thumb|Afbeelding van een Rajputruiter in The World in Miniature: Hindoostan door Frederic Shoberl (rond 1820-1830). De Rajputs of Rajputen (Hindi: राजपूत, rājpūt, raja: koning, putra: zoon) zijn een machtige, adellijke en strijdlustige kaste op het Indisch Subcontinent, vooral in de Indiase staat Rajastan (voorheen Rajputana) en een deel van Gujarat. De Rajputs zijn een Indische kaste en bestaan uit verschillende clans.
In de 7e eeuw begonnen heersers in Rajasthan zichzelf op heldenstenen als heer te betitelen. Clans als de Pratihara's, Guhila's en Chahamana's wisten hun status te verhogen tot mahasamanta (letterlijk grote naburige), vazallen van lokale rijken. (2010): A History of India, Blackwell Het zou echter nog geruime tijd duren voordat de latere rajput-identiteit werd gevormd. Het woord rajput werd voor het eerst in de Kanhadade Prabandha uit de vijftiende eeuw gebruikt, in plaats van rajaputra. (2007) De identiteit van de rajput ontwikkelde zich in deze periode en bestaat uit vier onderdelen, de trouw aan geloften en het slagveld, de buitengewone daden op het slagveld, de zelfverbranding van de vrouwen van rajputs die omkwamen in de strijd – als jauhar voor de strijd of als sati na de strijd – en de tragisch-heroïsche plot van het rajput-verhaal. De term rajput is ondanks veelvuldig gebruik, ook in de moderne geschiedschrijving, een anachronisme als het betrekking heeft op dynastieën en clans van voor de vijftiende eeuw. (2016): The Last Hindu Emperor. Prithviraj Chauhan and the Indian Past, 1200-2000, Cambridge University Pres Veel van de rajputs uit de zestiende en zeventiende eeuw stamden ook niet af van de oude dynastieën die wel als rajput worden aangeduid. (2001): Caste, Society and Politics in India from the Eighteenth Century to the Modern Age, Cambridge University Press, p. 34
Oorsprong De rajputs kennen verschillende zuiveringsmythes die moeten verklaren dat zij legitieme afstammelingen zijn uit de hogere varna's. Onder de Britten kon deze vermeende buitenlandse afkomst van de rajputs gebruikt worden om de koloniale overheersing te rechtvaardigen. De nationalistische geschiedschrijving had juist belang bij een afstamming van kshatriya's, aangezien de rajputs dan vedische ariërs zouden zijn. Deze zoektocht is echter misleidend, aangezien het geen etnische groepen waren. De rajputs werden waarschijnlijk pas vanaf de zestiende eeuw de strijderskaste zoals zij dit wilden uitdragen. Van de elfde tot die tijd was het waarschijnlijk een functiegebonden titel die niet overerfbaar was. Dit maakt de zoektocht naar een enkele oorsprong vruchteloos: One of the longest-standing and most fruitless discussions in Indian history has been over the origin of the Rajputs. The word itself, from rajaputra, means only ‘son of a king’ and gives no indication of place, caste, or other identifying markers. (1994): Marathas, Marauders, and State Formation in Eighteenth–Century India, Oxford University Press, p. 183
Desondanks hebben historici de rajput-identiteit gelijkgesteld aan die van de rajaputra's, rauta's en thakkura's uit deze periode en de oorsprongsmythes zijn hardnekkig en klinken nog door in historische verhandelingen.
Agnikula Vier clans van rajputs hebben als oorsprongsmythe dat zij agnikula zouden zijn. De Prithviraj Raso kent verschillende recensio's en de in vroegst bekende versie was Manik Rai de eerste koning van de Chahamana-dynastie en werd deze geboren uit een brahmaans offer. De meest populaire variant kent echter de Agnikula-legende die stelt dat Chahavana, de voorvader van de Chahamana's, uit een vuuroffer (yajna) van Vishvamitra op de Abu werd geboren en daarmee afstammeling van de vuurgod Agni zou zijn. Naast de Chahamana's (Chauhan) zouden ook de Paramaradynastie, de Pratihara's (Parihara) en de Chalukya's (Solanki) afstammen van Agni. Ook de Nava-sahasanka-charita stelde dat de Paramaradynastie afstamde van Agni.
Buitenlandse oorsprong James Tod (1782-1835) stelde dat de voorouders van de rajputs Saken (Scythen) of Kushana waren vanaf de tweede eeuw v.Chr. of de Witte Hunnen die rond 480 een einde maakten aan het rijk van de Gupta's. Uit de aan de Hunnen gerelateerde Gurjara zouden de hogere rajput-families zijn voortgekomen. Na een proces van sanskritisering zouden deze zich hebben willen conformeren aan de brahmaanse institutie van kshatriya en met de agnikula of agni-vamsha een mythische oorsprong hebben gezocht vergelijkbaar met de zonnedynastie (surya-vamsha) en de maandynastie (chandra-vamsha). (1829-32): Annals and Antiquities of Rajasthan, or the Central and Western Rajpoot States, Smith, Elder and Company Deze theorie vond niet alleen aanhang onder Britse historici, maar ook onder Indische historici als D.R. Bhandarkar.
Beroepsgroep Vincent Arthur Smith (1843-190) dacht dat de rajputs vooral een beroepsgroep waren waarbij afkomst ondergeschikt was en waar dan ook verschillende rassen bij elkaar werden gegroepeerd. In het noorden zouden er dan meer migranten zijn, terwijl de rajputs uit het zuiden meer uit de oorspronkelijke bevolking zouden komen. (1904): The Early History of India. From 600 B.C. to the Muhammadan conquest including the invasion of Alexander the Great, Clarendon
Kshatriya's Gaurishankar Hirachand Ojha (1863-1947) en Chintaman Vinayak Vaidya (1861-1938) waren nationalistische historici die stelden dat de rajputs werkelijk arische kshatriya's waren van de zonne- en maandynastieën die in de vroege middeleeuwen aan de macht kwamen. Dat baseerden zij op gelijkenissen in gebruiken en fysiek voorkomen. De negende en tiende eeuw zouden volgens Vaidya de gelukkigste periode zijn geweest in de Indische geschiedenis.
Brahmanen Jai Narayan Asopa (1926) stelde ook dat de rajputs ariërs waren, maar volgens hem waren het oorspronkelijk geen kshatriya's, maar brahmanen. (1976): Origin of the Rajputs, Bharatiya
Rajputisering Brajadulal Chattopadhyaya (1939) beschouwde de zoektocht naar de oorsprong van de rajputs als red herring, het leidde af van de werkelijke wordingsgeschiedenis. (1998) Chattopadhyaya zag een proces van rajputisering, vergelijkbaar met sanskritisering, waarbij clans die politieke macht verkregen hun sociale status daarbij wilden laten aansluiten en daar oorsprongsmythes bij lieten fabriceren. Om dit te illustreren, maakte hij een overzicht van de wordingsgeschiedenis van de oorsprongsmythes van de Pratihara's, Guhila's en Chahamana's. Zodra een clan meer zelfstandigheid verkreeg, verdween de aanvankelijke ondergeschiktheid als vazal uit oorsprongsmythes. Zo is er een archiefstuk van de Guhila's uit 1145 uit Mangrol in het zuiden van Gujarat waarin drie generaties van de Guhila's genoemd worden als heersers over Mangalapura, als ondergeschikten aan de Chalukya's. In andere documenten uit die tijd wordt echter teruggegrepen op een respectabele afstamming. Clans probeerden zo een brahmaanse of kshatriyaanse afstamming te fabriceren die niet in oudere archiefstukken te vinden is. Bij een inscriptie van de Pratihara's uit 837 wordt genoemd dat de brahmaan Haricandra twee vrouwen had, een van brahmaanse afkomst en de ander van kshatriyaanse afkomst. In een inscriptie uit 861 is de brahmaanse vrouw verdwenen.
De genealogieën zoals deze zijn overgeleverd, zijn dan ook waarschijnlijk meer een overzicht van de politieke ontwikkelingen en de pogingen om de sociale status te verbeteren, dan dat deze de werkelijke oorsprong onthullen. Het lijkt erop dat rajputisering een effectieve en inventieve manier was om de sociale mobiliteit te vergroten. In de vroege periode was rajput waarschijnlijk vooral een politieke status, terwijl vanaf de elfde-twaalfde eeuw ook afstamming een rol ging spelen. Er lijkt ook sprake te zijn geweest van dynastificering, waarbij heersers bij elkaar werden gegroepeerd zonder dat duidelijk was of er wel een verband tussen hen bestond. Mogelijk ging de rajputisering van deze clans gepaard met een verlies van politieke macht en status van de traditionele kshatriya's.
Een groot deel van de raputs was waarschijnlijk afkomstig uit pastorale of agrarische gemeenschappen. Mogelijk verkregen enkelen daaruit via de krijgsdienst machtsposities. Aanvankelijk lijken dit ambtelijke en militaire posities te zijn geweest op basis van persoonlijke inzet en kwaliteiten (verwerving), waarbij erfopvolging (toewijzing) een ondergeschikte rol speelde. Deze posities waren relatief open en pas later werden de rajputs een meer gesloten kaste. Mogelijk is verwarring ontstaan doordat de betekenis van rajaputra, rauta en thakkura als onveranderlijk is aangenomen en samenvallend met de latere, erfelijke, betekenis van rajput. Thakkura lijkt echter aanvankelijk een aangestelde bestuurder te zijn geweest van een dorp of district en pas later als adellijke titel te zijn geworden. Rauta en rajaputra hebben een etymologisch verband en aangezien rajaputra uiteindelijk rajput werd, hebben veel historici rauta vertaald als rajput, maar dit lijkt niet gerechtvaardigd voor de periode voor het Mogolrijk. De rauta lijkt net als de thakkura onderdeel te zijn geweest van het bestuur, maar dan vooral op dorpsniveau. Beide functies werden wel overgedragen van vader op zoon, maar dat was niet altijd het geval. De titel rajaputra suggereert dat het de zoon van een koning betreft, maar de titel lijkt in de loop der tijd ook aan militaire bevelhebbers en bestuurders te zijn gegeven die niet van koninklijken bloede waren. De Kadmal-inscriptie uit 1083 verhaalt over rajaputra Sagamda uit de Chahamana-dynastie, maar diens zoon Ranadhavala wordt genoemd als koninklijke boodschapper (dutaka) en niet als rajaputra, wat erop kan duiden dat de titel niet erfelijk was, maar functiegebonden. Dat is ook een mogelijke conclusie voor Salakhanara, de zoon van rajaputra Upalara uit de Solanki-dynastie, die zelf niet als rajaputra genoemd wordt in de Paldi-inscriptie uit 1116. De Lalrai-inscriptie uit 1176 verhaalt over gouverneur Kirtipala uit de clan van de Chahamana's, de jongere broer van koning Kelhanadeva. De zonen van Kirtipala, Lakhanapala en Abhayapala, zijn hier aangeduid als rajaputra, hoewel het de neefjes waren van de koning. De oudste zoon en opvolger van Kirtipala, Samarasimha, wordt genoemd in de Jalor-inscriptie uit 1182. Zijn oom van moederszijde Jojala, wordt hier rajaputra genoemd. Mogelijk was hij zoon van een koning uit een andere lijn, maar hij kan deze titel ook te danken hebben gehad aan zijn positie in de hofhouding. De Naṇa-inscriptie uit 1180 noemt generaal Rajasimha uit de Paramaradynastie ook een rajaputra.
Geschiedenis Dynastieën die pas later de rajput-identiteit aannamen, zijn door eigen aanpassing van genealogieën en door historici wel met terugwerkende kracht als rajput beschouwd. Zo zijn koninkrijken die bijna een millennium voor de vorming van de rajput-identiteit bestonden, wel betiteld als rajput-koninkrijken. Dit waren echter hooguit de voorlopers van de rajputs uit de zestiende eeuw.
Voorlopers thumb|300px|Politieke kaart van India tussen 750 en 900: na het uiteenvallen van het rijk van Harsha werd de heerschappij over de streek rond de stad Kannauj in de westelijke Gangesvlakte bevochten door onder andere de Pala's uit het oosten, Gurjara-Pratihara's uit het westen en Rashtrakuta's uit het zuiden