Nicolaas Copernicus (, Pools: Mikołaj Kopernik; Duits: Niklas Koppernigk, Kopernikus; Latijn: Nicolaus Copernicus; Thorn (Pools: Toruń), 19 februari 1473 – Frauenburg (Pools: Frombork) in regio Ermland (Pools: Warmia), Pruisen 24 mei 1543) was een wiskundige en astronoom die een heliocentrisch model van het universum opstelde waarbij de zon, in plaats van de aarde, in het centrum van de toen bekende planeten en vaste sterren werd geplaatst.

De uitgave van Copernicus' boek, De revolutionibus orbium coelestium (Over de omwentelingen van de hemellichamen), net voor zijn dood in 1543, wordt beschouwd als een belangrijk moment in de wetenschapsgeschiedenis. Hiermee begon de Copernicaanse revolutie; het boek droeg bijzonder veel bij aan de wetenschappelijke revolutie.

Copernicus werd geboren en stierf in Koninklijk Pruisen, een autonome staat geregeerd in personele unie door de Poolse koning sinds 1466. Copernicus had een doctoraat in canoniek recht en was daarnaast een arts, polyglot, geleerde van de klassieke oudheid, vertaler, gouverneur, diplomaat en econoom, echter allemaal zonder diploma. In 1517 bedacht hij een kwantiteitstheorie, een belangrijk concept in de moderne economie, nog vóór Gresham een versie van de wet van Gresham formuleerde in 1519.

Het in 1996 ontdekte chemisch element copernicium is naar hem genoemd.

Leven en werk left|thumb|130px|Geboortehuis in Toruń thumb|260px|Een jeugdige Nicolaas Copernicus thumb|260px|Copernicus' standbeeld bij de ingang van het kasteel te Olsztyn thumb|260px|Copernicusmonument voor de Poolse Academie van Wetenschappen door Bertel Thorvaldsen, Krakowskie Przedmieście straat te Warschau. Oorspronkelijk gemaakt in 1822, in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers omgesmolten. In 1945 met oorspronkelijke mallen hersteld. thumb|260px|Copernicusmonument (close-up)

Geboorte en nationaliteit Hij werd geboren als Niklas Koppernigk in de stad Thorn (Pools: Toruń). Deze Hanzestad aan de oevers van de Weichsel (Pools: Wisła) had vele Poolse en Duitse inwoners, maar stond onder Pools gezag. In het sinds 1440 respectievelijk 1466 Pools-koninklijk deel van Pruisen, daarna tot 1772, waarna het als de provincie West-Pruisen Pruisisch (Duits) werd. Na 1918 kwam het opnieuw onder Pools gezag. Zoals in die tijd gebruikelijk onder geleerden (men schreef immers ook in het Latijn), gaf hij zichzelf een gelatiniseerde vorm van zijn naam: Nicolaus Copernicus. Hoewel hij onder de opvoeding van zijn oom Lucas von Watzenrode Duitstalig opgroeide, beheerste hij als volwassene ook Pools, Latijn, Grieks en Italiaans. Hij wordt vandaag de dag veelal beschouwd als een Pool, niet het minst door Poolse nationalisten. Reeds sinds de 18e eeuw wordt daarover getwist. Volgens sommigen was hij strikt genomen Pool noch Duitser, maar werd hij geboren als burger van Thorn (Toruń) en stierf hij als burger van het bisdom Ermland, een enclave in het latere Oost-Pruisen. Dat was het grondgebied waarop zich meerdere oorlogen afspeelden. Oorspronkelijk was het deel van de Staat van de Duitse Ridders. 1454 en 1466 werd er de Dertienjarige Oorlog uitgevochten tussen de Pruisische Bond, het Koninkrijk Polen en de Staat van de Duitse Ridders (Duitse Orde). Deze oorlog eindigde met de Tweede Vrede van Toruń, waarbij het westelijk deel van de Duitse Orde-staat en Ermland als 'Koninklijk Pruisen', en Danzig, Elbing en Thorn (Toruń) als vrije steden onder het beschermheerschap kwamen van de Poolse koning.Poland Angered by "German" CopernicusCopernicus was German, not PolishNot German but also not Polish

Jeugd Zijn vader (Mikołaj (Niklas) Koppernigk, de Oudere), een rijke koperhandelaar (vgl. koper en Nederduits: Kopper) afkomstig uit een koopmansfamilie uit Krakau, stierf in 1483 toen Copernicus tien jaar was. De grootvader van vaderskant was afkomstig uit de omtrek van Frankenstein in Silezië (tegenwoordig Ząbkowice Śląskie). Van de moeder van Copernicus, Barbara von Watzenrode, is weinig bekend, behalve dat ze uit de oude Pruisische adel kwam. Blijkbaar overleed zij eerder dan haar echtgenoot. In ieder geval nam haar broer, Lucas von Watzenrode, een kanunnik en later prins-bisschop van het aartsbisdom van Ermland, de opvoeding van de jonge Nicolaas op zich. De positie van zijn oom hielp Copernicus in zijn kerkelijke carrière, zodat hij tijd overhield voor zijn hobby: sterrenkunde.

Opleiding In 1491 schreef Copernicus zich in aan de universiteit van Krakau, waar hij theologie, klassieke talen en astrologie/ astronomie (destijds nauwer verweven dan vandaag de dag) studeerde. Eind 1496 ging hij na een kort verblijf in Thorn naar Italië. Daar studeerde hij kerkelijk en burgerlijk recht aan de Universiteit van Bologna.Copernicus (1473-1543) - Revolutionair in dienst van Rome Hij leerde daar Domenico Maria Novara da Ferrara kennen, een hoogleraar wiskunde en astronomie, bij wie hij een kamer huurde. Hij assisteerde hem bij zijn onderzoek en deed zijn eerste waarnemingen. Naast zijn hoofdstudie rechten legde Copernicus zich toe op de wiskunde en astronomie. In 1497 werd Copernicus op voordracht van zijn oom aangesteld als kanunnik bij de Maria-Hemelvaartkathedraal van Frauenburg (voorheen Oost-Pruisen, sinds 1945 Frombork in Polen), een sinecure die zijn financiële situatie aanzienlijk verbeterde en waarvoor hij geen tegenprestatie hoefde te leveren.

Na een jaar in Rome les te hebben gegeven in de wiskunde en de astronomie keerde Copernicus, zonder zijn studies voltooid te hebben, terug naar Frauenburg, en nam hij zijn plaats als koorheer (kanunnik) in. Maar omdat hij zijn studie nog niet voltooid had, kreeg hij toestemming van zijn oom om terug te keren naar Italië om zijn studie te voltooien nadat hij officieel was geïnstalleerd als kanunnik medio 1501.

Ditmaal ging Copernicus niet naar Bologna, maar naar de Universiteit van Padua, omdat die een goede naam had op medisch gebied. Naast zijn medicijnenstudie legde Copernicus zich hier toe op de astrologie, wat gebruikelijk was in die tijd, gezien het feit dat de sterren door artsen nogal eens werden geraadpleegd om de ziekte te ontdekken enz. In 1503 promoveerde Copernicus uiteindelijk toch in de rechten aan de Universiteit van Ferrara. Na een verblijf van enkele maanden keerde hij naar Padua terug, maar zijn studie geneeskunde voltooide hij niet.

Rond 1505 keerde hij terug naar Frauenburg.

Geestelijke Toen Copernicus in 1505 terugkeerde in Frauenburg diende hij zijn taken als kanunnik toch op zich te nemen. Hij diende onder meer als magister pistoriae (rentmeester), kanselier (hoofd van de administratie) en visitator van de landerijen. Maar wederom kreeg hij hiervan vrijstelling, om zijn oom als lijfarts te dienen. Dit betekende dat Copernicus de facto zijn persoonlijk secretaris werd. In 1509 verscheen zijn eerste publicatie, een Latijnse vertaling van een set Griekse gedichten van Theophylactus Simocatta. Na de dood van zijn oom in 1512 hervatte Copernicus zijn werkzaamheden als kanunnik, maar had nu wel veel tijd voor astronomische observaties. In zijn vertrekken beschikte hij over een astronomisch observatorium.

In 1514 bracht Copernicus een klein werkje uit waarin hij zijn visie op het heelal uiteenzette, met een zevental axioma's, waarop hij zijn conclusies zou baseren. Het handgeschreven boekje dat hij alleen onder zijn vrienden verspreidde (en dat zijn naam niet bevatte) handelt over onder meer het centrum van het heelal en de beweging van hemellichamen en de aarde. Toen hij werd uitgenodigd op het Vijfde Lateraans Concilie (1512-1517) als expert op het gebied van astronomie (ter verbetering van de kalender), was bekend dat Copernicus kennis had van de beweging der hemellichamen. Zich bewust van het conservatieve verzet binnen de Kerk tegen theologisch incorrect geachte kosmologische opvattingen, besloot hij wijselijk niet naar Rome te gaan, doch slechts per brief te antwoorden.

Door een oorlog tussen de Poolse koning en de toen nog klerikale Duitse Ridderorde die Oost-Pruisen bestuurde (waarin Ermland als een bijna-enclave was gelegen), was Copernicus gedurende enige tijd, tot ongeveer 1520, niet in staat zijn observaties voort te zetten. Hij kreeg de taak de administratie van de defensie van Frauenburg te organiseren. Tegelijkertijd nam hij deel aan (mislukte) vredesonderhandelingen. Toen in 1521 de vrede werd hersteld, werd Copernicus aangesteld om de herstelwerkzaamheden te leiden samen met zijn vriend Tiedemann Giese, een mede-kanunnik in Frauenburg. Anders dan Giese ontving Copernicus nooit de priesterwijding, maar bleef hij kanunnik, hoewel zijn meerderen anders hadden gewenst.

Astronoom thumb|260px|Heliocentrisch Zonnestelsel volgens Copernicus Nicolaas Copernicus wordt beschouwd als de grondlegger van de heliocentrische theorie, die stelt dat de zon in het midden van het zonnestelsel staat en dat de planeten eromheen draaien, dit in tegenstelling tot het destijds gebruikelijke geocentrische wereldbeeld, waarbij de aarde werd geacht het centrum van het heelal te vormen. Het geocentrisme was geformuleerd door Claudius Ptolemaeus in zijn Almagest, een werk waaraan in Europa lange tijd gezag was toegekend.

Copernicus was niet de eerste die een heliocentrisch model presenteerde; in de Oudheid was Aristarchos van Samos tot dezelfde speculatie gekomen. In de 14e eeuw had de geleerde theoloog Oresmus keurig en duidelijk de afweging gemaakt tussen een bewegende aarde en een bewegend heelal en indrukwekkende bewijsvoeringen voor beide systemen gepresenteerd. Na afweging had hij gekozen voor een stilstaande aarde.

Copernicus bleef de mening van Ptolemaeus toegedaan dat de planeten "ideale", dat wil zeggen eenparige cirkelbewegingen maken. Het copernicaanse model was conceptueel eenvoudiger dan dat van Ptolemaeus – de Equant (of vereffeningspunt), ingevoerd als rekenhulpmiddel door Ptolemaeus, was niet nodig – maar Copernicus' model bevatte 48 kleine epicykels — dit zijn correctieve hulpcirkels om de banen van de planeten in overeenstemming te brengen met de waarneming, waar Ptolemaeus er slechts 40 nodig had. Zolang men niet afzag van de cirkel ten voordele van de ellips bleven zowel het model van Copernicus als dat van Ptolemaeus gecompliceerd. De theorie werd pas rechtgezet door Johannes Kepler in zijn Astronomia Nova uit 1609.

De copernicaanse theorie rijmde niet met de gangbare fysica van Aristoteles, die observeerde dat alle dingen naar het centrum van de aarde vielen. Als de aarde rond de zon zou bewegen, werd de Aristotelische theorie erg gecompliceerd. De kunstgreep van Copernicus was te stellen dat aardse dingen naar de aarde toe vielen, dingen eigen aan de zon zouden naar de zon toe vallen, en dingen van Mars naar Mars toe — hij greep daarbij mogelijk terug naar Oresmus, die reeds had opgemerkt dat een dergelijke afwijking van Aristoteles nodig was om een bewegende aarde te rechtvaardigen. Pas in 1687 werd deze kunstgreep met de Gravitatiewet van Newton door een betere onderbouwing vervangen.

Copernicus ging ervan uit dat alle sterren zich op enorme afstand van de aarde bevinden, ver buiten de baan van de planeten. Dat de parallax door de jaarlijkse gang van de aarde om de zon daardoor onmeetbaar klein zou zijn, was volgens de astronomen van toen een ongefundeerde kunstgreep. De eerste succesvolle meting van de parallax kwam er pas in 1838 door Friedrich Bessel.

De theorie impliceerde ook dat de planeten Venus en Mercurius schijngestalten of fasen moesten vertonen, hetgeen nog niet geobserveerd was (dat was pas mogelijk met een telescoop, waarvan de uitvinding nog 60 jaar op zich liet wachten). Galileo Galilei verbeterde de eerste telescopen en constateerde de fasen van Venus in 1610.