Brachylophosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de Hadrosauridae, dat ongeveer 78 miljoen jaar geleden tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Het eerste fossiel van Brachylophosaurus werd in Canada gevonden in 1922. Het geslacht kreeg in 1953 zijn naam, die zoiets als 'kortekamsauriër' betekent, toen de typesoort Brachylophosaurus canadensis benoemd werd. Een tweede soort, Brachylophosaurus goodwini, werd in 1988 benoemd maar daarvan denken de wetenschappers tegenwoordig dat het eigenlijk om hetzelfde dier gaat. Van Brachylophosaurus is een groot aantal vondsten gedaan in Montana. Sommige exemplaren zijn bijzonder volledig doordat ze als een soort 'mummie' bewaard zijn gebleven met huidafdrukken en zelfs resten van de darminhoud. Daardoor konden de geleerden zich een zeer betrouwbaar beeld vormen van het dier.

Brachylophosaurus werd tot elf meter lang en zeven ton zwaar. Om te rennen gebruikte hij zijn krachtige achterpoten. Voor een langzamer gang steunde hij ook op zijn langgerekte voorpoten. Een stijve, recht naar achteren uitstekende, staart hield het lichaam in evenwicht. Een stevige nek hield zijn langwerpige kop omhoog. Die was voorzien van een hoornsnavel die planten afbeet die door rijen van honderden opeengestapelde tanden verder verknipt werden. De kop droeg ook een platte brede kam die op het achterhoofd lag en waarmee Brachylophosaurus zich onderscheidde van andere Hadrosaurinae.

De 'mummies' laten zien dat Brachylophosaurus bedekt was door een patroon van kleine veelhoekige schubben. De huid toonde vele diepe verticale plooien. Over de rug liep een kam van rechthoekige huidflappen. Vooraan kromde de rug naar beneden en van dat punt af liep een hoge pees naar boven die de kop ondersteunde. In de ingewanden werden resten van bladeren aangetroffen.

Vondst en naamgeving In 1936 vond Charles Mortram Sternberg bij Steveville in Alberta, Canada op de Little Sandhill Creek-vindplaats in Quarry 103 het skelet van een euornithopode. De precieze locatie is tegenwoordig niet meer bekend. Eerst werd dit toegewezen aan Gryposaurus.

De typesoort Brachylophosaurus canadensis werd in 1953 benoemd en beschreven door C.M. Sternberg. Letterlijk betekent de geslachtsnaam Brachylophosaurus: 'sauriër met korte (βραχύς, brachys) kam (λόφος, lophos)'. Er lag namelijk een lage platte kam over de achterzijde van de kop. Het 'kort' verwees dan naar het feit dat die niet hoog uitstak zoals bij sommige andere hadrosauriden. De soortaanduiding verwijst naar Canada. Brachylophosaurus was de laatste hadrosauride die uit Alberta benoemd zou worden.

Het holotype NMC 8893 is gevonden in een laag die eerst geïdentificeerd werd als de Dinosaur Park Formation maar later als de middelste Oldmanformatie; beide dateren uit het Laat-Campanien. De laag is ouder dan 77,76 miljoen jaar. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: de schedel, de onderkaken, wervels van de nek en voorste rug, ribben, de schouderbladen, een ravenbeksbeen, beide opperarmbeenderen, de linkerellepijp, het linkerspaakbeen, een tweede linkermiddenhandsbeen en een eerste kootje van de tweede linkervinger.

In 1988 benoemde Jack Horner een tweede soort: Brachylophosaurus goodwini gebaseerd op specimen UCMP 130139, een skelet met schedel gevonden bij de Skull Crest in Hill County, Montana. De soortaanduiding eert Mark Goodwin, preparateur bij de Universiteit van Californië. Het specimen bestaat uit de achterkant van de schedel, halswervels, de volledige schoudergordel en beide opperarmbeenderen. Door Albert Prieto-Márquez is B. goodwini in 2005 beschouwd als een jonger synoniem van B. canadensis. De status als eigen soort zou gebaseerd zijn op een foute reconstructie van het neusbeen en een te groot belang hechten aan individuele variatie. Horner meent echter dat B. goodwini in relevante details verschilt en dat zijn status gezien de beperkte resten onzeker is. Het specimen is gevonden in een laag van de Judith River Formation waarvan de ouderdom bepaald is op 78,5 tot 78,2 miljoen jaar.

Sinds 1994 is er in Phillips County, Montana, door fossielenjager Nate Murphy in de Judith River Formation een aantal zeer complete fossielen van Brachylophosaurus ontdekt, waaronder zogenaamde 'mummies', dat wil zeggen: zandafgietsels van het oorspronkelijke lichaam. De vindplaats betreft een beenderlaag waarin tot nu toe ongeveer achthonderd specimina zijn aangetroffen die grotendeels zijn ondergebracht onder het inventarisnummer MOR 1071. De vondsten variëren van losse botten tot volledige skeletten. Een van de best bewaarde mummies, specimen JRF 115 of JRF 115H, is 'Leonardo' die op 20 juli 2000 werd ontdekt door Dan Stephenson. De bijnaam is afgeleid van graffiti die op een nabijgelegen rots werd ontdekt: Leonard Webb loves Geneva Jordan 1916. Een later skelet werd 'Roberta' gedoopt en daarop volgde 'Peanut', een mummie van een jong dier. In mei 2008 werd het skelet 'Marco' ontdekt door Steven Cowan. Deze exemplaren werden voor 2005 toegewezen aan B. goodwini. thumb|De lagen bij de Oldman River In 1953 beschreef C.M. Sternberg voornamelijk de schedel. In 2005 en 2007 beschreef Prieto-Márquez respectievelijk de kop en de postcrania aan de hand van de nieuwe vondsten. In 2010 beschreven Robin Cuthbertson en Robert B. Holmes het holotype opnieuw en nu volledig. Daarbij vielen hun verschillen op met de exemplaren uit Montana en ze suggereerden dat die, onafhankelijk van de vraag naar de geldigheid van B. goodwini, een aparte soort vertegenwoordigden.

Verdere vondsten die aan Brachylophosaurus zijn toegewezen omvatten: FMNH PR 862: een gedeeltelijke schedel die al in 1922 was opgegraven op een tegenwoordig onbekende locatie; MOR 720: een hersenpan; MOR 794: een zeer volledig en in verband liggen skelet met schedel van een volwassen dier uit Montana; MOR 940: een hersenpan; en TMP 90.104.01: een gedeeltelijk skelet met schedel in 1990 ontdekt bij Manyberries in Alberta.

In 2010 suggereerde Gregory S. Paul dat Maiasaura als een ondergeslacht van Brachylophosaurus beschouwd zou kunnen worden, hoewel hij het niet formeel zo hernoemde.

Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken thumb|Vergelijking in grootte tussen een negen meter lange brachylophosaurus en een mens Brachylophosaurus is een vrij grote hadrosauride. In 2010 schatte Paul de lengte op elf meter, het gewicht op zeven ton.

Brachylophosaurus heeft een relatief kleine kop voor een hadrosauride, wat lijkend op die van een paard. Hij heeft ook erg lange onderarmen. Zoals bij alle hadrosauriden was het dier in staat op vier poten te lopen of op de veel krachtiger achterpoten alleen. Het lichaam werd in dit laatste geval in evenwicht gehouden door de lange puntige horizontale staart, verstijfd door een 'latwerk' van verbeende pezen. Ondanks de aanzienlijke absolute grootte is Barchylophosaurus voor een hadrosauride vrij elegant gebouwd.

Horner gaf in 2015 een herziene lijst van onderscheidende kenmerken van Brachylophosaurus canadensis. Twee daarvan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. De kam gevormd door de neusbeenderen is plat en peddelvormig bij volwassen exemplaren en overhangt de bovenste slaapvensters grotendeels of geheel. De achterrand van het prefrontale overlapt het voorhoofdsbeen en is meer naar achteren naar binnen en beneden gericht om de onderkant van de schedelkam te ondersteunen en een bijdrage te leveren aan de voorrand van het bovenste slaapvenster. Verder is er nog een kenmerk dat op zich niet uniek is maar verder niet in combinatie met bovengenoemde autapomorfieën voorkomt: de voorste tak van het traanbeen is extreem verlengd en raakt alleen met de punt het bovenkaaksbeen.

Horner gaf in 1988 een lijst onderscheidende kenmerken van B. goodwini. Op het raakvlak van het voorhoofdsbeen en het postorbitale bevindt zich een diepe afgeronde put. De bovenste tak van het neusbeen heeft een hol bovenvlak. De achterste buitenrand van het neusbeen raakt de rand van de oogkas. De tak van het jukbeen naar het quadratojugale loopt evenwijdig aan de tak naar het postorbitale. Volgens Prieto-Márquez komt de put ook bij sommige exemplaren van B. canadensis voor, zij het in een wat ovalere vorm. Bij andere hadrosauriden bestaat het kenmerk ook wel en toont ook daar individuele variatie. Het vermeende holle bovenvlak van het neusbeen werd veroorzaakt door het ondersteboven plaatsen van dit beschadigde element in de reconstructie. Dit verklaart ook waarom het de oogkas raakt. De takken van het jukbeen blijken bij de nieuwe exemplaren sterk in oriëntatie te verschillen. In 2015 kwam Horner met een mogelijk nieuw onderscheidend kenmerk: er zouden zich diepere zijdelingse uithollingen op de voorhoofdsbeenderen bevinden.

Skelet Schedel thumb|upright=1.7|Een afgietsel van de schedel van het holotype De schedel van Brachylophosaurus is relatief plat met naar achteren wijkende oogkassen en onderste slaapvensters. Er is een enorm schuin naar achteren liggend neusgat met een grote omringende uitholling. Op de kop ligt een platte brede peddelvormige kam, gevormd door de neusbeenderen, in een vrijwel horizontale positie.

De voorste schedelbeenderen, de praemaxillae, vormen een sterk afhangende bovensnavel met schijntandjes. In zijaanzicht wijkt de kaakrand achter deze snavel abrupt naar boven. In bovenaanzicht bevindt zich op hetzelfde punt een abrupte insnoering waarbij het profiel bijna een rechte hoek maakt. De snuit is hierdoor achter de snavel over een grote lengte extreem versmald. De voorkant van het bovenkaaksbeen is door een ronde inkeping in een onderste en zeer lange bovenste tak verdeeld. Het bovenkaaksbeen draagt volgens Prieto-Márquez tussen de veertig en drieënveertig tandposities. In 2010 werd er echter op gewezen dat TMP 90.104.01 er aan de rechterzijde achtenveertig heeft en dat sommige jonge dieren er slechts drieëndertig hebben. Per positie zijn er typisch drie tanden waarvan er soms twee bijdragen aan het slijtvlak maar vaker slechts een. De tandkroon heeft een verticale middenrichel die het spits niet bereikt. Het jukbeen raakt het neusbeen niet en heeft een scherpe punt op de voorste tak en een zeer lange en dunne tak naar het postorbitale. Het hoofdlichaam loopt naar beneden, bezijden en achteren uit in een afhangende bult. Over deze bulten gemeten is de schedel veel breder dan bij de snuit. Het quadratojugale is een ruitvormig element tussen het jukbeen en een hoog en lang quadratum met een hol gekromde achterrand en uitgeholde binnenste zijrand. De quadrata vormen verreweg de breedste punten van de schedel. Het traanbeen is wigvormig met een bovenaan een scherpe punt die naar binnen buigend in het prefrontale steekt. Het prefrontale raakt vooraan de onderste tak van de praemaxilla. Naar achteren is er een lange lengterichel en daarna een meer naar binnen lopende groeve die naar voren uitloopt in een of twee grote foramina. De achterste tak loopt, de rand van het voorhoofdsbeen overlappend, spits tot onder de neuskam maar levert daar geen bijdrage aan. Het postorbitale is een klein element met een lang neergaande tak richting jukbeen die sterk hol naar voren kromt. De achterste tak overlapt de voorste tak van het squamosum. De squamosa in de achterhoeken van het schedeldak worden gescheiden door de middenkam van de wandbeenderen. Het squamosum sluit in het midden aan bij de onderkant van het supraoccipitale. De tak vóór het quadratum is erg kort, die achter het quadratum lang. thumb|left|De snuit van Brachylophosaurus (A) vergeleken met die van andere hadrosauriden; de praemaxilla in het donkergrijs en het neusbeen in het lichtgrijs