God in het jodendom is door de tijd heen op verschillende manieren begrepen.James Kugel (2003): The God of Old, Inside the Lost World of the Bible, New York: Simon & Schuster In het traditionele jodendom was De Hebreeuwse Jod komt het meest overeen met de Nederlandse J (of de i wanneer gebruikt als klinker). In het Engels en het Frans klinkt J als dzj, daarom gebruikt men in die talen de Y. Wij kiezen ervoor in dit artikel de Jod weer te geven als J. de God van Abraham, Isaak en Jakob en de nationale god van de Israëlieten, die hen bevrijdde uit slavernij in Egypte en hen op de berg Sinaï de wet van Mozes gaf, zoals beschreven in de Hebreeuwse Bijbel. Volgens de rationalistische stroming in het jodendom, vooral belichaamd door Maimonides en later de belangrijkste invloed op het traditionele joodse denken, wordt God begrepen als het absolute, ondeelbare en onvergelijkbare wezen dat de uiteindelijke oorzaak is van alles dat bestaat. Traditioneel is God zowel persoonlijk als transcendent, maar moderne interpretaties benadrukken dat God een kracht is of een ideaal.Modern Jewish views of God op myjewishlearning.com. Gearchiveerd op 26 april 2023.
Er zijn verschillende namen voor de God in het jodendom. In de Hebreeuwse Bijbel zijn de meestgebruikte het Hebreeuwse tetragrammaton יהוה () en . Andere namen van God die worden gebruikt in het traditionele jodendom zijn en .
Aard van God in het jodendom God wordt beschouwd als almachtig. Op God zijn volgens het jodendom aardse begrippen van welke vorm dan ook niet van toepassing. God heeft geen einde en geen begin, geen vorm en geen geslacht, en de benamingen die wij voor God gebruiken worden gezien als zinnebeeldig: er is geen enkel begrip in welke aan de mens bekende taal dan ook dat God correct omschrijft.
Het jodendom verbiedt het maken van afbeeldingen die God zouden moeten voorstellen ten strengste en beschouwt dit als ketterij. Gebed dient enkel direct aan God gericht te zijn, en niet aan een tussenpersoon. Wel is er in het jodendom veelvuldig sprake van gebed (met name in de vorm van Psalmen zeggen) bij de rustplaatsen van grote rabbijnen, waarbij echter enkel tot God gebeden wordt en niet tot de overleden rabbijn; men gelooft dat door het bidden bij de rustplaats van de grote rabbijnen God hen gunstiger zal beoordelen.
Historische context In de raad van El
De Hebreeuwse Bijbel bevat diverse taalkundige en conceptuele fossielen die aantonen dat de oudste godsbeelden in het jodendom passen binnen de polytheïstische Kanaänitische mythologie van het 2e millennium v.Chr. was oorspronkelijk een ondergeschikte god in het Kanaänitische pantheon, waarvan El de hoofdgod was.
Zo laat Psalm 82 God verschijnen in de raad van El en beoordeelt Hij de andere goden als slechte heersers. Dit komt niet alleen overeen met de positie van El als het hoogste gezag van de cirkel van goden, waaronder de goden vervolgens tegen elkaar vechten om hun aanspraken op koningschap. Het ideaalbeeld van heersers zoals beschreven in Psalm 82:2-4 komt ook voor in de context van de El-georiënteerde verhalen uit Ugarit over Keret en Danil. Bij het benoemen van de goden als עֶלְי֣וֹן וּבְנֵ֖י, , "zonen van Eljon" (Psalm 82:6) komen we Eljon tegen als een naam van El, die in deze functie ook op andere plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel wordt gebruikt (Deuteronomium 32:8-9; Jesaja 14:10-14; Genesis 14; Daniël 7). Ook Psalm 89:6-8 plaatst tussen de andere goden in de (hemelse) raad (vergelijk 1 Koningen 22:19; Jesaja 6:1-3; Job 1-2; Genesis 1:26).
Andere (mogelijke) fossielen van de El-traditie kunnen worden aangetroffen in Psalm 73:15,17, niet alleen omdat hier ook weer de "zonen van God" worden genoemd, maar ook omdat alleen in de omlijstende verzen 1 en 28 wordt genoemd. In Psalm 77:10-11 wordt een aanroeping van El Eljon gevonden, waarin een verwijzing naar het motief van de Oertijd wordt aangetroffen en naar de diepste aard van vriendelijkheid van deze godheid. In deze psalmen wordt God ook Adonai, "Heer" genoemd (Psalm 73:20; 77:8), een titel die volgens Papyrus Amherst 63 ook voor El werd gebruikt.o.a. Papyrus Amherst 63 XII,11f
Hoewel de Hebreeuwse Bijbel in zijn definitieve vorm als de enige God presenteert, kan worden gezien dat deze laatste pas naarmate de Israëlitische religieuze geschiedenis voortschreed de positie van El innam. Op sommige plaatsen wordt vooral duidelijk dat dit proces, dat plaatsvond in de context van de vorming van joods monotheïsme, zich waarschijnlijk over een langere periode uitstrekte en veronderstelt dat de El-tradities in Israël bleven bestaan tot aan de Perzische periode (537 v.Chr. – ± 343 v.Chr.). Het is niet duidelijk of een weergod was zoals El, maar hier zijn wel aanwijzingen voor (bijvoorbeeld Psalm 68:5; Deuteronomium 32:2).
Het naast elkaar bestaan van El en was theologisch niet problematisch, tenzij strikt monotheïsme de overhand had, aangezien El de positie van als God van Israël niet in twijfel trok. Pas toen de theologie van "Eén God" zich in absolute zin ontwikkelde in de periode na de Babylonische ballingschap, werd het bestaan van een duidelijk nog levende El-traditie problematisch. De relatie tussen El en kon echter vrij eenvoudig worden opgelost door de twee goden te vergelijken, vooral omdat het in het Hebreeuws אֵל, ook kan worden begrepen als "god" of meer specifiek "(de) God". De echo's van El, vooral in de verhalen over de aartsvaders, kunnen goed worden begrepen in de context van een theologische ontwikkeling waarin nu volledig de positie van El inneemt en El daardoor de god van Israël wordt, met als apotheose:
Er is twijfel over of in de Perzische periode de identificatie van met El werd beëindigd. Dit zou ook kunnen verklaren waarom El zonder een lidwoord als de naam van JHWH zeer vaak wordt gebruikt in de Dode Zee-rollen en door Jezus SirachMet uitzonderingen in een citaat van Deuteronomium 7:9 in 4Q393 frag. 3,2 en Sirach 4:25 [Ms. A]) en de auteurs het gebruik van אֵל, in algemene zin ook voor buitenlandse goden duidelijk vermijden.Met als uitzondering: 4Q504 frag. 1-2R V 3 De joodse auteurs van de Hellenistisch-Romeinse periode waren daarom bekend met El / אֵל , , "God" als een soortnaam, maar die nu duidelijk JHWH was toegewezen. Van belang is dat dit gebruik verdwijnt in de hierop volgende rabbijnse literatuur. Hierin wordt El / אֵל , als de naam van in wezen alleen aangetroffen in de liturgische taal die teruggaat op de tradities van de tweede tempel. אֵל, was dus een aanduiding voor God die in de rabbijnse tijd grotendeels verouderd was.
JHWH
Ergens in de ijzertijd werd de nationale god van de koninkrijken Israël en Juda.P.D. Miller (2000): God and the Gods: Deity and the Divine World in Ancient Israel, The Religion of Ancient Israel, Westminster John Knox Press, pag. 1–4. Gearchiveerd op 15 juli 2023. Over de precieze oorsprong van deze god is geen consensus, maar deze stamt op zijn laatst uit de vroege ijzertijd of misschien zelfs de late bronstijd.M.S. Smith (2010): God in Translation: Deities in Cross-Cultural Discourse in the Biblical World, Eerdmans, pag. 96–98. Gearchiveerd op 15 juli 2023.
De naam Jhw duikt voor het eerst op in Transjordanië, vanaf 1400 v.Chr., namelijk in Egyptische teksten van Amenhotep III die verwijzen naar een volk dat daar leefde: "Jhw in het gebied van de Shasu".T. Römer (2015): "Between Egypt and Seir". The Invention of God, Harvard University Press, pag. 38–42 Stammen werden wel meer geïdentificeerd aan de hand van de godheid die zij aanhingen. In dit geval zou Jhw duiden op Jaw of Jahu, de naam waarvoor de vroegere El door een stam werd ingeruild. Veel persoonsnamen van deze stam die eerder el bevatten (Elia, Natanaël), kregen nu ja als suffix. El zou dus de evolutionaire voorloper zijn van Jahweh.Kerrigan,Michaël; Alan Lothian, Piers Vitebsky (1998): pag. 137
Latere teksten in Ugarit opgegraven komen volgens taalgeleerden qua stijl erg dicht bij die van de Tenach en vermelden El en Baäl ("de Heer") tezamen.Kerrigan,Michaël; Alan Lothian, Piers Vitebsky (1998) Midden-Oosterse Mythen, De eerste Heldendichten, pag. 97 Het vroeg Hebreeuws lijkt bovendien heel erg op het Ugaritisch. Michaël Kerrigan c.s. menen dat de latere profeten van het Oude Testament Baäl als een valse god en vijand verketterden om het verband tussen Baäl en El te ontkennen.Kerrigan,Michaël; Alan Lothian, Piers Vitebsky (1998) Midden-Oosterse Mythen, De eerste Heldendichten, pag. 135 In Ugarit was El echter de vader van de vruchtbaarheidsgod Baäl en zijn strijdbare zuster Asnat.Cyrus H. Gordon; Vóór de Bijbel; 1966 het Spectrum Volgens Exodus 6 werd God door de stamvaders van Israël vereerd als El Sjaddai. El betekent hoog of verheven. Aan Mozes maakt God zich bekend als JHWH, "ik zal er (altijd) zijn voor u". De naam El blijft meestal in de meervoudsvorm Elohim, een aanduiding van God. Het woord Baäl, heer, wordt helemaal verbonden met de vruchtbaarheidscultus, zodat men later zelfs in de geschriften namen als Isbaäl en Mefibaäl veranderde in Isboseth en Mefiboseth (Boseth = schande). Aanvankelijk zal Baäl echter een neutraal woord geweest zijn.Bijbelse Encyclopedie, Baäl, blz. 93; Kok 1979 Op kleitabletten, gevonden tijdens opgravingen in Ebla, komt de naam Ja (Jaw (JW), Jahu (JHW)) overigens al voor (zie ook Ea).Bermant, Chaim en Weitzman, Michael: Ebla. Syrië, bakermat van de aartsvaders?
Van wordt ook wel aangenomen dat hij afkomstig was uit het zuidelijke Edom (Rechters 5:5-6; Habakuk 3:3), van de berg Sinaï (Psalm 68:9,18).
Monotheïsme Na de monolatristische wortels te zijn ontgroeid,J.M. Duffey (2013): Science and Religion: A Contemporary Perspective, Wipf and Stock werd het jodendom strikt monotheïstisch. Er is geen consensus over hoe dit monotheïsme ontstond in het oude Israël, maar "Jahwe kwam overduidelijk uit de wereld van de goden van het oude Nabije Oosten."M.S. Smith; P.D. Miller (2002): The Early History of God: Yahweh and the Other Deities in Ancient Israel (2e ed.), Eerdmans, pag. 10
In de verhalen over de aartsvaders komt polytheïsme veelvuldig voor, waarbij iedere stam een eigen beschermgod of -goden had (zie Terafim) (zie bijvoorbeeld Genesis 31:19,53). Er is geen twijfel over dat deze veelheid aan goden in de traditie uiteindelijk als werd geïdentificeerd. Het vertrekpunt hierbij waren polytheïstische vormen van een familie- of stammenreligie. Naast die familiecultus bestonden er plaatsgebonden cultussen met regionale heiligdommen.Vergelijk Silo in 1 Samuel 1 Deze moeten niet worden gezien als tempels, maar de in de deuteronomistische geschiedenis sterk veroordeelde bāmôt, "hoogtes", waar offers werden gebracht (Deuteronomium 12:2-4). Soms werd er een altaar opgericht (Genesis 12:7-8; 13:4,8; 22:9; 26:25; 33:20; 35:1-7), soms was het rechtopzetten en wijden van een steen (massebe) al voldoende (Genesis 28:18; 31:45; 35:14) — een gebruik dat later ook werd afgekeurd (Deuteronomium 16:22).
In de vesting Kuntillet ‘Aǧrūd zijn inscripties aangetroffen die spreken van " van Theman" en " van Samaria". Dit wordt wel "polyjahwisme" genoemd. Het kan hierbij om meerdere manifestaties van dezelfde gaan, die hier samen met "zijn" Ašerah wordt aangeroepen, een gebruik dat pas bij de hervormingen onder Josia werd verlaten (2 Koningen 23:6).