thumb|Chaetopteryx villosa Schietmotten (Trichoptera) zijn een orde van gevleugelde insecten die behoren tot de zich verpoppende insecten (Endopterygota). De larven worden kokerjuffers genoemd.

Schietmotten hebben een onopvallende kleur en lijken wat betreft lichaamsbouw op nachtvlinders. Alle soorten schietmotten vouwen hun vleugels in rust achterwaarts dakvormig over het achterlijf. De vleugels zijn echter niet beschubd zoals bij vlinders, maar behaard. De meeste soorten bereiken een lichaamslengte van enkele millimeters tot een centimeter. De grootste soorten worden iets meer dan twee centimeter lang. Van de ruim 13.570 bekende soorten schietmotten komen er 1271 in Europa voor, waarvan ongeveer 230 in de Benelux. In veel landen is het onderzoek naar schietmotten niet zo gespecialiseerd als in delen van westelijk Europa.

De monddelen van schietmotten hebben een bijtende configuratie maar zijn sterk gereduceerd en hoogstens geschikt voor het opnemen van vloeibaar voedsel. De volwassen schietmotten nemen geen vast voedsel op en leven afhankelijk van de soort enkele dagen tot een aantal maanden.

Schietmotten ontwikkelen zich vrijwel altijd in het water. De meeste soorten leven daarin als larve en maken een kokertje, waarin ze schuilen tegen vijanden. Daarom worden de larven wel "kokerjuffers" genoemd. Sommige leven als larve in een kokertje op het land (familie Limnephilidae). Andere maken een vangweb onder water, zoals die uit de familie Hydropsychidae en weer andere leven vrij in het water. De larven leven vaak een jaar in het water. Een aantal soorten kent een meerjarig larvestadium. Binnen de orde van de schietmotten bestaan er carnivoren (vleeseters), detrivoren (afvaleters), herbivoren (planteneters) en omnivoren (alleseters).

De kokerbouwende larven kunnen in het water worden waargenomen als 'kruipende takjes'. De vorm van de koker is vaak specifiek voor de verschillende groepen. De kokers worden door de schietmot vervaardigd uit materiaal dat voorhanden is in zijn omgeving, zoals plantenmateriaal, overblijfselen van waterdieren, zandkorrels, kiezelsteentjes en allerlei combinaties daarvan. Elk kokertje is daardoor uniek. Het bouwen van de kokertjes is door entomologen uitgebreid onderzocht. De Franse entomoloog en schrijver Jean-Henri Fabre noemde de larven zichzelf aankledende insecten.

Naamgeving thumb|Video van een onbekende soort kokerjuffer. De wetenschappelijke naam Trichoptera komt uit het Grieks en betekent letterlijk 'haarvleugeligen'. Tricho komt van θρίξ of thrix dat 'haar' betekent en πτερόν of pteron (meervoud ptera) staat voor 'vleugel'. Schietmotten is de benaming voor de volwassen insecten; de larven heten kokerjuffers.

In sommige bronnen worden de larven kokerwormen of kokerjufferlarven genoemd. Die namen zijn verkeerd, want kokerwormen zijn een groep van in zee levende wormen die een kalkkokertje maken en de naam kokerjufferlarven is dubbelop.

In de Engelse taal worden de schietmotten aangeduid met caddisflies of sedge flies. Deze laatste naam betekent 'zeggevliegen'; zegge is een geslacht van veelal waterminnende planten waarop de volwassen dieren vaak worden aangetroffen. Caddis is vrij vertaald 'kanten sok' en slaat op het deels uit spinsel bestaande omhulsel van veel larven.

In andere talen worden andere namen gebruikt, zoals 'lentevliegen' (Noors: vårfluer) en 'nachtvliegen' (Zweeds: Nattsländor).

In het Duits worden ze Köcherfliegen (kokervliegen) genoemd. In die taal zijn ook andere namen gangbaar, zoals Peltzflüger (vachtvleugeligen), vanwege de behaarde vleugels, Frühlingsfliege (voorjaarsvliegen), vanwege het relatief vroege voorkomen, en Faltflüger (vouwvleugeligen), vanwege de in rust opgevouwen vleugels. In het Duits komt ook de naam Wassermotten (watermotten) voor, omdat de insecten als larve in het water leven en op motten lijken.

Verspreiding en habitat Schietmotten komen wereldwijd voor, maar hebben zich voornamelijk verspreid op het noordelijk halfrond. In Europa komen vertegenwoordigers van alle families voor. Sommige soorten zijn bedreigd of plaatselijk zeldzaam, maar als groep komen schietmotten zeer algemeen voor. Vaak zijn kokerjuffers de meest voorkomende waterinsecten in oppervlaktewateren zoals beken.

Schietmotten zijn aan te merken als waterbewoners en brengen het grootste deel van hun leven als larve door onder water. De meeste soorten leven in rivieren, meren, moerassen, vennen en ander zoet water. Tijdelijke poelen zijn voor veel soorten niet geschikt, omdat de larven vaak minstens een jaar nodig hebben om zich volledig te ontwikkelen. Een aantal soorten kokerjuffers kan alleen leven in relatief schoon water met voldoende opgeloste zuurstof. De insecten zijn hierdoor een goede indicatorsoort, zie ook onder schietmotten en de mens.

Een aantal soorten leeft in afwijkende milieus. Zo leven er soorten in rivieren op droog gevallen gesteente, dat door opspattend water vochtig blijft. Ook diep in grotten zijn schietmotten aangetroffen. Een enkele soort komt voor op het land of in getijdenpoeltjes langs de kust. Daarnaast zijn er ook die gangen in onder water liggend hout boren, zoals Heteroplectron californicum uit de familie Calamoceratidae.

In België en Nederland In de Benelux komen ongeveer 230 soorten voor; in heel Europa zijn 1271 soorten bekend. Schietmotten komen langs het water vaak zeer algemeen voor. In België en Nederland leven ook soorten die niet algemeen voorkomen en zelfs worden bedreigd.

In België en Nederland wordt regelmatig een nieuwe soort aangetroffen, die niet eerder in een van deze landen is opgemerkt. Een voorbeeld is Ecclisopteryx dalecarlica, die voor het eerst in 2012 in Nederland werd ontdekt nabij Bunde in Limburg.

Uiterlijke kenmerken thumb|Belangrijkste lichaamsdelen van de schietmot, afgebeeld is een mannetje uit het geslacht Daternomina. Schietmotten vormen in vergelijking met andere insectensoorten een relatief uniforme groep. De grootste verschillen in uiterlijk binnen de schietmottengroep zijn de lichaamsgrootte en de kleur van het lichaam en de vleugels. Slechts een klein aantal soorten heeft afwijkende lichaamskleuren, zoals wit, blauw of oranje. Een voorbeeld is Asmicridea grisea uit het zuiden van Australië met een karakteristieke witte lichaamskleur.

Schietmotten zijn middelgrote insecten die een lichaamslengte bereiken van ongeveer twee millimeter tot iets meer dan twee centimeter. De vleugelspanwijdte of vlucht is ongeveer drie centimeter. De lichaamsgrootte verschilt sterk per familie. Zo zijn de soorten uit de familie Hydroptilidae veel kleiner. De soorten uit het geslacht Hydroptila behoren tot de kleinste schietmotten. De larven worden drie tot vier millimeter lang en de volwassen insecten bereiken een lichaamslengte van twee tot drie millimeter. De grootste soorten behoren tot het geslacht Phryganea. In Nederland en België komt Phryganea grandis voor die tot 2,1 centimeter lang wordt en een vleugelspanwijdte tot zes centimeter kan bereiken.

Kop thumb|left|Monddelen van een schietmot, aangegeven zijn de maxillaire palpen (M) en de labiale palpen (L). De kop is typisch insectachtig door de aanwezigheid van twee facetogen, twee antennes en gepaarde monddelen. De antennes of voelsprieten zijn draadvormig (filiform); ze zijn dun en eindigen nooit in een verdikt uiteinde zoals bij veel andere insecten het geval is.

De ogen zijn rond en kraalachtig en bestaan uit vele ommatidia (deeloogjes). De ogen van mannetjes komen aan de bovenzijde van de kop vaak samen en raken elkaar. Bij de vrouwtjes liggen de facetogen aan de bovenzijde van de kop vaak duidelijk uit elkaar. Insecten hebben vaak kleine ocelli (punt- of bij-oogjes). Sommige insecten hebben er altijd drie, zoals de vliesvleugeligen en bij andere zijn deze structuren verdwenen, zoals bij de kakkerlakken. Bij de schietmotten komen deze oogjes bij een aantal families voor, maar ontbreken bij andere families. Soorten uit de familie Leptoceridae bijvoorbeeld hebben altijd ocelli terwijl deze bij de vertegenwoordigers van de familie Polycentropodidae ontbreken.

De antennes zijn nooit geveerd of gezaagd. Geveerde of gezaagde antennes komen bij andere insecten juist wel veel voor. De antennes van de schietmotten zijn meestal zeer lang en bij de familie Leptoceridae bereiken de antennes een lengte die enkele malen langer is dan de lichaamslengte.

De mandibels (kaken) zijn gereduceerd en de overige monddelen zijn relatief groot. De aanhangsels van de kop bestaan uit drie gepaarde uitsteeksels. Aan de maxilla (bovenkaak) zijn in het midden de galeae aanwezig. Aan de buitenzijde van de maxilla bevinden zich de maxillaire palpen. Deze zijn het langst van de drie en bestaan uit duidelijke geledingen. Ze doen denken aan een verkleind paar poten. Aan het labium (onderkaak) bevinden zich de labiale palpen. Ook deze zijn geleed, maar zijn duidelijk kleiner dan de maxillaire palpen.

Borststuk thumb|De vleugels zijn goed zichtbaar bij een uit de pophuid sluipend exemplaar. Het borststuk (thorax) van de schietmotten bestaat net als bij andere insecten uit drie segmenten, die samen een geheel lijken te vormen. Het borststuk draagt aan de bovenzijde twee paar vleugels en aan de onderzijde drie paar poten.

De kleur van het lichaam komt doorgaans overeen met de kleur van de vleugels. Vlinders zijn van alle andere insecten het sterkst verwant aan de schietmotten. Schietmotten vertonen in tegenstelling tot vlinders geen opvallende (achter)vleugelkleuren. De meeste soorten hebben een onopvallende kleur, meestal bruin of grijs. De donkergekleurde vleugeladers van de vleugels geven het vleugeloppervlak een duidelijk patroon van vertakte strepen. De ruimtes tussen de aderen worden de vleugelcellen genoemd. De vorm en het patroon van de vleugeladers en de kleurvlakken op de vleugelcellen helpen bij het determineren van de specifieke soort.

Soms verschilt de vleugelvorm per sekse. Zo is van de soort Odontocerum albicorne bekend dat de mannetjes een kortere en bredere achtervleugel hebben dan de vrouwtjes. Van enkele soorten is bekend, dat de vrouwtjes ongevleugeld zijn: hun vleugels zijn gedegenereerd tot schubachtige stompjes. De vrouwtjes zijn hierdoor gemakkelijk te verwarren met andere insecten zoals krekels. De landkokerjuffer (Enoicyla pusilla) is hiervan een voorbeeld, deze schietmot komt ook in België en Nederland voor. Schietmotten vliegen 's nachts en zitten overdag op plantendelen, zoals takken.

Een belangrijk determinatiekenmerk van schietmotten zijn de poten en meer specifiek de sporen op de poten. De poten dragen aan weerszijden rijen haartjes en daarnaast zijn duidelijke verdikte, stekelachtige structuren aanwezig die sporen worden genoemd. De voorpoot van een schietmot bevat altijd één tot drie sporen, de middelste en achterste poot dragen altijd twee tot vier sporen. De voorpoot telt nooit meer sporen dan de tweede poot en het aantal sporen op de middelste poot is nooit hoger dan dat van de achterste poot. Bij het tellen van het aantal sporen dient er rekening mee te worden gehouden dat bij sommige groepen naast sporen ook doornige pootuitsteeksels voorkomen. Daarnaast kunnen de sporen afbreken en is het aantal sporen binnen een soort soms variabel, wat tot een verkeerde determinatie kan leiden.

Achterlijf Het achterlijf van de volwassen schietmot wordt door de relatief grote vleugels aan het zicht onttrokken. Het achterlijf is langwerpig van vorm en is behaard. Het achterlijf wordt aan de onderzijde beschermd door de buikplaten of sternieten en aan de bovenzijde door de rugplaten of tergieten.