Brachiosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende sauropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Macronaria, dat leefde tijdens het Laat-Jura, ongeveer 150 miljoen jaar geleden.

Het eerste fossiel van Brachiosaurus werd in 1883 ontdekt in de Verenigde Staten. Het dier kreeg in 1903 zijn naam die 'armsauriër' betekent, naar aanleiding van de zeer lange bovenarm. De eerstbenoemde typesoort is Brachiosaurus altithorax. Tussen 1909 en 1912 werden in Duits-Oost-Afrika veel completere skeletten gevonden. Hiervoor is in 1914 een tweede soort benoemd: Brachiosaurus brancai. Een skelet werd in Berlijn opgesteld, nog steeds het grootste tentoongestelde dinosauriërskelet ter wereld. Dat maakte Brachiosaurus tot een van de bekendste dinosauriërs bij het grote publiek. Later zijn nog twee soorten benoemd: B. atalaiensis en B. nougaredi, maar daarvan wordt tegenwoordig begrepen dat het om andere dinosauriërs gaat. De laatste jaren vinden steeds meer geleerden dat ook B. brancai een heel ander dier is dan B. altithorax. Ze gebruiken daarom voor de Afrikaanse soort een aparte geslachtsnaam: Giraffatitan.

Vaak noemt men Brachiosaurus het grootste landdier dat ooit heeft bestaan. Er zijn echter nog veel grotere sauropoden bekend. Ook is het niet waar dat hij vanwege zijn gewicht in het water moest leven. Hij was juist een echte landbewoner. Wel had Brachiosaurus een enorme omvang. Het Berlijnse skelet is 23 meter lang en duidt op een dier van ongeveer dertig ton. Uit Afrika zijn stukken bot bekend die wijzen op exemplaren van wel veertig ton. De Amerikaanse soort was nog eens zwaarder en langgerekter van bouw. Ondanks de grootte was het skelet lichtgebouwd met holle wervels die verbonden waren met luchtzakken. Die verbeterden ook de ademhaling, een teken dat het dier warmbloedig was.

Brachiosaurus had een hoge romp die op vier rechte poten stond waarvan de voorpoten langer waren dan de achterpoten. Hij had een korte staart maar een zeer lange nek. De wetenschappers zijn het er niet over eens of die diende om ruim dertien meter hoog in de bomen te eten of om plat rond te zwaaien zodat hij zo veel mogelijk planten kon bereiken zonder een stap te zetten. Het eind van de nek droeg een relatief kleine kop met beitelvormige tanden waarmee het voedsel afgebeten kon worden. Misschien at Brachiosaurus vooral de zaadkegels van palmvarens. Die werden in grote brokken snel ingeslikt om in de enorme buikholte verteerd te worden. Zijn aanzienlijke grootte voorkwam dat Brachiosaurus zelf opgegeten werd door roofsauriërs, de theropoden.

Ontdekking en naamgeving De Felch Skull De eerste resten van Brachiosaurus werden vermoedelijk in 1883 aangetroffen bij Garden Park in Colorado. Op 8 september berichtte Marshall Parker Felch, een medewerker van professor Othniel Charles Marsh, dat in Quarry N° 1 een grote schedel was opgegraven. Het specimen, met inventarisnummer YPM 1986, werd door Marsh aangezien voor de kop van Brontosaurus en als zodanig weergegeven in een afbeelding van een skeletrestauratie van dat geslacht in 1891. Reeds in 1935 meende Werner Ernst Martin Janensch dat het hier in feite om een sauropode moest gaan die op zijn minst nauw aan Brachiosaurus verwant was. Pas in 1998 kwam de algemene erkenning van dit standpunt toen onafhankelijk hiervan John McIntosh het fossiel, nu geregistreerd onder nummer USNM 5730, als de schedel van Brachiosaurus herkende. Bij de schedel was ook een 99 centimeter lange halswervel gevonden maar die viel uiteen bij de poging hem te bergen. McIntosh wees de schedel, de Felch Skull, niet toe een bepaalde soort van Brachiosaurus, maar beperkte de determinering tot een onbepaald Brachiosaurus sp[ecies]. Ondertussen waren namelijk meerdere soorten van Brachiosaurus beschreven en van de eerste daarvan ontbrak de schedel, zodat vergelijking onmogelijk was.

Brachiosaurus altithorax Riggs benoemt Brachiosaurus thumb|280px|Riggs, rechts, en James B. Abbott prepareren de botten van B. altithorax; links het dijbeen, nog in zijn gipsen omhulsel

In 1900 vond een paleontologische expeditie van het Field Columbian Museum, onder leiding van Elmer Samuel Riggs, in het westen van Colorado bij Grand Junction in de vallei van de Grand River een gedeeltelijk skelet van een grote sauropode. Op 4 juli zag Riggs assistent Harold William Menke, die in zijn eentje een ritje te paard maakte op zoek naar veelbelovende vindplaatsen, het uiteinde van een opperarmbeen uit de grond steken dat zo groot was dat het eerst voor een dijbeen werd aangezien. Vanaf 26 juli werd het opgegraven in wat als Quarry 13 werd aangeduid. Tot 17 augustus werden onder grote publieke belangstelling, waarbij Riggs moeite had om te voorkomen dat souvenirjagers botten zouden wegnemen, ook andere delen van het skelet geborgen, met gips beschermd en verpakt in achtendertig kratten met een totaalgewicht van vijf ton. In 1901 werd de vondst al vermeld in een gepubliceerd rapport van Riggs, zonder dat er een naam gegeven werd. In 1903 benoemde hij een nieuwe soort: Brachiosaurus altithorax, samen met een gedeeltelijke beschrijving — het duurde even voordat hij de enorme botten met hulp van Menke kon prepareren en de ruggenwervels waren nog niet onderzocht. left|thumb|Het opperarmbeen met Menke ernaast De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse βραχίων (brachioon), 'arm' en σαῦρος (sauros), 'hagedis'. Dat 'arm' verwees naar het lange opperarmbeen; 'saurus' is een gebruikelijke aanduiding voor iedere sauriër en duidt niet op een speciale verwantschap met de hagedissen. De soortaanduiding is afgeleid van het Latijnse altus, 'hoog' en het Griekse θώραξ, thoorax, 'borstkas', een verwijzing naar de hoge romp.

Het fossiel, holotype FMNH P 25107, is gevonden in een aardlaag van de Morrisonformatie die dateert uit het Kimmeridgien-Tithonien, 150 miljoen jaar oud. Het bestaat uit de laatste zeven ruggenwervels, ribben, de samengroeide heiligbeenwervels, de voorste twee staartwervels, het linkerravenbeksbeen, een rechteropperarmbeen, de darmbeenderen en een rechterdijbeen.

In 1904 publiceerde Riggs een langere monografie over de vondst. Hij noemde Brachiosaurus de grootste dinosauriër die ooit gevonden was, mede omdat het gevonden skelet van een nog onvolgroeid dier was.

Latere vondsten van B. altithorax thumb|"Toni" In de jaren vijftig vond het echtpaar Eddie en Vivian Jones bij Potter Creek, in lagen van de Uncompahgre Upwarp in Colorado, een groot linkeropperarmbeen, 213 centimeter lang, dat ze aan het Smithsonian Institution schonken. Het specimen USNM 21903 werd in 1959 gedetermineerd als Brachiosaurus maar is zo zwaar gerestaureerd dat de identificatie onzeker is. Op dezelfde locatie zijn tussen 1971 en 1975 een ruggenwervel, een linkerdarmbeen, een linkerspaakbeen en een rechtermiddenhandsbeen gevonden. Dit materiaal, BYU 4744 (eerder BYU 9754), behoort vrijwel zeker tot Brachiosaurus. Het geeft in de hand een kleine aanvulling van de vondsten van Riggs.

Ook elders in de Verenigde Staten van Amerika zijn er losse brachiosauride botten en fragmenten gevonden. Sommige daarvan zijn onbeschreven en bevinden zich vaak in particuliere verzamelingen. Andere bestaan uit beschreven stukken in museumcollecties. Daartoe behoren BYU 12866 en 12867, twee halswervels, en OMNH 01138, een middenhandsbeen. Van deze vondsten is het moeilijk aan te geven of ze werkelijk aan Brachiosaurus kunnen worden toegeschreven, en zo ja, aan welke soort.

In 2012 werd een mogelijk jong van Brachiosaurus altithorax gemeld, specimen SMA 0009 met een lengte van twee meter. Het specimen heeft de bijnaam 'Toni'.

Brachiosaurus brancai of Giraffatitan De Tendaguru De ontdekking van Brachiosaurus altithorax trok slechts kortstondig de aandacht van de pers. Dat lag heel anders toen in 1906 mijningenieur Bernhard Sattler letterlijk op een groot bot stuitte — hij stiet er zijn scheenbeen aan — bij de Tendaguruheuvel in het zuiden van Duits-Oost-Afrika, het huidige Tanzania. Toevallig maakte de conservator van de Königliche Naturaliensammlung Stuttgart, Eberhard Fraas, in 1907 een studiereis naar deze kolonie en bij aankomst in Dar es Salaam werd hem verzocht de vondst nader te onderzoeken. Op 31 augustus 1907 vertrok hij uit de havenstad Lindi met zestig inheemse dragers om vijf dagen later bij de mijn aan te komen, 64 kilometer het binnenland in. Daar stuitte hij op een zeer rijke vindplaats uit het Kimmeridgien - Tithonien met een enorme concentratie aan dinosauriërbeenderen waaronder de holotypen van Tornieria en Janenschia. Hoewel Fraas zelf op deze reis een fatale amoebe-infectie opliep, lukte het hem nog in 1908 over de vondst te publiceren. De Duitse regering verklaarde hierop het terrein tot beschermd paleontologisch gebied.

Het rapport van Fraas riep een aanstekelijk enthousiasme op bij de directeur van het geologisch-palentologisch museum van de Berlijnse Friedrich-Wilhelms-Universität, Carl Wilhelm Franz von Branca. Die wist voldoende fondsen te werven voor een grote expeditie, waarbij hij slim inspeelde op de nationalistische Duitse gevoelens van achterstelling bij andere landen. De Amerikaanse staalmagnaat Andrew Carnegie had juist een replica van het skelet van Diplodocus aan Duitsland cadeau gedaan; het streelde de nationale trots dat nog te kunnen overtroeven door een mogelijk aanzienlijk groter echt skelet, zeker als dat afkomstig was uit een van de weinige Duitse kolonies. Von Branca riep ook in de herinnering dat het eerste fossiel van Archaeopteryx door misplaatste zuinigheid naar Engeland was verdwenen; een dergelijke nationale schande mocht zich niet meer herhalen. Hij kreeg subsidie van de stad Berlijn, het Pruisische ministerie van cultuur en de Pruisische Academie van Wetenschappen. Verder bleek een honderdtal prominenten bereid donateur te worden van een fonds beheerd door een comité onder voorzitterschap van hertog Johan Albrecht van Mecklenburg-Schwerin, de Regent van Brunswijk en hoofd van de koloniale raad. In totaal haalde von Branca zo'n 180.000 goudmark op, wat de expedities tot het verreweg best gefinancierde paleontologisch veldwerk uit de wereldgeschiedenis zou maken. left|thumb|Janensch in de Tendaguru Vier jaar achter elkaar, van 1909 tot en met 1912, werden er tochten naar de Tendaguru ondernomen. Die stonden eerst onder leiding van Werner Janensch en Edwin Hennig. De expedities vergden een enorme inzet aan mankracht, uiteindelijk zo'n vijfhonderd lokale werknemers. Allereerst omdat er geen weg naar Lindi was en alles met menselijke dragers moest worden aan- en afgevoerd; lastdieren konden niet worden gebruikt wegens de tseetseevlieg. Daartoe werden 5.400 marsen uitgevoerd. Ook moest het uitgestrekte terrein met een oppervlakte van 10 km² van de weelderige vegetatie ontdaan worden. De beenderen konden snel opgegraven worden omdat ze zich in vrij natte mergellagen bevonden; dat verleidde Janensch en Hennig er echter toe zo veel mogelijk fossielen te bergen zodat het geld snel opging aan de personeelskosten. Aan het laatste veldseizoen werd leiding gegeven door Hans Reck. Eind 1912 was er 235 ton botten naar Berlijn verscheept en 136.000 goudmark gespendeerd; dat jaar gaf Pruisen nog eens vijftigduizend mark subsidie.