James Lick (Stumpstown, 25 augustus 1796 – San Francisco, 1 oktober 1876) was een Amerikaans pianobouwer, vastgoedmagnaat, hovenier en filantroop. Lick begon zijn carrière als pianobouwer in New York. Na een jaar emigreerde hij naar Zuid-Amerika waar hij met zijn pianowerkplaats in een periode van 27 jaar een klein vermogen opbouwde. Op zijn 51ste keerde hij terug naar de Verenigde Staten en vestigde zich in Californië. Hij belegde zijn geld in vastgoed dat door de Californische goldrush zo in waarde steeg dat hij de rijkste man van Californië werd. Hij droeg het beheer van zijn vastgoed over aan een agent en trok zich terug op zijn landerijen om zich te wijden aan tuinbouw. Lick overleed op 80-jarige leeftijd. Hij vermaakte zijn vermogen grotendeels aan liefdadige, patriottische en wetenschappelijke projecten. Het belangrijkste daarvan was de oprichting van een sterrenwacht die de naam Lick Observatory kreeg.

Biografie Jonge jaren, 1796-1818 James Lick werd geboren als oudste van zeven kinderen in het gezin van John Lick en Sarah Long. Zijn vader was geboren in Norristown als Johannes Lück. Hij had zich als meubelmaker gevestigd in Stumpstown, het latere Fredericksburg, waar hij zijn naam veramerikaanste tot John Lick. Naast zijn timmerwerkplaats had hij ook een boerenbedrijf.Lick (1967), 3-6Osterbrock (1988), 2-15

De jonge James Lick groeide op in Pennsylvania Dutch Country, een streek in Pennsylvania waar het merendeel van de bevolking bestond uit afstammelingen van Duits-sprekende immigranten. In dat gebied werd naast Engels ook Duits als voertaal gebruikt. James Lick leerde beide talen vloeiend spreken. Hij moest al jong meehelpen in de boerderij van zijn ouders waarbij hij alle voorkomende werkzaamheden moest aanpakken. Hij deed dat met plezier en nam van zijn moeder een voorliefde voor horticultuur over.

James werd in zijn jeugd sterk beïnvloed door zijn grootvader Wilhelm Lück. Deze was in 1765 als immigrant uit Westfalen naar Pennsylvania gekomen. Hij had onder generaal George Washington in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog gevochten. Wilhelm vertelde zijn kleinzoon veelvuldig over de ontberingen die hij had geleden toen hij gelegerd was in Valley Forge. Hij droeg ook zijn bewondering voor Thomas Paine aan James over, de schrijver van het pamflet Common Sense, dat de strijd voor onafhankelijkheid moreel en politiek rechtvaardigde.

Lick ging op zijn dertiende in de leer bij zijn vader. Diens timmerwerkplaats was een harde leerschool, waarin de werkstukken van James werden afgekeurd tot ze foutloos waren. John Lick trainde zijn zoon niet alleen in de technische vaardigheden van het meubelmaken, maar leerde hem ook gebruik te maken van de artistieke mogelijkheden van het ambacht.

Toen Lick 21 jaar oud was, bleek zijn vriendin Barbara Snaveley zwanger te zijn. Lick vroeg haar vader, een molenaar, toestemming om met haar te trouwen. Deze weigerde met de woorden dat Lick de hand van zijn dochter pas zou krijgen als hij een molen bezat die net zo groot en duur was als de zijne. Waarop Lick antwoordde dat hij op een dag een molen zou bezitten, waarbij vergeleken de molen van Snaveley zou doen denken aan een zwijnenstal. In juni 1818 beviel Barbara van een zoon, die zij de naam John Henry Lick gaf. Lick kreeg moeder noch kind te zien.Lick (1967), 8-9

Pianobouwer, 1819-1848 Begin 1819 verliet Lick zijn geboortedorp en trok het land in, op zoek naar werk. Na in verschillende steden met wisselend succes gewerkt te hebben kwam hij na zes maanden aan in Baltimore waar hij in de leer ging bij een pianobouwer. Een jaar later verhuisde hij naar New York en opende daar een eigen pianowerkplaats. In 1821 merkte hij dat de meeste piano's die hij bouwde, werden geëxporteerd naar Zuid-Amerika. Hij besloot naar Buenos Aires te trekken om met zijn kennis en vaardigheden daar een bestaan op te bouwen.Lick (1967), 9-10

Argentinië thumb|Buenos Aires in 1829, schilderij van Charles Pellegrini thumb|Valparaiso in 1834, schilderij van Conrad Martens thumb|Lima gezien van de rede van Callao, tekening van D.J. Sluyter, 1835 Lick vertrok in augustus 1821 per schip vanuit New York. De reis ging via de Afrikaanse westkust, waar een lading zout werd opgehaald. Eind november bereikte het schip Buenos Aires. De politieke situatie in Argentinië was explosief en er braken veelvuldig gewelddadigheden uit. Lick leerde snel Spaans, maar het kostte hem meer dan een jaar om zich aan te passen aan het klimaat en het voedsel. Hij was vaak ziek.Lick (1967), 11-14

Ondanks zijn problemen wist hij in het woelige Buenos Aires een bloeiende zaak op te bouwen. In Zuid-Amerika speelde het sociale leven zich voornamelijk in huis af, waarbij dansen op pianomuziek een belangrijke plaats innam. De piano's die Lick bouwde, waren zeer gewild omdat ze zich onderscheidden door artistieke details en muzikale kwaliteit. Naast piano's maakte Lick in zijn werkplaats ook ladekasten, zoals zijn vader het hem geleerd had.

Reis naar Europa In 1825 was Lick welvarend genoeg om een zaakwaarnemer aan te stellen. Dit stelde hem in staat een reis naar Europa te maken, waar hij hoopte zijn gezondheid te hervinden. Hij reisde door Engeland, Frankrijk en de Duitse staten. Hij bezocht onder meer de botanische tuinen in Londen en Parijs, het kasteel van Versailles en Westfalen, de geboortegrond van zijn grootvader. Ook bezichtigde hij vele ruïnes en andere archeologische bezienswaardigheden. Na bijna een jaar in Europa scheepte hij zich in naar Buenos Aires, in goede gezondheid en met nieuwe ideeën voor zijn bedrijf.Lick (1967), 15-20

Inmiddels was Argentinië verwikkeld geraakt in een oorlog met het Keizerrijk Brazilië, die duurde van 1825 tot 1828. Braziliaanse schepen, die een blokkade hadden gelegd rond de haven van Buenos Aires, veroverden het schip waarop Lick reisde. Bemanningsleden en passagiers werden gevangengenomen en over de Río de la Plata naar Montevideo gebracht. Lick ontsnapte tijdens de begrafenis van een medegevangene, die was omgekomen toen hij probeerde weg te komen. De begrafenis werd buiten de stad gehouden en Lick maakte gebruik van de commotie die tijdens de ceremonie ontstond, door zich in de struiken te verbergen. Toen de duisternis inviel vluchtte hij, waarbij hij de soldaten die hem zochten, wist te ontwijken. De volgende dag bereikte hij de Argentijnse linies. Een gids bracht hem en vijf medereizigers in achttien dagen te voet naar Buenos Aires.Lick (1967), 20-22

Terug in Buenos Aires trof Lick zijn bedrijf minder florissant aan dan hij het had achtergelaten. Hij bouwde het in korte tijd weer op en zocht tegelijkertijd naar aanvullende inkomstenbronnen. Tijdens zijn Europese reis was hem opgevallen dat er veel geld omging in de handel in de vacht van de beverrat, een knaagdier dat inheems is in Zuid-Amerika. Hij sloot overeenkomsten met pelsjagers en verscheepte op grote schaal vachten naar Engeland.Lick (1967), 23

Remigratie Een paar jaar na zijn terugkeer naar Buenos Aires besloot Lick dat zijn fortuin groot genoeg was om als rijk man terug te gaan naar zijn geboortedorp om daar Barbara's vader opnieuw om haar hand te vragen. Voor zover bekend heeft Lick na zijn vertrek uit Stumpstown Barbara geen enkele brief geschreven. Zijn familie heeft hij wel een aantal malen op de hoogte gesteld van zijn wedervaren, maar zonder erop te zinspelen dat hij overwoog terug te keren. In de antwoorden die hij ontving, werd nooit gerept over Barbara en hun beider zoon.

De thuiskomst van Lick in 1832 – met voor $ 40.000 aan vachten in zijn bagage – had triomfantelijk moeten zijn, maar hij kreeg twee teleurstellingen te verwerken. Zijn vader was in 1831 overleden en Barbara Snavely was twee jaar na zijn vertrek getrouwd. Lick probeerde met haar en zijn veertienjarige zoon in contact te komen. Tevergeefs: Barbara had het dorp verlaten zodra zij hoorde van Licks terugkeer en was ondergedoken. Na twee weken besloot Lick af te zien van zijn plan zich opnieuw te vestigen in Amerika. Hij verkocht zijn vachten, sloeg een voorraad goederen in waaraan in Argentinië gebrek was en keerde terug naar Buenos Aires.Lick (1967), 24-25

Chili en Peru Terug in Argentinië trof hij zijn zaak aan in goede orde. De politieke situatie was echter aanmerkelijk verslechterd. Vanwege de dreiging van een revolutie vertrok Lick in november 1832 naar Chili. Hij reisde met een schip dat rond Kaap Hoorn voer en te maken kreeg met stormen, ronddrijvende ijsbergen en verraderlijke stromingen. De tocht duurde ruim twee maanden. Hij vestigde zich in een gebied buiten Valparaiso, bekend om zijn boomgaarden, en opende er een piano- en kastenwinkel. Binnen korte tijd floreerde zijn zaak ook hier. In zijn vrije tijd legde hij zich toe op tuinbouw.Lick (1967), 26-28

Na bijna vier jaar baarden de politieke ontwikkelingen hem zoveel zorgen dat hij besloot Chili te verruilen voor het naar zijn mening stabielere Peru. Op eerste kerstdag 1836 arriveerde Lick in de haven van Callao. Hij vestigde zich in Lima, in die tijd een bruisende metropool. Lick maakte in de welvarende stad naam als de Yanqui die de mooiste piano's van Lima bouwde. Hij werd een gevierd persoon en wist zich toegang te verschaffen tot de kring van welgestelden. Dit succes had geen invloed op zijn levensstijl; Lick bleef sober leven en zijn arbeiders behandelen als zijn gelijken. Het geld dat hij in de pianohandel verdiende, investeerde hij in andere bedrijven, waaronder een theater en een arena voor stierengevechten.Lick (1967), 29-31

Vastgoedmagnaat en hovenier, 1849-1872 thumb|San Francisco, lithografie van Francis Samuel Maryatt uit 1849 In 1846 besloot Lick terug te keren naar de Verenigde Staten. Hij had de Amerikaanse politiek nauwgezet gevolgd in de kranten en was op de hoogte van het uitbreken van de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog. Hij was ervan overtuigd dat de Verenigde Staten de oorlog zouden winnen en Californië zouden annexeren; naar zijn verwachting een gebied met vele mogelijkheden. De meesten van Licks werknemers waren van Mexicaanse afkomst. Na het uitbreken van de oorlog vertrokken zij om aan de Mexicaanse kant te gaan vechten.

Het kostte Lick achttien maanden om eigenhandig alle orders die hij al had aangenomen te leveren. Daarna verkocht hij zijn zaak voor $ 30.000 – de helft van de geschatte waarde – en verhuisde hij naar San Francisco. Naast zijn werkbank, zijn gereedschap en een brandkast met daarin zijn gouden Peruaanse munten nam hij 600 pond chocolade mee die hij van zijn buurman in Lima had gekocht en die hij in Californië snel wist te verkopen.Lick (1967), 32

San Francisco Lick kwam op 7 januari 1848 aan in San Francisco. Op de 24e van die maand werd goud gevonden in de American River in de buurt van Coloma, en op 2 februari werd de Vrede van Guadalupe Hidalgo getekend, waarbij Mexico afstand deed van Californië. Vooruitlopend op het einde van de oorlog hadden Amerikaanse militaire functionarissen rond San Francisco stukken land geveild die ze in naam van de regering hadden opgeëist. Kopers waren aangemoedigd door de optimistische vooruitzichten van de Amerikaanse autoriteiten.Lick (1967), 33-34

Velen van hen voelden zich inmiddels bekocht omdat de beloofde voorspoed uitbleef. Ze waren bereid hun bezittingen te verkopen aan Lick, die een bestemming zocht voor zijn gouden munten. Van begin februari tot medio maart 1848 kocht Lick 37 kavels, tegen prijzen variërend van $ 16 tot $ 3000. De duurste aankoop betrof een huis van zongedroogde stenen met een kelder. Lick betrok het huis, begroef zijn brandkast in de kelder en plaatste zijn zware werkbank daar bovenop.