trilogie uit 1967-1971: Kindertijd, Jeugd en Afhankelijkheid. In 2022 volgde de roman De gezichten uit 1968,Tove Ditlevsen: De gezichten, vert. Lammie Post-Oostenbrink. Amsterdam, Das Mag, 2022. in 2023 de verhalenbundel Kwaad geluk uit 1963,Tove Ditlevsen: Kwaad geluk, vert. Lammie Post-Oostenbrink. Amsterdam, Das Mag, 2023. in 2024 haar laatste roman Vilhelms kamer uit 1975 en in 2026 een bloemlezing uit haar poëzie.Tove Ditlevsen, Er woont een meisje in me dat niet sterven wil, gedichten, selectie Olga Ravn, vert. Lammie Post-Oostenbrink. Amsterdam, Das Mag, 2026. Een biografie van Ditlevsen werd in 2023 in het Nederlands vertaald.
Levensloop Kindertijd Tove Ditlevsen groeide op in een tweekamerwoning in de toen verpauperde Kopenhaagse wijk Vesterbro, op de vierde verdieping van een achterhuis aan de Hedebygade. Die straat kwam model te staan voor de roman Barndommens gade (Straat van de kindertijd) uit 1943, Tina Brødsgaard Andersen: Analyse van Barndommes gade, Literatursiden, 10 september 2007. die in 1986 werd verfilmd met Sofie Gråbøl in de hoofdrol. (1986) (Engelse titel Early Spring) Het was een wijk met hoge werkloosheid en armoede, getekend door de wereldwijde vooroorlogse economische crisis. In de jaren twintig woonden er meer dan 80.000 mensen in kleine flatwoningen. Er was veel onrust en de straatkinderen groeiden op in een omgeving waar het recht van de sterkste gold. Tove Ditlevsen beschreef de regels in de vele achtertuinen als "seksuele voorlichting op de rand van de vuilnisbak". In Vesterbro, dat in de naoorlogse jaren een opmerkelijke statusverhoging onderging, werd in 1991 een plein naar haar genoemd: Tove Ditlevsens Plads, dicht bij de Hedebygade. De school aan dat plein kreeg in 2008 haar naam.
Haar ouders waren Kirstine Alfrida Mundus (1890-1965) en Ditlev Nielsen Ditlevsen (1880-1972), en ze had een oudere broer Edvin (1914-1970). Haar vader werd als stoker in een fabriek ontslagen toen ze zeven jaar oud was, waarna het gezin tot armoede verviel. Traumatische jeugdervaringen vormen een belangrijk thema in haar werk. In de benauwde tweekamerwoning was geen mogelijkheid zich terug te trekken. Haar gefrustreerde, vaak ruziënde ouders, die elkaar de schuld gaven van de mislukking van hun ambities, vonden het belangrijker dat ze geld inbracht dan dat ze een goede opleiding kreeg. Ze had dan ook diverse dienstbare baantjes, waarvoor ze totaal ongeschikt was.
"Zelfs je jeugd is tijdelijk, kwetsbaar en vergankelijk. Je moet erdoorheen, want verder dient 't nergens voor".
Nasleep van de kindertijd De ervaringen die Ditlevsen opdeed in de kindertijd bleven bepalend voor de manier waarop ze zich teweer stelde tegenover gebeurtenissen in haar verdere leven. Vanaf haar twaalfde jaar leed ze aan terugkerende psychoses. Ze begon gedichten te schrijven, waarmee ze zich een vrijplaats schiep om zich af te sluiten voor de grillen van haar dominante, onrustige en onberekenbare moeder. De inspiratiebronnen in haar kindertijd waren psalmen en hymnen (hoewel ze nooit godsdienstig is geweest), volksliedjes, de straatliederen van haar moeder en de strijdliederen van haar sociaaldemocratische vader. Met hem ging het contact niet diep, want hij interesseerde zich meer voor haar broer dan voor haar. Van haar werk had hij geen hoge dunk, hoewel hij graag boeken las. Volgens hem konden meisjes geen dichters worden. Haar moeder vond literatuur zelfs schadelijk, omdat haar vader veel te vaak naar een boek greep. Broer Edvin lachte haar uit toen hij op een onbewaakt moment haar gedichten vond.
Kort voor haar vaders dood in 1972 realiseerde ze zich dat ze nooit een echt gesprek met hem gehad had.
"Wijs een kind nooit af met het excuus dat je geen tijd hebt om ernaar te luisteren. De dag dat je tijd krijgt, is het kind er niet meer".
Als schrijfster bleef ze trouw aan haar proletarische achtergrond, waarvan ze zich in haar kindertijd bewust was geworden. Ze kwam op voor de zwakkeren en tegelijk hunkerde ze voor zichzelf naar erkenning en een steeds hogere positie op de maatschappelijke ladder. Haar leven werd beheerst door faalangst en onzekerheid over de oordelen van anderen.
"Ik ben bang voor de plaats die ik heb in het geheugen van anderen. Ze herinneren mij aan dingen die ik zelf niet meer weet".
Tegelijkertijd was ze een onafhankelijke geest die zich niets liet voorschrijven en graag provoceerde. Haar levenshouding is wel omschreven als "op zoek naar het roekeloze".Liddie Austin, Mental health: Het leven van een roekeloze schrijver: Tove Ditlevsen, Flow, 1 april 2024. Ze nam luidruchtig en uitdagend deel aan het openbare discours en gaf haar ongezouten meningen in vele interviews.Jeg holder skam kæft med meget - Samtaler med Tove Ditlevsen. Bezorgd door Nynne Oldenburg, uitg. Frederikke Lett, 2023. Ze kon de waarheid naar haar hand zetten als haar dat uitkwam. Zo heeft ze zich altijd een jaar jonger voorgedaan dan ze was. De veelgeroemde, typisch Deens geachte hygge ("knusheid"), die ze als kind nooit gekend had en ook daarna niet praktiseerde, bekeek ze met sarcasme:
"Hygge is een toestand die je ervaart als je in harmonie bent met jezelf, je echtgenoot, de belastingdienst en je ingewanden".
Huwelijks- en gezinsleven thumb|Ditlevsen en Victor Andreasen(pas getrouwd, 1951) Toves huwelijksleven was ongelukkig. De eerste drie echtgenoten volgden elkaar snel op. Met haar rusteloze aard hield ze hen niet lang vast; de volgende diende zich alweer aan. Ze was van 1940 tot 1942 getrouwd met de 30 jaar oudere tijdschriftredacteur Viggo Frederik Møller (1887-1955) die in 1937 haar eerste gedichten had gepubliceerd, van 1942 tot 1945 met de economiestudent Ebbe Munk (1916-1970) en van 1945 tot 1950 met de arts Carl Theodor Ryberg (1918-1962). Ze had begin jaren veertig ook enige tijd een verhouding met de wiskundige, kunstenaar en epigrammendichter Piet Hein (1905-1996). Ze imiteerde zelfs zijn aforistische 'gruk'-stijl:
"Der er to mænd i verden, der bestandig krydser min vej, den ene er ham jeg elsker, den anden elsker mig""Er zijn twee mannen ter wereld, die kruisen steeds mijn pad, de een is hij van wie ik hou, de ander houdt van mij".
Haar vierde, langdurigste en meest spraakmakende echtgenoot was van 1951 tot 1973 de econoom (1920-2000), een scherpzinnige en overheersende persoonlijkheid die even complex was als zijzelf. "Er was iets raadselachtigs in zijn karakter dat me steeds aantrok", schreef ze, maar ook noemde ze hem "een hoogbegaafde psychopaat", wiens dominante en onberekenbare gedrag haar deed denken aan haar moeder. "Daar bedoel ik niks mee", zei ze, "ik ben zelf ook een psychopaat".
Zijn biograaf Sven Ove Gade, die hem "de ulaan" noemde, geeft geen sympathiek beeld van Andreasen:
"De gedrevenheid van Victor A. ging hand in hand met een flinke dosis cynisme en egoïsme. Misschien een gevolg van zijn licht manisch-depressieve geest, die varieerde van melancholie tot razernij en haat, of misschien eigenlijk minachting".
Tove Ditlevsen was zijn tweede echtgenote.Victor Johannes Andreasen was van 1944 tot 1950 getrouwd met Inger Margrethe Nielsen (geb. 1916), van 1951 tot 1973 met Tove Ditlevsen en van 1984 tot zijn dood in 2000 met de schilderes Vibeke Bengtsson (geb. 1932). Hij liet zijn vrouw Inger Nielsen en vierjarige dochter Brigitte onmiddellijk in de steek toen hij haar had leren kennen, met de woorden "Wij hebben het recht van de liefde aan onze kant". Tove beaamde dat: "Dat recht is het recht om anderen pijn te doen". Andreasen was topambtenaar bij Udenrigsministeriet (Buitenlandse Zaken) en werkte als speechschrijver voor de sociaaldemocratische politicus Jens Otto Krag. Hij stapte in 1958 over naar de journalistiek, waarna Krag hem in 1962 voor korte tijd terughaalde als departementschef.Merete Harding, Verner Jespersen, Victor Andreasen in Dansk Biografisk Leksikon, laatste wijziging 3 november 2014, geraadpleegd 21 april 2026. Hij werd in 1963 hoofdredacteur van het dagblad Ekstra Bladet, dat hij van de ondergang redde door er een sensatiekrant van te maken die in een agressieve stijl campagne voerde tegen misstanden in de samenleving. Zo verklaarde hij de oorlog aan de "bolighajer" (huisjesmelkers, letterlijk "woninghaaien"). Tegen het eind van zijn leven zei hij: "Ik verachtte de lezers. Daarbij wist ik wat ze wilden, en dat kregen ze". Anders dan Tove Ditlevsen is Andreasen (net als Piet Hein) opgenomen in de top-100 van belangrijkste 20e-eeuwse Denen. Claus Hagen Pedersen, Connie Hedegaard (red.), Det 20. århundrede – De 100 mest betydningsfulde personer i Danmark. Aschehoug, Kopenhagen, 1999. In 2023 maakte zijn reputatie postuum een diepe val door onthullingen van Ditlevsens kleindochter → zie hier.
Ditlevsen kreeg een dochter en twee zonen, ieder van een andere vader: Helle Munk (1943-2008), Michael Ryberg (1946-1999) en Peter Andreasen (1954), zodat ze drie kinderen grootbracht. Ook adopteerde ze aanvankelijk Trine, de in 1945 geboren buitenechtelijke dochter van Carl Ryberg, die het kind meenam toen hij in 1950 vertrok. Door een deel van de literatuurkritiek werd ze afgedaan als een "schrijvende huismoeder"; haar reactie daarop was het autobiografische Flugten fra opvasken (De vlucht uit de afwas) in 1959.
Verslaving, depressies, psychoses thumb|"Enorm appartement" aan H.C. Andersens Boulevard 41 (tweede pand rechts, donkerrode gevel). De spitse toren is van het Stadhuis van Kopenhagen. thumb|Sankt Hans Hospital, gesloten inrichting in Roskilde waar Ditlevsen enige tijd verbleef. Carl Ryberg, niet-praktiserend arts, had haar opiumhoudende pijnstillers (pethidine) toegediend bij het uitvoeren van een abortus. De ingreep zelf (ze was opnieuw zwanger van Ebbe Munk) leek haar minder te doen dan het verdovende effect:
"Pethidine. De naam klinkt als het gefluit van een vogel. Ik besluit de man die me zo'n onbeschrijflijk zalig gevoel kan geven nooit meer te laten gaan".Tove Ditlevsen, Afhankelijkheid, 1971, vertaling 2020.
Sindsdien kampte ze met ernstige verslavingen aan alcohol en verdovende middelen. Ze verliet Ebbe Munk om te trouwen met Ryberg, maar ook hem liet ze na enkele jaren wel degelijk gaan:
"Ik hou van een heldere vloeistof in een spuit en niet van de man die de spuit had".
Ondanks heftige pogingen van haar vierde echtgenoot Victor, die nachtenlang opbleef om bij haar te waken, kwam ze nooit meer van haar verslaving af. In december 1952 moest ze in het ziekenhuis worden opgenomen na het nemen van een overdosis slaappillen. Om rust te vinden verhuisden ze naar Birkerød ten noorden van Kopenhagen, waar hun zoon Peter werd geboren.
"Zeven of acht gelukkige jaren in Birkerød, waar wij en de kinderen zo geïsoleerd leefden als op een onbewoond eiland".