De geschiedenis van het economisch denken (ook wel de geschiedenis van de economie) betreft de ontwikkeling van de economie als wetenschappelijke discipline en gaat onder meer over de verschillende denkers en theorieën op het gebied van politieke economie en economie van de oudheid tot heden. Alhoewel de Britse filosoof Adam Smith vaak wordt gezien als de grondlegger van de economie, bouwen zijn ideeën op een substantiële hoeveelheid werk van zijn voorgangers in de 18e eeuw. Deze hebben zich op hun beurt beroepen op eeuwenoude wijsheden en het toepassen ervan op moderne omstandigheden.

Algemene inleiding thumb|left|The Wealth of Nations van Adam Smith wordt over het algemeen gezien als het eerste moderne werk op het gebied van economie Economie werd pas op het einde van de 18e eeuw gezien als een apart academisch veld. Niettemin boog Aristoteles, de Griekse filosoof, zich reeds over de "kunst" van het vergaren van rijkdom, en de vraag of bezit het best in particuliere dan wel publieke handen kon zijn, meer bepaald in zijn werken over politiek en ethiek. Tijdens de middeleeuwen stelden filosofen zoals Thomas van Aquino dat het de morele verplichting was van bedrijven om producten te verkopen tegen eerlijke prijzen. Het economisch denken ontwikkelde zich via het feodalisme in de middeleeuwen naar de mercantilistische theorie tijdens de renaissance, toen mensen handelspolitiek in dienst stelden van het nationaal belang. De moderne politieke economie van Adam Smith kwam op tijdens de industriële revolutie, toen voorheen onvoorziene technologische ontwikkelingen, wereldwijde ontdekkingen, en materiële rijkdom een feit werden. Veranderingen in het economisch denken gingen steeds hand in hand met verandering in de maatschappij, maar leiden evengoed tot vernieuwingen in het economisch beleid.

In navolging van Adam Smiths The Wealth of Nations, analyseerden klassieke economen zoals David Ricardo en John Stuart Mill de manieren waarop de grondbezitters, kapitalisten, en de werkende klasse nationale rijkdom produceerden en verdeelden. Te midden van de Londense achterstandswijken verwierp Karl Marx het exploitatieve en ontvreemdende kapitalistische systeem dat hij om zich heen zag, alvorens de neoklassieke economen in het nieuwe imperialistische tijdperk een positieve, wiskundige en wetenschappelijke fundering probeerde te leggen voor de economie. Na de Tweede Wereldoorlog leidde John Maynard Keynes een reactie tegen de terughoudendheid van de overheid in de economie en bepleitte een interventioneel fiscaal beleid om de economische vraag, groei en voorspoed te stimuleren. Maar in een wereld verdeeld tussen de kapitalistische eerste wereld, de communistische tweede wereld en de arme derde wereld, hield de naoorlogse consensus geen stand. Mensen als Milton Friedman en Friedrich von Hayek inspireerden Westerse leiders met hun waarschuwing voor de The Road to Serfdom en socialisme, en focusten hun theorie op wat kon worden bereikt met een beter monetair beleid en deregulatie. Dit werd in de jaren tachtig voor een groot deel overgenomen door het beleid maar werd al snel uitgedaagd door ontwikkelingseconomen zoals Amartya Sen en informatie economen zoals Joseph Stiglitz die nieuw licht lieten schijnen op het economisch denken van de 21e eeuw.

Antikiteit "Een monnik, terugreizend naar Duitsland van een pelgrimstocht naar Rome, sluit aan bij een groep kooplieden. Hij laat hen een zilveren kelkje zien dat hij gekocht heeft voor zijn kathedraal thuis en vertelt hun wat hij ervoor betaald heeft. Ze lachen met verbazing en feliciteren hem, omdat het een heel goede koop was en ze verbaasd staan dat een monnik een betere deal kan maken dan een van hen. De monnik schrikt zo van hun reactie dat hij ogenblikkelijk teruggaat naar Rome om meer te betalen voor het kelkje omdat het de eerlijke prijs had moeten zijn." De Parabel van de Monnik

Een vroeg bekend werk over economische principes is de Arthashastra van Chanakya (ca. 350-283 v.Chr.), in het oude India. Nog eerder dan Chanakya debatteerden in het oude Griekenland de filosofen Socrates (ca. 470-399 v.Chr.) en Plato (ca. 425-347 v.Chr.) over het natuurlijke proces van specialisatie van arbeid en productie in de Staat (Politeia). Plato's leerling, Aristoteles, verdiepte de discussie vanuit het gezichtspunt van een slaaf die de maatschappij bezit, maar ook vanuit een stadstaat die een primitieve democratie tot stand brengt. Hij analyseerde uitgaven van huishoudens, markttransacties, en de motivaties voor menselijke acties. Aristoteles sprak, zoals tot voor kort werd gedaan, over "economische" onderwerpen als onderdeel van politiek, rechtvaardigheid en ethiek. Na de ineenstorting van de klassieke wereld en het einde van het Romeinse Rijk, raakte Europa in de schaduw van de vroege middeleeuwen en verminderde de economische discussie. De middeleeuwen waren zeer religieus en zagen de opkomst van het feodale stelsel. Nieuwe tekenen van ontwikkeling werden gevonden in de groei van de handel op het continent en de ontwikkeling van het lex mercatoria. Velen waren bang dat economische veranderingen de oude morele orde in gevaar zouden brengen, dit komt mooi tot uiting in de Parabel van de Monnik. Dit verhaal illustreert de spanning tussen de oude opvattingen en de nieuwe, steeds commerciëlere, wereld.

Aristoteles

thumb|Plato en zijn leerling Aristoteles (detail van Rafaëls fresco De Atheense school, Vaticaan, 1509). Het woord economie gaat terug op het Griekse oikonomia, "huishoudkunde", dat al door de filosoof Aristoteles (4e eeuw v.C.) gebruikt werd. Voor Aristoteles omvatte de oikonomia echter alleen de productieve en consumptieve processen in het huishouden of in de polis. Net als zijn leermeester Plato onderscheidde Aristoteles de oikonomia van de chrematistiek, de kunst van het vergaren van geld door handel, en net als Plato beschouwde hij de eerste als natuurlijk, de tweede als onnatuurlijk.

In zijn Politika (ca. 350 v.Chr.) analyseerde Aristoteles verschillende voorbeelden van een staat (monarchie, aristocratie, constitutionele regering; tirannie, oligarchie, democratie), gedeeltelijk als kritiek op Plato's boek De Republiek. Waar Plato van mening is dat een staat bestuurd moet worden door een goed opgeleide klasse van "filosoof-koningen", speciaal getraind in het bestuur van het land en gebaseerd op het gemeenschappelijke bezit van bronnen en grondstoffen, ziet Aristoteles dit als een oligarchisch anathema. In Politika, Boek II, Deel V, zegt hij dat,"Bezit zou op een bepaalde manier gemeenschappelijk moeten zijn, maar, in de algemene regel, privaat; want, wanneer iedereen een verschillende interesse heeft, zullen mensen niet klagen over elkaar, en zal er meer progressie zijn, aangezien iedereen zijn eigen zaken waarneemt.. En bovendien, is er het grootste genot in het doen van vriendelijkheid of een dienst aan vrienden, gasten of metgezellen, iets wat alleen kan als een man privaat bezit heeft. Deze voordelen gaan verloren bij een te ver doorgevoerde unificatie van de staat."Aristoteles (350 v.Chr.) Politika Boek II, Deel V

Alhoewel Aristoteles zeker van mening was dat veel zaken gemeenschappelijk zouden moeten zijn, was hij toch ook van mening dat dit niet bij alles kon, simpelweg vanwege de "inherente slechtheid van de mens". "Het is duidelijk dat bezit privaat beter privaat kan zijne," schreef Aristoteles, "maar het gebruik ervan is gemeenschappelijk; en het is de speciale zaak van de wetgevende macht om in de mens dit goede uitgangspunt te creëren." In Politika Boek I, behandelt Aristoteles het algemene karakter van huishoudens en marktwisselingen. Volgens hem is er een zekere "kunst van vergaring" of "rijkdomvergaring". "Van alles wat we bezitten," schrijft Aristoteles, als voorbode van Karl Marx' theorie van gebruik- en wisselwaarde, "zijn er twee gebruiken ... een schoen wordt gebruikt om te dragen, en wordt gebruikt om mee te handelen."Aristoteles (350 v.Chr.) Politika Boek I, Deel IX Geld zelf heeft alleen het doel middel van handel en betaling te zijn, wat betekent dat op zichzelf het "waardeloos is ... onbruikbaar als middel voor de noodzaken van het leven". Desalniettemin, zegt Aristoteles, omdat het geld als "instrument" hetzelfde is, zijn veel mensen geobsedeerd door het simpelweg opeenhopen van geld. "Rijkdomvergaring" voor je huishouden is "nodig en eervol", terwijl handel en verkoop voor het simpelweg opeenstapelen van geld "terecht wordt bekritiseerd, want het is oneervol".Aristoteles (350 v.Chr.) Politika Boek I, Deel X Aristoteles verwerpt woekering en staat ook negatief tegenover het verwerven van geld door middel van monopolie.Aristoteles (350 v.Chr.) Politika Boek I, Deel XI In Ethica Nicomachea (ca. 350 v.Chr.) gaat Aristoteles door met zijn behandeling van het gebruik van geld als handelsmiddel, en zijn reflectie op de vraag naar goederen en diensten.Aristoteles (350 v.Chr.) Ethika Boek V, Deel V

Middeleeuwen Thomas van Aquino

thumb|St Thomas van Aquino beargumenteerde dat het verhogen van prijzen in antwoord op hoge vraag een vorm van diefstal was Thomas van Aquino (1225-1274) was een Italiaans theoloog en een van de eerste schrijvers op het gebied van economische vraagstukken. Hij gaf les in Keulen en Parijs en was onderdeel van een groep Katholieke wetenschappers bekend als de Scholastiek, die als eerste naast theologie weer filosofie en natuurwetenschappen bestudeerden. In zijn werk Summa Theologica behandelt Thomas van Aquino het concept juiste prijs als een benodigdheid voor de herinstallatie van sociale orde. Gelijkheden vertonend met het moderne concept van long-runequilibrium, een juiste prijs was een prijs die net genoeg was om de kosten van productie te betalen, inclusief die benodigd om de producent en zijn familie te onderhouden. Thomas van Aquino was van mening dat het immoreel was voor verkopers om de prijs van een goed te verhogen om als de vraag hoger was dan het aanbod.

"Als iemand geholpen kan worden door iets dat in het bezit is van iemand anders, en de verkoper er niet evenzeer van verliest, moet de verkoper niet verkopen voor een hogere prijs: want het nut dat naar de koper gaat komt niet van de verkoper, maar van de staat van behoefte van de koper: niemand zou iets moeten verkopen dat niet van hem is."Thomas Aquinas (1274) Summa Theologiae, 2-2, q. 77, art. 1

Thomas van Aquino behandelt een verscheidenheid aan onderwerpen in de vorm van vraag en antwoord, substantiële onderdelen daarvan houden zich bezig met de theorie van Aristoteles. Vraag 77 en 78 gaan over economische zaken, voornamelijk relaterende aan wat een juiste prijs is en de eerlijkheid van een verkoper die kapotte goederen van de hand doet. Thomas van Aquino was tegen elke vorm van valsspelerij en raadde aan dat compensatie altijd werd betaald voor goede dienstverlening. Waar menselijke wetten geen sancties konden toepassen op oneerlijk gedrag, kon goddelijke wet dat wel.

John Duns Scotus

Een van Thomas van Aquino's voornaamste criticiMochrie (2005) p.5 was Duns Scotus (1265-1308) in zijn werk Sententiae (1295). Duns Scotus, oorspronkelijk uit Duns, Schotland, gaf les in Oxford, Keulen en Parijs. Hij was van mening dat het mogelijk was om preciezer te zijn dan Thomas van Aquino in het berekenen van een juiste prijs door het benadrukken van de kosten van arbeid en uitgaven – alhoewel hij inzag dat die laatste overdreven zou kunnen worden. Omdat koper en verkoper vaak verschillende ideeën hebben over wat een juiste prijs inhoudt, dacht hij dat een overeengekomen prijs vaak een "gift" element had van allebei de partijen, een vroege voorloper van het idee dat handelstransacties win-winsituaties zijn. Als mensen geen profijt hebben bij een transactie, zo dacht Scotus, dan zouden ze die niet afsluiten. Scotus verdedigde op deze manier handelaren als beoefenaars van een nodig en nuttige functie, het transporteren en beschikbaar maken van goederen voor het publiek.

Renaissance en Moderne Tijd School van Salamanca