De Leclerc is een moderne gevechtstank van Franse makelij.
De directe ontwikkeling van de Leclerc begon in december 1982. De tank is sinds 1995 in gebruik bij het Franse leger en het leger van de Verenigde Arabische Emiraten, de enige twee afnemers. In de jaren negentig was de Leclerc de meest geproduceerde westerse tank. In 2008 is de productie voorlopig beëindigd nadat 794 voertuigen gefabriceerd waren door GIAT. Het type wordt vaak gezien als de meest geavanceerde operationele tank ter wereld, wegens de combinatie van een zeer zware bepantsering, hoge snelheid, hydropneumatische ophanging, een automatische kanonlader, geïntegreerde elektronica en een hypermodern vuurcontrolesysteem. De tank heeft echter ook een reputatie van mechanische onbetrouwbaarheid.
Ontwikkelingsgeschiedenis In 1964 gaf het Franse opperbevel de opdracht voor de ontwikkeling van een opvolger van de AMX 30, hoewel die laatste tank nog twee jaar van serieproductie verwijderd was. Het project heette de Engin Principal Prospectif. De naam geeft al aan dat het onderzoek erg vrijblijvend was en het kreeg weinig aandacht. Dat veranderde in 1971 toen de dreigende introductie van een nieuwe generatie tanks van de Sovjet-Unie, de T-64 en de T-72, die op veel punten superieur waren aan de bestaande westerse tanks uit die periode, tot een grotere activiteit noopte. De Directions des Armements Terrestres begon dat jaar een studie naar een Char Futur ("toekomstige tank"), volgens richtlijnen opgesteld door de generale staf. In 1975 werd een werkcomité ingesteld dat in 1977 overeenstemming bereikte over een lijst specificaties. In 1978 werd begonnen met de eerste van een reeks haalbaarheidsstudies. Al snel bleek dat Frankrijk bij bepaalde sleuteltechnologieën een achterstand had opgelopen ten opzichte van andere westerse landen. Pogingen in die periode om de AMX 30 te verbeteren tot de AMX 32 en later AMX 40 leverden geen erg geavanceerde voertuigen op. 1990, The AMX LECLERC: French Armour Enters the 21st Century, Military Technology No. 9/90, pp. 79-86
miniatuur|De AMX 32 was de eerste poging tot het scheppen van een betere tank, hier afgebeeld op een Willème.
In 1979 werd daarom getracht aansluiting te vinden met de Duitse tankontwikkeling, ook met het doel te komen tot een Europese standaardtank voor de jaren negentig die in tien landen de AMX 30 en Leopard 1 kon vervangen. De Fransen noemden dit voertuig de Napoléon I, de Duitsers de Kampfpanzer 3. De samenwerking, waarvoor de overeenkomst in februari 1980 getekend werd, verliep niet gemakkelijk: over bepaalde zeer algemene ontwerpdoelen was men het wel eens maar er bleven grote verschillen in opzet. Frankrijk wilde een tank in de 40-45 ton gewichtsklasse met heel moderne componenten maar een traditionele vorm; Duitsland wilde juist de al voor de Leopard 2 ontwikkelde onderdelen, die hun waarde bewezen hadden, gebruiken voor een heel nieuwe configuratie, het liefst een gemechaniseerd geschut met een 120 mm dubbelkanon, dat zwaarder bepantserd (en ook vrij zwaar: tot 60 ton) en trefzekerder kon zijn zonder de toepassing van risicovolle nieuwe technologie.
In december 1982 kondigde Frankrijk aan op dit punt de samenwerking met Duitsland te verbreken en een eigen voertuig te gaan ontwikkelen: de EPC, wat stond voor Engin Principal de Combat ("hoofdgevechtsmotorvoertuig"). Men zag af van de mogelijkheid snel een "derde generatie-tank" te verwerven door de Leopard 2 of de Amerikaanse M1 Abrams of Britse Challenger 2 aan te schaffen.
left|miniatuur|De AMX 40 was de tweede poging
Om de kostprijs van het project te verminderen werd een buitenlandse geldschieter gezocht en gevonden in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). De eerste fase bestond uit het onderzoeken van verschillende mogelijke configuraties. In 1983 had men zich, onder leiding van hoofdingenieur Pierre Roux, al vastgelegd op de hoofdlijnen: men zou een tank ontwikkelen die weliswaar een uitstekende bewapening bezat maar de prioriteit legde bij een combinatie van zeer goede mobiliteit met zeer zware bepantsering. De tegenstelling tussen die twee laatste ontwerpdoelen hoopte men te overwinnen door een bijzonder compacte motor te installeren, een Duits ontwerp van MTU. Daardoor kon de tank zoveel kleiner worden dat het voertuig veel beter beschermd kon zijn dan concurrerende typen en toch nog iets lichter blijven — men streefde naar een gewicht van rond de vijftig ton — voor een superieure beweeglijkheid. Aan de noodzakelijke compactheid zou ook een automatische lader bijdragen. De munitie werd ook weer in samenwerking met West-Duitsland ontwikkeld. Het kwam er dus op neer dat de technologie die de Duitsers hun eigen voertuigen ontzegden, nu in de Franse zou worden toegepast; de toegang tot diezelfde technische kennis was een hoofdmotief voor de VAE om het project te financieren: Duitse exportbeperkingen vormden daarvoor normaliter een obstakel.
miniatuur|Duroc, het vierde Leclerc prototype
Door persberichten werd een tamelijk misleidend beeld gecreëerd: ze wekten door het gebruik van de begrippen protection évolutive of "modulair pantser" de indruk dat een geheel nieuwe pantservorm geïntroduceerd zou worden bestaande uit een combinatie van een licht basispantser en externe modules. In feite zouden de modules niet extern zijn maar invoegbaar in de holten van het basispantser, precies zoals bij de Leopard 2 en M1.
In 1984 kwam de eerste houten maquette klaar en in 1985 een eerste testvoertuig, de MSC (Mulet Système Complet). Beide leken sterk op de Leopard 2.
De naam van het voertuig vormde een twistpunt: men had eerst "AMX 56" in gedachten — een combinatie van het "50" dat niet gebruikt kon worden wegens het eerdere AMX 50-project en het "86" uit 1986 — of "AMX 48" naar het streefgewicht, maar het leek bij nader inzien beter iedere associatie met de mislukte eerdere AMX-projecten te vermijden. Op 30 januari 1986 kreeg het project officieel een naam: Leclerc, naar de nom de combat van de Franse maarschalk Philippe de Hauteclocque die, in de rang van kapitein uit Duitse gevangenschap ontsnapt, tijdens de Tweede Wereldoorlog als "generaal Leclerc" bevelhebber van de Tweede Pantserdivisie van de Vrije Fransen geweest was, de eenheid die Parijs bevrijdde.
Nog dat jaar werden beproevingen met vijf testopstellingen in de vorm van drie rompen en twee torens — een voor de ophanging, drie voor de mechanische componenten en de laatste voor de bewapening — beeïndigd. Op 15 januari 1987 gaf men de pers een indruk van het komende voertuig door een toren op een romp te bevestigen. In 1987 werd de definitiefase afgesloten en begon ook de productie van zes prototypen. De zes kregen ieder een naam: respectievelijk Ares, Bayard, Carnot, Duroc, Estienne en Foch. Deze werden afgeleverd vanaf eind 1989. Ze hadden alle verschillende uitrustingen en werden gebruikt om te testen en om het productieproces te stroomlijnen.
Productie Frankrijk Oorspronkelijk had men voor Frankrijk alleen al een totale productie van 1400 voertuigen in gedachten (1100 voor de organieke sterkte; 300 voor de materieelreserve en rijopleiding) tegen een kostprijs van 29 miljoen Franse frank per stuk. Dit zou neerkomen op een volledige vervanging van de AMX 30. Door het einde van de Koude Oorlog zijn die plannen al vrij snel sterk beperkt: in 1990 wilde men in totaal 1100 voertuigen (zes pantserdivisies van 160, zeventig tanks voor zowel reserve als opleiding). In 1991 daalde het aantal tot 880. In 1993, toen de geschatte behoefte alweer was teruggebracht tot 690, waren er voor de voorseries en een eerste hoofdserie 222 voertuigen in bestelling, naast 436 voor de VAE. In 1997 bestelde minister van defensie Charles Million een tweede hoofdserie van 184, af te leveren in jaarlijkse tranches van 33. Bij deze 406 voertuigen is het voor Frankrijk gebleven; de laatste veertien zijn in 2007 geleverd waarna de productie beëindigd is. Wel zou de verdeling over de hoofdseries gewijzigd worden zodat er binnen het totaal van de geplande productie nog een derde hoofdserie kon verschijnen. Ondanks deze productiebeperkingen was Frankrijk hiermee in de jaren negentig de belangrijkste westerse tankproducent. In sommige jaren werd de productie echter vertraagd door stakingsacties.
miniatuur|Achteraanzicht van een Franse Leclerc
De serieproductie van de Leclerc-tank begon in 1990 bij GIAT; de koepel werd gefabriceerd in Tarbes, de romp in Roanne. De voertuigen uit de eerste voorserie ("Blok I"), begin 1989 besteld, geproduceerd vanaf december 1991 en geleverd vanaf 14 januari 1992, werden gebruikt voor vergelijkingstesten met andere tanks. Zo werden ze getest tegen de Challenger 2-tank in het Verenigd Koninkrijk. Bij testen in Zweden kwamen problemen met de hydraulische wielophanging en de aandrijving naar boven. Uiteindelijk werden vier stuks gebouwd in de eerste reeks of T1 (Tranche 1): één in 1991 en drie in 1992 .
Tranche 2 bestond uit dertien tanks, waarvan er elf geleverd werden in 1993, en had een geavanceerder toren en extra pantser. Tranche 3 werd geproduceerd vanaf 1994, toen 22 tanks geleverd werden. De vierde reeks loste eindelijk de problemen met de aandrijving op en verlaagde ook het hoge brandstofverbruik van de tank. T5 had een verder verbeterde motor en nog meer pantser. De meeste Tranche 4 en 5-voertuigen werden eind jaren negentig verbeterd tot RT5-niveau. In totaal werden er van de eerste hoofdserie 132 voertuigen gebouwd, waarvan 39 in 1995, zestien in 1996 en veertig in 1997.
Blok I was geoptimaliseerd geweest voor de gevechtsomstandigheden in Centraal-Europa. In het kader van een sterkere klemtoon die op vredesoperaties gelegd werd, besloot men de volgende serie aan meer extreme weersomstandigheden aan te passen. Daarom had T6 een klimaatsysteem en nieuwe oliekoeling van de transmissie, als eerste reeks van de tweede hoofdserie (Blok II), die 178 exemplaren zou belopen: 34 in 1998, twintig in 1999, 32 in 2000, 26 in 2001, 33 in 2002, 23 in 2003 en de laatste tien in 2004. Deze serie kwam grotendeels overeen met de RT5. De zevende tranche introduceerde een communicatie- en een datasysteem. Reeks acht betekende een verbetering van de elektronica en tranche negen bracht een nieuw zichtsysteem. Vanaf 2005 werden alle nog dienstdoende tanks van de voorgaande reeksen verbeterd tot T9-niveau en kregen de nieuwe aanduiding RT9; deze hebben alle een versterkt zijpantser.
In 2004, toen in totaal twaalf voertuigen geleverd werden, waren de laatste twee tanks van de derde hoofdserie (Blok II+) van de Leclerc-tank van 96 voertuigen, beginnend met de tiende reeks; tranche 11 was de laatste. In 2005 werden 37 voertuigen geleverd, in 2006 43 stuks, en de laatste veertien in 2007. Deze hadden een nieuw Icone TIS datasysteem, het Thales BIFF (Battlefield Identification Friend or Foe) systeem en een geheel vernieuwde bepantsering.
Frankrijks tankindustrie wordt sindsdien beziggehouden met het geleidelijk op T10-standaard brengen van de oudere tanks.
Behalve de gevechtstank bestaat er ook een gespecialiseerde bergingstank, waarvan er twintig geproduceerd zijn; de laatste jaren worden overcomplete gevechtstanks van de eerste tranches omgebouwd tot bergingsvoertuig door het verwijderen van hun kanon; een vijftigtal voertuigen is zo al omgebouwd.
Verenigde Arabische Emiraten miniatuur|Een Leclerc Tropicalisé zoals geleverd aan de VAE
De levering aan de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) begon in november 1994 met vijf gevechtstanks en liep door tot in juli 2008, toen het laatste bergingsvoertuig werd overgedragen. De laatste gevechtstank kwam aan in 2003. Wat betreft de eerste zeven jaar zijn voor de wapenregisters van de Verenigde Naties de volgende opgaven gedaan: vijf in 1994, 25 in 1995, 58 in 1996, 63 in 1997, 64 in 1998, 62 in 1999 en 32 in 2000. Sommige voertuigen bleven voorlopig bij de tankschool in het Franse Saumur om VAE-bemanningen op te leiden.