De politiek-territoriale ontwikkeling van de 9e tot de 11e eeuw van het graafschap Vlaanderen is vooral een zaak geweest van de opeenvolgende Vlaamse graven. Zij hebben zowel de interne consolidatie als de externe expansie van het graafschap tot stand gebracht. Het moderne Vlaanderen heeft zijn naam ontleend aan dit historische graafschap.
Etymologie van het woord Vlaming en Vlaanderen Het woord Vlaming is afgeleid van het Germaanse woord flauma wat vloed betekent. Wie in een gebied woonde dat onderhevig was aan overstromingen was een flaumung. De Romeinen noemden ze Flandrensis en de gouw Flandria. De stap naar Vlaming en Vlaanderen is dan nog klein.De Graven van Vlaanderen 861-1384 van Edward de Maesschalck, blz. 32
De graven van Vlaanderen vanaf de 9e tot de 11e eeuw Boudewijn I (864-879) thumb|260px|Boudewijn I afgebeeld in de Flandria illustrata uit 1641. Boudewijn I wordt als de eerste graaf van Vlaanderen beschouwd. Hij kwam vermoedelijk uit de streek van Laon en was de zoon van een zekere Audacer. Boudewijn heeft niets te maken met de forestiers van Vlaanderen, ontsproten aan de fantasie van overijverige middeleeuwse schrijvers.
Boudewijn kreeg de bijnaam “met de IJzeren Arm” door de schaking in 861 van Judith, de dochter van koning Karel de Kale van West-Francië. Judith, achterkleindochter van Karel de Grote, was door haar vader opgesloten in een toren te Soissons, in afwachting van een gouden kans op de huwelijksmarkt. Met de hulp van kroonprins Lodewijk kon ze ontsnappen in de armen van Boudewijn. De koning was helemaal niet zinnens zijn dochter uit te huwelijken aan de eerste de beste avonturier, nadat ze al tweemaal een Engelse koning tot echtgenoot had gehad. Hij liet zijn bisschoppen de ban uitspreken over het koppel. Boudewijn en Judith vluchtten over de Alpen en zochten hun toevlucht bij paus Nicolaas I. Die koos dan de zijde van de geliefden en trachtte de koning te overhalen. Boudewijn dreigde er zelfs mee zich met de Noormannen te verbinden. Uiteindelijk ging Karel de Kale overstag. Eind 863 werd het huwelijk tussen Boudewijn en Judith gesloten.
Als gevolg van zijn huwelijk met een Karolingische prinses, werd Boudewijn beleend met enkele publieke functies. Hij kreeg in 864 de gouwen Flandrensis (rond Brugge), Waas, Kortrijk en bezat wellicht ook de gouw Gent, zodat dit een aangesloten geheel vormde. Na 866 verkreeg hij ook de Ternaasgouw (Ternois) met daarin gelegen de stad Terwaan. Hij werd in 879 begraven in de Sint-Bertijnsabdij te Sint-Omaars, die ook in deze gouw lag. Deze abdij zou later voor nog een aantal graven van Vlaanderen de laatste rustplaats worden. Tijdens de Franse Revolutie werden die graftomben vernield.
Men beschouwt Boudewijn I als de laatste koninklijke ambtenaar binnen zijn familie. Zijn erfgenamen zouden een veel zelfstandiger koers kunnen varen, omdat het koninklijke gezag in Parijs danig verzwakte, onder meer door de invallen van de Noormannen.
De dood van Boudewijn I in 879 viel wellicht niet toevallig samen met nieuwe invallen van de Noormannen in deze streek. Pas in de zomer van 883 vielen ze de noordelijke pagus Flandrensis binnen om dan voor de winter het land te verlaten.
Boudewijn II (879-918) thumb|260px|15e-eeuwse afbeelding van Boudewijn II van Vlaanderen en Ælfthryth van Wessex. Boudewijn II, zoon van Boudewijn I, is blijkbaar als gevolg van de Noormanneninval naar de noordelijker gelegen pagus Flandrensis gevlucht. Dit werd zijn nieuwe machtsbasis. Wellicht hield Boudewijn II zich met zijn familie schuil in de vesting van Brugge. Hij zou de echte stichter van het graafschap Vlaanderen worden. Het hele gebied was verlaten; ook de ambtenaren en soldaten van de koning waren vertrokken. Voor koning Karloman van Frankrijk was het onmogelijk om het vlakke en door vele rivieren doorkruiste Vlaanderen te verdedigen tegen de Noormannen. Hij schoof de grens van zijn rijk achteruit tot aan de Artesische heuvels, richtte er een mark op en gaf die in leen aan zijn verwant, abt Rudolf, die zo de Ternaasgouw (Ternois) en de abdijen Sint-Bertijns en Sint-Vaast in zijn bezit kreeg.
Na het vertrek van de Noormannen kon Boudewijn II het noordelijke gebied zonder slag of stoot tot het zijne verklaren en zo werd hij heerser van een vorstendom dat van de Noordzee tot aan de heuvels van Artesië reikte. Zo ontstond, in 883 of kort daarop, het zelfstandige graafschap Vlaanderen. Boudewijns optreden werd niet alleen vergemakkelijkt door het machtsvacuüm in het gebied als gevolg van de Noormanneninvallen, maar ook door de ineenstorting van de macht van de Franse koning. Boudewijn maakte zich niet alleen meester van enkele gouwen die eertijds aan zijn vader toebehoorden, namelijk Waas, Gent en Kortrijk, hij breidde dit ook uit met de noordelijker gelegen gouwen Vlaanderen, Rodenburg en Mempiscus en de vijf pagi tussen Leie en Schelde.
In 892 stierf abt-graaf Rudolf. Hierdoor kon Boudewijn II de hand leggen op de Ternaasgouw met de abdij van Sint-Bertijns en op de stad Atrecht met de abdij van Sint-Vaast. Nog in hetzelfde jaar maakte hij zich ook meester van de gouwen Vermandois, Bonen (Boulogne) en Artesië (Artois). De koning, Odo I van Frankrijk, kon dit niet laten gebeuren en er kwam oorlog van. In 897 kwamen de beide mannen tot een akkoord. Boudewijn II deed afstand van Vermandois, maar behield Bonen en Artesië. Boudewijn II deed in 899 echter opnieuw een poging om Sint-Kwintens (Saint-Quentin), de hoofdstad van Vermandois, te veroveren. Maar de koning rukte met zijn leger binnen en sloeg het beleg voor Atrecht, dat spoedig in zijn handen viel. Hierdoor verloor Boudewijn II de hele gouw Artesië met de rijke Sint-Vaastabdij.
Boudewijn zag na deze rampzalige oorlog tegen koning Karel III in dat verder strijden niet veel zin meer had en hij is zich meer gaan toeleggen op de interne bevestiging van zijn macht in zijn graafschap. Hij beschikte bovendien over een reusachtig domein dat hij verworven had door zich na de aftocht van de Noormannen de grondeigendommen van de Kerk, de koning en misschien ook van grootgrondbezitters toe te eigenen. Bovendien had hij als vorst het recht op de woeste en braakliggende gronden. Om zijn land beter te kunnen verdedigen tegen volgende invallen van Noormannen, heeft hij reeds vanaf 884 een aantal vestingen laten optrekken langs de kustlijn, namelijk te Oostburg, Aardenburg, Brugge, Oudenburg, Gistel, Veurne, Broekburg en Sint-Winoksbergen, maar ook binnenlands, onder andere in Gent en Kortrijk. Boudewijn II stierf in 918.
Arnulf I (918-965) thumb|260px|Zegel van Arnulf I uit 941. Het omschrift leest: "SIGN̄V ARNVLFI FLANDRENSIS MARCHISI" ("Zegel van Arnulf Vlaanderens Markgraaf"). Na het overlijden van Boudewijn II werd zijn vorstendom verdeeld onder zijn twee zonen. Arnulf kreeg de gebieden waarover zijn vader vrijwel onmiddellijk regeerde, namelijk de streek tussen de Noordzee, de Schelde en de Artesische heuvels. Vanaf dan werd de naam Vlaanderen voor dit hele gebied gebruikt. Tot het erfdeel van de jongere zoon Adalolf behoorden de later veroverde gebieden, dit zijn de gouwen Bonen en Ternaas. Wellicht behield Arnulf als oudste zoon een soort soevereiniteit over de gebieden van zijn broer. Ondanks al zijn inspanningen heeft Boudewijn II geen gaaf vorstendom kunnen nalaten. Vlaanderen zou pas zijn natuurlijke grenzen bereiken met het bezit van de gouwen Artesië (Artois), Ponthieu en Oosterbant (Ostrevent). Artesië zou dan een sterke bareel zijn tegen de invallen uit het zuiden, terwijl de hoofdplaats van Ponthieu, Montreuil, de enige oversteekplaats was over de rivier de Kwinte (Canche), de zuidgrens van Vlaanderen. Ten slotte zou met het bezit van Oosterbant de Schelde overal bereikt worden.
In de verwarring ontstaan door de strijd om de oppermacht in Frankrijk, kon Arnulf I in 931 de hand leggen op Mortagne, de tweede vesting van Oosterbant. Het jaar daarop, in 932, stierf de gouwgraaf van Artesië, Adelelm, en daarvan maakte Arnulf gebruik om diens hele gouw met de Sint-Vaastabdij in te palmen. Iets later viel ook de hoofdstad van Oosterbant, Dowaai, samen met de rest van de gouw in handen van Arnulf. In 933 overleed zijn broer Adalolf en daarop maakte Arnulf zich meester van diens bezit, namelijk de gouwen Bonen en Ternaas. Hierdoor ontzegde hij wel de zonen van Adalolf hun erfdeel.
In 936 kon de Karolinger, Lodewijk IV van Overzee, bezit nemen van de troon in Frankrijk. Hij moest hiervoor vanuit Engeland via Bonen naar zijn nieuw koninkrijk reizen. Deze eerste ontmoeting schijnt de aanzet te zijn geweest voor een lange vriendschap tussen graaf Arnulf en Lodewijk. Het is in die tijd dat Arnulf de titel van markgraaf aanneemt; waarschijnlijk werd hij door de koning met deze waardigheid vereerd. Enige tijd later braken er conflicten uit met graafschap Normandië en graaf en vikingkoning Willem I van Normandië. De stad Montreuil werd heen en weer veroverd, maar zonder definitief resultaat voor de Vlamingen. De stad was zo belangrijk omdat het de enige oversteekplaats was voor een leger over de Kwinte; uitgestrekte moerassen maakten dit verderop onmogelijk. Montreuil was dus de sleutel van de zuidgrens van Vlaanderen en van de noordgrens van Normandië. Pas in 947 verkreeg Arnulf deze stad door een schenking van de machtigste edelman van Frankrijk hertog Hugo die hoopte hiermee de steun van de graaf voor zich te winnen. Dit lukte evenwel niet, integendeel toen er een opstand losbrak tegen Hugo, kon Arnulf Amiens op hem veroveren.
In de jaren 954-961 stond Arnulf I op het hoogtepunt van zijn regering. Hij had Vlaanderen tot aan de Somme uitgebreid en er heerste rust in het land. De enkele moeilijkheden die zich voordeden, liet hij aan zijn zoon Boudewijn over, die hij graaf schijnt gemaakt te hebben van de zuidelijke gouwen van Vlaanderen. Deze laatste wordt meestal aangeduid onder de benaming Boudewijn III, maar hij is nooit graaf van Vlaanderen geweest, hoogstens medegraaf onder Arnulf I. Boudewijn III sterft namelijk in 962 en laat enkel een minderjarige zoon, Arnulf, achter. De zonen van Adalolf, de overleden broer van Arnulf I, grepen hun kans om het erfdeel van hun vader op te eisen en kwamen in opstand. Graaf Arnulf I begreep dadelijk dat zijn verwanten zijn kleinzoon zouden behandelen zoals hij met zijn neven had gedaan. Hij zag zijn levenswerk verloren gaan, wanhopig liet hij een van hen om het leven brengen in de hoop de ander schrik aan te jagen. Maar integendeel, deze ging nu nog feller te keer. Daarom zocht hij zijn toevlucht tot een laatste redmiddel om althans een deel van zijn vorstendom voor zijn kleinzoon te bewaren.
Hij ging naar zijn opperleenheer, de Franse koning Lotharius van Frankrijk en ze kwamen tot een akkoord. Wanneer Arnulf stierf, zou Lotharius al diens veroverde gebieden krijgen, namelijk Amiens, Ponthieu, Artesië en Oosterbant. In ruil daarvoor zou Lotharius voogd worden van de jonge Arnulf tijdens diens minderjarigheid en ervoor zorgen dat Arnulf erkend zou worden als graaf in de rest van Vlaanderen. Tevens moest ook Boudewijn Baldzo, wellicht een zoon van Arnulf I’s oom Rudolf, waken over de kleine Arnulf. De overgebleven zoon van Adalolf, ook een Arnulf, zou het erfdeel krijgen van zijn vader, namelijk de gouwen Bonen en Ternaas. De oude graaf Arnulf I overleed in 965.
Arnulf II (965-988) thumb|200px|Arnulf II, zoals afgebeeld in de Kortrijkse Gravenkapel (onderdeel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk).