thumb|La Liberté guidant le peuple (De Vrijheid voert het Volk aan) van Eugène Delacroix waarop Marianne het Franse nationalisme symboliseert tijdens de Julirevolutie in 1830 miniatuur|De droom van wereldwijde democratische en sociale republieken – Het pact tussen naties, een prent opgesteld door Frédéric Sorrieu, 1848 Nationalisme is een idee en beweging die stelt dat de natie congruent moet zijn met de staat. Als een beweging veronderstelt het het bestaan ervan en neigt het naar het bevorderen van de belangen van een bepaalde natie, vooral met als doel het verkrijgen en behouden van haar soevereiniteit (zelfbestuur) over haar waargenomen thuisland om een nationale staat te creëren. Het stelt dat elke natie zichzelf moet besturen, vrij van externe inmenging (zelfbeschikking), dat een natie een natuurlijke en ideale basis is voor een politieke entiteit, en dat de natie de enige rechtmatige bron van politieke macht is. Het streeft er verder naar om een enkele nationale identiteit op te bouwen en te handhaven, gebaseerd op een combinatie van gedeelde sociale kenmerken zoals cultuur, etniciteit, geografische locatie, taal, politiek (of de regering), religie, tradities en geloof in een gedeelde enkelvoudige geschiedenis, en om nationale eenheid of solidariteit te bevorderen. Nationalisme zoekt daarom naar het behoud en de bevordering van de traditionele cultuur van een natie. Er zijn verschillende definities van een "natie", wat leidt tot verschillende soorten nationalisme. De twee belangrijkste uiteenlopende vormen die door geleerden zijn geïdentificeerd, zijn etnisch nationalisme en staatsnationalisme.

Vanaf het einde van de 18e eeuw, vooral met de Franse Revolutie en de verspreiding van het principe van volkssoevereiniteit of zelfbeschikking, ontwikkelt zich het idee dat "het volk" moet regeren door politieke theoretici. Drie hoofdtheorieën zijn gebruikt om het ontstaan van nationalisme te verklaren:

Primordialisme (eeuwigheid) ontwikkelde zich parallel aan nationalisme tijdens het romantische tijdperk en stelde dat er altijd al naties zijn geweest. Deze opvatting is sindsdien door de meeste geleerden verworpen, en naties worden nu gezien als sociaal geconstrueerd en historisch contingent. De moderniseringstheorie, momenteel de meest gangbare theorie van nationalisme, neemt een constructivistische benadering aan en stelt dat nationalisme is ontstaan door processen van modernisering, zoals industrialisatie, verstedelijking en massaonderwijs, die nationaal bewustzijn mogelijk hebben gemaakt. Voorstanders van deze theorie beschrijven naties als "verbeelde gemeenschappen" en nationalisme als een "uitgevonden traditie" waarin gedeelde gevoelens zorgen voor een vorm van collectieve identiteit en individuen binden in politieke solidariteit. Een derde theorie, etnosymbolisme, verklaart nationalisme als een product van symbolen, mythen en tradities, en wordt geassocieerd met het werk van Anthony D. Smith.

De morele waarde van nationalisme, de relatie tussen nationalisme en patriottisme, en de verenigbaarheid van nationalisme en kosmopolitisme zijn allemaal onderwerpen van filosofisch debat. Nationalisme kan worden gecombineerd met diverse politieke doelen en ideologieën zoals conservatisme (nationaal conservatisme en rechts-populisme) of socialisme (linksnationalisme). In de praktijk wordt nationalisme gezien als positief of negatief, afhankelijk van zijn ideologie en resultaten. Nationalisme is een kenmerk geweest van bewegingen voor vrijheid en rechtvaardigheid, is geassocieerd met culturele oplevingen, en moedigt trots aan op nationale prestaties. Het is ook gebruikt om raciale, etnische en religieuze verdeeldheid te legitimeren, minderheden te onderdrukken of aan te vallen, mensenrechten en democratische tradities te ondermijnen, en oorlogen te beginnen, waarbij het vaak wordt genoemd als een oorzaak van zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog.

Terminologie thumb|Titelpagina van de tweede editie van De jure belli ac pacis. (Amsterdam 1631) thumb|Een ansichtkaart uit 1916 waarop nationale personificaties van enkele Geallieerden van de Eerste Wereldoorlog worden getoond, elk met een nationale vlag in de hand. Het vaktechnische gebruik in het internationaal recht van de begrippen "natie", "soevereiniteit" en andere, daarmee verbonden concepten, werd aanzienlijk verfijnd met het werk van Hugo de Groot, De jure belli ac pacis, in het begin van de 17e eeuw. Hij leefde tijdens de Tachtigjarige oorlog tussen Spanje en Nederland en de Dertigjarige oorlog tussen de katholieke en protestantse naties in Europa. De Groot maakte zich diepgaand zorgen over conflicten tussen naties in de context van internationale, religieuze verschillen. Het woord 'natie' werd ook vóór 1800 in Europa gebruikt om te verwijzen naar de inwoners van een land, evenals naar collectieve identiteiten die gedeelde geschiedenis, wetten, taal, politieke rechten, religie en tradities konden omvatten, in een zin die meer lijkt op de moderne opvatting.

Nationalisme, afgeleid van het zelfstandig naamwoord 'natie', is een nieuwer woord; in de Engelse taal dateert het van rond 1798. De term kreeg meer bekendheid in de 19e eeuw. Na 1914 kreeg de term steeds meer negatieve connotaties. De historica Glenda Sluga merkt op dat "De twintigste eeuw, een tijd van diepe teleurstelling met het nationalisme, ook het grote tijdperk van mondialisering was."

Academici definiëren nationalisme als een politiek principe dat stelt dat natie en staat congruent met elkaar zijn. Volgens politicologe Lisa Wedeen veronderstelt de nationalistische ideologie dat "het volk" en de staat onderling congruent zijn.

Geschiedenis Oorsprong Anthony D. Smith beschrijft de vooraanstaande rol van intellectuelen bij het genereren van culturele percepties van nationalisme, en bij het verschaffen van een ideologische basis voor het politiek nationalisme:Overal in Europa, is hun sturende rol bij het genereren en analyseren van de concepten, mythen, symbolen en ideologie van het nationalisme duidelijk zichtbaar. Dit geldt voor de nieuwe, nationalistische kerndoctrine, en voor de oudere, eraan voorafgaande concepten van 'nationaal karakter', 'nationaal genie' en 'nationale wil'.Smith stelt dat de uitdagingen die traditionele religie en maatschappij in de vroegmoderne tijd tegenkwamen, veel intellectuelen aanzetten tot het "ontdekken van alternatieve principes en concepten, en een nieuwe mythologie en symboliek, om menselijk denken en handelen te rechtvaardigen en een basis te geven." Smith bespreekt daarnaast het gelijktijdig opkomende 'historicisme', dat zich kenmerkt door een geloof in de geboorte, groei en verval van specifieke volkeren en culturen, en dat "steeds aantrekkelijker werd als een kader voor onderzoek naar het verleden en heden, en tot een verklarend principe werd bij het duiden van de betekenis van gebeurtenissen, van verleden en heden."

De Pruisische geleerde Johann Gottfried Herder (1744-1803) introduceerde de term 'nationalisme' in 1772, in zijn "Verhandeling over de oorsprong van de taal", waarin hij de rol van een gemeenschappelijke taal benadrukte. Hij hechtte groot belang aan de begrippen nationaliteit en patriottisme - "wie zijn patriottische geest verloren heeft, heeft zichzelf en de hele wereld om zich heen verloren", terwijl hij onderwees dat "in zekere zin elke menselijke volmaaktheid nationaal is". Erica Benner identificeert Herder als de eerste filosoof die expliciet suggereerde "dat identiteiten gebaseerd op taal beschouwd moeten worden als de primaire bron van legitieme politieke autoriteit of als de locus van politiek verzet." Herder stimuleerde ook de creatie van een gemeenschappelijk cultureel- en taalbeleid onder de afzonderlijke Duitse staten.

Datering van het ontstaan van het nationalisme thumb|links|Washington crossing the Delaware op een schilderij van Emanuel Leutze.In zijn uitvoering van het thema richt Leutze zich sterk op het creëren van een effect en het opwekken van een nationalistische, emotionele reactie bij de toeschouwers. Geleerden plaatsen het begin van het nationalisme vaak in de late 18e eeuw of het begin van de 19e eeuw, met de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring of met de Franse Revolutie. volgens de huidige consensus in de geschiedschrijving werd nationalisme als concept stevig gevestigd in de 19e eeuw. In geschiedenisboeken over het nationalisme wordt de Franse Revolutie (1789) gezien als een belangrijk startpunt, niet alleen vanwege de impact op het Franse nationalisme, maar nog meer vanwege de impact op Duitsers en Italianen en op Europese intellectuelen. Het sjabloon van nationalisme, als een methode om de publieke opinie te mobiliseren rond een nieuwe staat gebaseerd op het principe van volkssoevereiniteit, gaat verder terug dan 1789. Filosofen als Rousseau en Voltaire, wier ideeën de Franse Revolutie beïnvloedden, waren zelf geïnspireerd door het voorbeeld van eerdere constitutionele bevrijdingsbewegingen, met name de Corsicaanse Republiek (1755-1768) en de Amerikaanse Revolutie (1775-1783).

Door de industriële revolutie ontstond er een geïntegreerde, nationale economie, en een nationale publieke sfeer, waarin de Britse bevolking zich ging engageren op het niveau van de staat, in plaats van dat van de kleinere provincie, stad of familie. Een populair Brits patriottisch nationalisme ontstond halverwege de 18e eeuw, en werd actief bevorderd door de Britse regering en door schrijvers en intellectuelen. Nationalistische symbolen, volksliederen, mythen, vlaggen en verhalen werden ijverig geconstrueerd door nationalisten en algemeen geadopteerd. De Union Jack werd in 1801 aangenomen als de nationale vlag. Thomas Arne componeerde het patriottische lied "Rule, Britannia!" in 1740, en de cartoonist John Arbuthnot bedacht het personage van John Bull als de belichaming van de Engelse nationale geest in 1712.

De politieke omwentelingen van het einde van de 18e eeuw, geassocieerd met de Amerikaanse en Franse Revolutie, vergrootten de aantrekkingskracht van het patriottisch nationalisme. Napoleon Bonaparte's opkomst tot de macht versterkte het nationalisme verder toen hij een groot deel van Europa binnenviel. Napoleon gebruikte deze gelegenheid om revolutionaire ideeën te verspreiden, en de opkomst van het 19e-eeuwse Europese nationalisme is hiertoe grotendeels te herleiden.

Sommige geleerden betogen dat varianten van nationalisme al vóór de 18e eeuw opkwamen. De Amerikaanse filosoof en historicus Hans Kohn schreef in 1944 dat nationalisme ontstond in de 17e eeuw. In "Britons, Forging the Nation 1707–1837" onderzoekt Linda Colley hoe de rol van nationalisme rond 1700 opkwam en zich ontwikkelde in Groot-Brittannië, tot volle vorm kwam in de jaren 1830. Kort na de Eerste Wereldoorlog traceerde de populaire Britse auteur H.G. Wells de oorsprong van het Europese nationalisme naar de nasleep van de Reformatie, toen laatstgenoemde beweging de morele leegte vulde die was ontstaan door het afnemende geloof in het christendom:"Toen het idee van het christendom als een wereldbroederschap in diskrediet raakte vanwege de verstrengeling met het priesterdom en het pausdom enerzijds, en met de autoriteit van vorsten anderzijds, ging het tijdperk van het geloof over in het huidige tijdperk van twijfel en ongeloof. Mensen verschoven de focus van hun leven van het koninkrijk van God en de broederschap van de mensheid, naar deze ogenschijnlijk meer levende realiteiten, Frankrijk en Engeland, Heilig Rusland, Spanje, Pruisen [...] In de dertiende en veertiende eeuw was de algemene bevolking van Europa religieus en slechts vaag patriottisch; tegen de negentiende eeuw was het volledig patriottisch geworden."

19de eeuw miniatuur|Senator Johan Vilhelm Snellman (1806–1881), tevens filosoof, journalist en auteur, was een van de invloedrijkste Finnomanen en Finse nationalisten in de 19e eeuw.