thumb|thumbtime=657|Prof. dr. Chantal Mathieu (UZ Leuven) over diabetes - Universiteit van Vlaanderen Diabetes mellitus is een chronische aandoening die wordt gekenmerkt door herhaaldelijke hyperglykemie: herhaaldelijk – chronisch – verhoogde bloedglucose- of bloedsuikerwaarden. Vandaar de Nederlandstalige aanduiding 'suikerziekte'.
Wat een normale bloedglucosewaarde precies inhoudt en hoe een meting moet worden verricht, is internationaal vastgelegd, met per land een soms iets andere invulling. Continue hyperglykemie veroorzaakt glucosurie (suikerverlies via de urine), polyurie (veel urineren) en polydipsie (veel drinken). Langdurige hyperglykemie kan uiteindelijk leiden tot een coma, als een juiste diagnose en behandeling uitblijven.
Vóórkomen (epidemiologie) Wereldwijd hadden in 2010 zo'n 180 miljoen mensen diabetes. Ruim 95% van alle gevallen betreft diabetes type 2. Van de naar schatting 800.000 Nederlanders met deze ziekte, waren er zo'n 250.000 die diabetes hadden zonder het te weten. Het Nederlandse ministerie van Volksgezondheid (VWS) heeft in 2005 van diabetes een speerpunt gemaakt, om de Nederlandse diabeteszorg te verbeteren. Volgens de Nederlandse diabetesorganisaties en het ministerie van VWS krijgt twee derde van de diabetici onvoldoende goede zorg.
Diabetes mellitus (DM) type 1 en 2 komen beide in alle leeftijdscategorieën voor, echter type 2 bij het Kaukasische (blanke) ras vooral na het 40e levensjaar. Bij andere etnische groepen begint het vaak al op jongere leeftijd. Mensen van Hindoestaanse, negroïde, mediterrane of Aziatische afkomst hebben een hogere kans om DM type 2 te ontwikkelen. Deze personen dienen vanaf kinderleeftijd al gescreend te worden. Van de patiënten met DM type 2 heeft zo'n 80-85% overgewicht. Daarnaast staat DM type 2 bekend om de familiaire belasting. Bij DM type 1 is dit veel minder het geval.
In februari 2026 blijkt uit onderzoek in opdracht van het Diabetes Fonds dat ongeveer 400.000 mensen diabetes type 2 hebben zonder dat ze dat zelf weten.
Diagnose De conventie stelt dat de ideale bloedglucosewaarde, de bloedglucosespiegel, afhankelijk van omstandigheden, tussen de 4 en de 8 mmol/liter bloed ligt. Een normale, nuchtere waarde, niet direct na een maaltijd, ligt tussen de 4 en de 5,6 mmol/l (of tussen de 60 en de 160 mg (glucose)/dl (bloed)). Indien de 'nuchtere' waarden bij een onbehandeld persoon boven de 7 mmol/l en 'niet-nuchter' (direct na een maaltijd) boven de 11,0 mmol/l liggen, spreekt men van diabetes mellitus (suikerziekte). In het grijze gebied tussen deze grenswaarden spreken sommigen wel, anderen niet van diabetes. Landelijk en internationaal worden over deze waarden periodiek afspraken gemaakt, of ze worden herzien door medici op grond van nieuwe onderzoeksresultaten. Meestal wanneer men symptomen van diabetes mellitus heeft, zitten de bloedsuikerwaarden royaal boven de streefwaarden. Om zeker te weten of een persoon diabetes heeft en welk type diabetes, dient bij het bloedonderzoek niet alleen de bloedglucosewaarde bepaald te worden, maar ook het c-peptide- en het insulinegehalte van het bloed. Een type-1-patiënt vertoont een verhoogde bloedglucosewaarde, en produceert nauwelijks tot geen c-peptide meer; een type-2-patiënt vertoont meestal (maar niet altijd) een verhoogde bloedglucosewaarde, die altijd gepaard gaat met een verhoogd insuline-niveau.Dr. L.R.M. Verberne; over suikerziekte - laboratoriumdiagnostiek (2011)
Etymologie De naam diabetes mellitus (Grieks diabètès = sifon, van dia = door[heen], bainoo = gaan en Latijn mellitus = honingzoet), letterlijk "zoete doorstroom" of zoete urine, is ontstaan door de zoete smaak van de urine van deze patiënten. Vóór de chemische analyse van urine mogelijk werd, was een arts aangewezen op de eigen zintuigen. Het proeven van de urine was een gangbare manier van onderzoeken. Een andere wijze was de urine in een schoteltje buiten te zetten en te kijken of er wespen en andere insecten op afkwamen.
Oorzaak van de ziekte (pathogenese) Diabetes is een ongeneeslijke stofwisselingsziekte waarbij het lichaam onvoldoende energie uit glucose kan halen. De in het bloed aanwezige glucose, of bloedsuiker, afkomstig van de spijsvertering, kan in de meeste cellen (insulineafhankelijke cellen) alleen vanuit het bloed opgenomen worden als het bloed tevens voldoende insuline bevat, én als er werkende insuline-receptoren op de lichaamscellen aanwezig zijn. De precieze oorzaak van diabetes type 1 is nog niet bekend. Verschillende factoren worden onderzocht, zoals erfelijkheid, een virusinfectie, te weinig blootstelling aan zonlicht en het voedingspatroon. Bij het ontstaan van diabetes type 2, spelen onder meer overgewicht, onvoldoende lichaamsbeweging en genetische factoren een rol. Diabetes type 2 is veruit de meest voorkomende vorm van diabetes. Ook roken vergroot het risico op het ontwikkelen van diabetes type 2, de kans is 30 tot 40% hoger. De bekendste problemen bij diabetes zijn: onvoldoende of geen productie van insuline door de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier, het kenmerk van diabetes type 1. een probleem met de insuline-receptoren in de lichaamscellen, het kenmerk van diabetes type 2.
Invloed van suikerinname in eerste drie levensjaren Brits onderzoek van 2024 toont een verband aan tussen de inname van suiker gedurende de eerste drie levensjaren, en de ontwikkeling van diabetes type 2. De onderzoekers vergeleken hiervoor personen geboren vóór 1953, toen suiker in het Verenigd Koninkrijk op de bon en daarmee moeilijk te krijgen was, met personen geboren na 1953. Uit het onderzoek volgde dat een suikerrantsoenering in de eerste duizend dagen het risico op diabetes type 2 op zestigjarige leeftijd verkleinde met 35 procent. Wie toch diabetes kreeg, kreeg dit gemiddeld vier jaar later dan wie als baby of peuter wél onbeperkt toegang tot suiker had. Vergelijkbare resultaten waren er voor het hebben van een verhoogde bloeddruk.
Gevolgen Wanneer de glucose niet of onvoldoende in de cellen opgenomen kan worden, stijgen de bloedglucosewaarden; er treedt hyperglykemie op. Dit heeft diverse gevolgen: De meest acute complicatie is ketoacidose. Hierbij treedt verzuring op in alle weefsels en organen, wat misselijkheid en soms braken tot gevolg heeft. Dit begint bij een concentratie van ketolichamen van 17 mmol/l of hoger. In de nieren zal de concentratie glucose in het bloed zo hoog zijn dat deze door de nieren niet volledig terug-geabsorbeerd kan worden. Hierdoor gaat er glucose via de nier verloren in de urine. Dit gaat tevens gepaard met extra waterverlies, waardoor er grote volumes urine worden geproduceerd: polyurie. Door het grote urineverlies stijgt het dorstgevoel en zal de patiënt veel drinken. Dit noemt men polydipsie.
Symptomen Veel mensen met type 2-diabetes zijn geheel of nagenoeg symptoomloos. Het al eerder genoemde veel plassen en veel drinken treedt op bij hoge tot zeer hoge bloedglucosewaarden (boven de 12 mmol per liter). Patiënten hebben bij een slechte glucosespiegel (te hoog) vaker dan gemiddeld last van blaasontsteking, witte vloed, en/of steenpuisten. Soms kan men aceton ruiken in de adem van patiënten met diabetes met name als glucose door het insulinetekort zo slecht kan worden verwerkt dat het lichaam overgeschakeld is op vetverbranding, waarbij ketonen als nevenproducten ontstaan, waarvan aceton er een is. De glucosespiegel in het bloed is dan meestal veel te hoog. Bij hoge bloedsuikers en ernstige uitdroging kan ketoacidose (een metabole acidose) met een levensgevaarlijk coma optreden. Vergrote kans op niet of slecht helende wonden, doordat de zenuwen niet meer goed functioneren, en men vooral een wondje aan de voet, niet meer goed voelt. Deze voetwondjes helen meestal slecht of niet. Rode of branderige ogen. Wazig zien. Ontsteking aan de ogen. Vermoeidheid of slaperigheid Impotentie Een droge mond en een droge tong Er ontstaat een verhoogd hongergevoel of polyfagie, door de verminderde opname van glucose in de spier-, lever- en vetcellen. De cellen hebben de werking van insuline in het bloed nodig, dat de daartoe gespecialiseerde membraaneiwitten (GLUT) in de celmembranen activeert om glucose vanuit het bloed op te nemen. Polyneuritis, wat 'ontsteking van verschillende zenuwen' betekent, veroorzaakt gevoelsstoornissen: een veel lager sensorisch gevoel. Verhoogde kans op macrosomie Bij extreme hyperglykemie is er kans op coma Bij hypoglykemie zijn de symptomen beven, plotse honger, geeuwen, troebel zicht, hoofdpijn, hartkloppingen, wisselend humeur, bleekheid, concentratiestoornissen.Diabetes mellitus op uzleuven.be Bij een ernstige hypoglykemie (glycemie lager dan 60 mg/dl) bestaat eveneens de kans op een, hypoglykemisch, coma. Oorzaak van hypoglykemie kan zijn een te lange tijd tussen de maaltijden, of een te hoge verbranding van glucose, door toedienen van insuline of door bijvoorbeeld sporten.
Gevolgen op langere termijn Op de lange termijn kunnen verdere complicaties optreden, dit hangt veelal af van hoe regelmatig de patiënt een te hoge bloedsuikerspiegel heeft: In de grotere slagaders treedt een sterk versnelde atherosclerose op. Diabetes mellitus is de belangrijkste risicofactor voor hart- en vaatziekten. Ook de kleinste slagadertjes gaan minder goed werken (microangiopathie) wat tot schade overal in het lichaam leidt, bijvoorbeeld diabetische retinopathie, een beschadiging van het netvlies, met als gevolg slechtziendheid of zelfs blindheid, of diabetische nefropathie, waarbij de nieren niet goed meer werken. De gevoelszenuwen gaan minder goed werken, waardoor na jaren vaak ongevoeligheid optreedt in de voeten en de handen. De voeten en handen gaan prikkelen en tintelen, en tezelfdertijd wordt de tastzin minder goed, waardoor fijn werk zoals het dichtmaken van knoopjes onmogelijk wordt, of de patiënt niet meer voelt dat hij in een punaise is getrapt. Dergelijke wondjes gaan bovendien eerder ontsteken, en de genezing gaat slechter door de verstoorde bloedtoevoer. De patiënt merkt het pas laat omdat hij het niet voelt. Dit kan leiden tot weefselsterfte of necrose, waarbij tenen, voeten of onderbenen uiteindelijk moeten worden geamputeerd. Doordat diabetici veelal last hebben van een schommelende bloedsuikerspiegel, is de kans op tandvleesontstekingen groter. Er kunnen mondziektes als abces of parodontitis ontstaan. Bij verergering hiervan kunnen zelfs de tanden en kiezen worden verloren.
Classificaties Juveniele versus ouderdomsdiabetes Toen de pathogenese van diabetes nog onbekend was, klasseerde men de patiënten volgens de symptomen. De jeugdige (juveniele) vorm was een ernstige vorm die reeds in de kindertijd tot uiting kwam. De kinderen waren erg mager, hun spieren 'smolten' weg en ze stierven jong.
De ouderdomsdiabetes trad pas op latere leeftijd op en was een mildere vorm. Oorzaak en behandeling waren onbekend.
Insuline-afhankelijke versus insuline-onafhankelijke diabetes Toen het onderliggende probleem eenmaal beter werd begrepen, deelde men de diabetes in op basis van de behandeling. Type 1 of insuline-afhankelijke vorm was de ernstigste vorm, waaronder ook de voormalige juveniele diabetes viel, type 2 was de insuline-onafhankelijke diabetes waaronder de meeste van de voormalige 'ouderdomsdiabetici' vielen.
β-celdestructie versus intacte β-cellen Tegenwoordig wordt het ontstaan van diabetes nog wat beter begrepen en klasseert men diabetes in een β-cel-destructieve diabetes (type 1), en β-cel-intacte diabetes (type 2). Aangezien type 2, door de westerse leefstijl (overgewicht, weinig lichaamsbeweging) steeds vaker bij mensen van onder de 50 optreedt, is de term ouderdomsdiabetes niet meer van toepassing.
Bij diabetes type 1 maakt de alvleesklier onvoldoende insuline aan. Dit is het gevolg van de grootschalige vernietiging van de insuline-producerende β-cellen in de eilandjes van Langerhans. In dit geval is sprake van een absoluut tekort aan insuline.
Mogelijke oorzaken zijn: