Hugo Distler (Neurenberg, 24 juni 1908 - Berlijn, 1 november 1942) was een Duits componist en vertolker van lutherse kerkmuziek. Hij geldt als de belangrijkste vernieuwer van de lutherse kerkmuziek na 1930. Zijn twaalf actieve jaren vielen samen met de opkomst van het nazisme.

Het leven van Hugo Distler valt in vijf periodes te verdelen: Hij groeide op in Neurenberg en kreeg er ook zijn eerste muzieklessen Aangezien hij daar niet werd toegelaten tot het conservatorium, ging hij in Leipzig studeren Nog voordat hij zijn studie kon afmaken, kreeg hij een baan als kerkmusicus in Lübeck Vanwege de kerkstrijd verhuisde hij naar Stuttgart, om daar aan de Württembergische Hochschule für Musik les te geven Hij verhuisde naar Berlijn omdat hij er tot professor benoemd was, maar kon de spanning niet meer aan en pleegde zelfmoord.

Moeilijke jeugd in Neurenberg (1908 – 1927) Hugo Distler werd op 24 juni 1908 geboren als buitenechtelijk kind van August Louis Gotthilf Roth en Helene Distler. Zijn moeder trouwde in 1912 met de Amerikaanse Duitser Anthony Meter en vertrok met hem naar Amerika. Meter wou Hugo adopteren, maar zijn familie kantte zich daartegen en zo bleef Hugo bij zijn grootouders in Neurenberg. Door het vertrek van zijn moeder ontstond bij de gevoelige jongen de indruk, dat hij ongewenst was en hij ontwikkelde gevoelens van angst en eenzaamheid, die hij zijn hele leven niet zou overwinnen. Omdat zijn grootouders een slagerij bezaten, hadden ze weinig tijd voor hun kleinzoon. Hij mist zo de liefde en stabiliteit van een geordend gezin en trok zich steeds meer terug.

Op school was Distler vooral geïnteresseerd in lezen. Als klasgenootjes samen speelden zat hij rustig in een hoekje te lezen. Zo kon hij zich terugtrekken en alleen zijn. Hij bezocht het Nürnberger Realgymnasium waar hij erkenning en begrip ondervond van de leraren en de directeur. Zijn klassenlerares raadde zijn grootouders aan om Hugo muziekles te laten volgen. Hij leerde piano spelen bij Carl Dupont, met wie hij ook urenlange gesprekken voerde over de zin van het leven. Toen hij elf was, gaf hij zijn eerste schoolconcert samen met Ingeborg Heinsen. Hieruit ontstond een innige vriendschap. Hugo bezocht met Ingeborg concerten en theatervoorstellingen. Ze waren bijna elke dag bij elkaar, meestal bij de familie Heinsen. Hij schreef zijn eerste - autodidactische - compositie voor haar. Samen volgden ze lessen in muziekgeschiedenis en muziektheorie. Hugo Distler was toen een liefhebber van Wagner.

Driemaal afgewezen In 1919 kwam zijn moeder als weduwe terug naar Neurenberg met haar zoon Anton. Vanaf dan groeide Distler op met zijn grootouders, zijn moeder, zijn vijf jaar jongere halfbroertje Anton, zijn tante Anna en haar man en zijn vijf jaar jongere nichtje Ruth Ditrich.

Na de dood van zijn oma en de ziekte van zijn opa moest hij zijn muziekonderwijs, dat zijn grootouders hadden gefinancierd, stopzetten uit geldgebrek. De jeugdige Distler probeerde een plek te krijgen op het Städtische Konservatorium maar werd geweigerd met als reden dat hij te weinig talent zou hebben. De afwijzing stelde hem teleur, maar vooral dankzij de motivatie van de familie Heinsen begon hij toch aan de vooropleiding. Na een half jaar werd hij voor de tweede keer afgewezen en na nog een half jaar voor de derde keer. De leraren spotten over zijn talent. Distler was ervan overtuigd, dat hij afgewezen was vanwege zijn ongewone thuissituatie. Een van zijn vroegere docenten gaf hem daarna gratis les. Na zijn examen aan de middelbare school in 1927 slaagde hij cum laude in een toelatingsproef aan het Landeskonservatorium in Leipzig.

De tijd in Neurenberg is voor Hugo Distler moeilijk geweest: de afwezigheid van zijn moeder, zijn grootouders die hem geestelijk niet konden stimuleren en de afwijzingen van het conservatorium lieten sporen na. Later deed Distler er alles aan, om zijn werk zo vaak en zo goed mogelijk in Neurenberg uitgevoerd te krijgen.

Studeren in Leipzig (1927 – 1930) De keuze voor Leipzig lag voor de hand: zijn tante Anna woonde er inmiddels en Distler kon bij haar thuis wonen. Aan het conservatorium studeerde hij orkestdirectie ('Kapellmeister') en piano. Toen al na enkele weken zijn compositietalent begon op te vallen, raadde Hermann Grabner hem aan om compositie en orgel gaan te studeren. Die raad volgde hij op, maar hij behield de lessen in directie en piano. Over een studie kerkmuziek dacht hij nog niet.

Grabner, die zijn orgel- en compositiedocent was, moest niets hebben van de moderne, avant-gardistische muziek van die tijd. Hij wilde terug naar de kunst van Johann Sebastian Bach en diens voorgangers. Distler zag in hem een vaderlijke vriend. Na zijn studie bleven ze in contact en Distler hield tot op het laatst rekening met zijn mening en raad. Dankzij een brief van Grabner kreeg Distler een studiebeurs en hij bezorgde Distler een plaats in de orgelklas van Günther Ramin.

Een van zijn oefeningen uit deze tijd beviel Distler zo goed, dat hij ze later gebruikte in de Kleine sonate voor piano (zonder opusnummer). Ook de liedbewerking Der grimmig Tod mit seinem Pfeil, het motet Heut ist uns ein Kindlein geboren die in 1991 voor het eerst werden uitgegeven, de Motetten Allein zu dir, Herr Jesu Christ, Ave Maria zart en de driestemmige koorfuga Gloria in excelsis deo die in 1998 voor het eerst werden gepubliceerd stammen uit die tijd.

Distler was gevoelig voor kritiek: het geringste negatieve oordeel kon hem compleet uit het lood slaan en een positief oordeel kon grote vreugde bij hem oproepen.

Bij Günther Ramin studeerde een generatie getalenteerde organisten: Gerhard Bremsteller, Eduard Büchsel, Karl Richter en Carl Seemann. Distler volgde ook les in liturgisch orgelspel bij Friedrich Högner. Ramin en Högner streefden naar de heropleving van het barokke klankideaal. Door de concerten van Högner maakte Distler voor het eerst kennis met oude historische orgels. Om wat bij te verdienen werd hij dirigent van de zangafdeling van een sportclub in Leipzig.

Thomaskirche thumb|De Thomaskirche te Leipzig, waar Johann Sebastian Bach tot 1750 cantor was en waar Mozart in 1789 orgel speelde Distler was een tenger mannetje, maar hij bezat een ijzeren wil en discipline. Wanneer het om zijn vak ging, was hij compromisloos, doelbewust en soms verbeten. Muziek maakte hem enthousiast.

Door zijn beperkte financiële middelen kon hij zich maar weinig theater- en concertbezoeken veroorloven. Daarom bezocht hij vaak de Thomaskirche (Leipzig), waar werken van Lassus, Palestrina, Vulpius, Hassler, Gabrieli, Sweelinck, Praetorius, Schein, Schütz, Pachelbel, Buxtehude, Bach, Arnold Mendelssohn, Reger, Fortner en Ramin werden uitgevoerd. Distler was onder de indruk van de muziek van de oude meesters, maar ook van het uit 1921 daterende oratorium Le Roi David van Arthur Honegger. Het Gewandhaus vond Distler te duur, en zijn programmering te langdradig en weinig interessant. De opera van Leipzig trok hem wel aan, mits er moderne stukken werden opgevoerd.

In 1927 en 1928 woonde hij de eerste heruitvoering van Bachs Kunst der Fuge en het Musicalisches Opfer bij. In 1929 en 1930 woonde hij op het Leipziger Bachfest verschillende cantates en de Johannes-Passion bij.

Het componeren ging in 1930 na twee semesters zo goed, dat Distler zijn eerste grote werk, de Sonate voor twee piano’s, samen met studiegenoot Carl Seemann, op het conservatorium mocht voorspelen. In datzelfde jaar voerden beide studenten het werk uit voor de radio van Leipzig.

Dankzij Karl Straube, directeur van het kerkmuziekinstituut en Thomascantor, werden zijn eerste werken aangeboden bij de uitgeverij Breitkopf & Härtel. De uitgever koos uit de vijf aangeboden werken de Concertante sonate voor twee piano's opus 1 en het motet Herrlich lieb hab’ ich Dich, o Herr opus 2 uit en nam die in druk. Distler verdiende zijn eerste contract. Later probeerde hij nog om die werken weer uit het aanbod van de uitgever te verwijderen, omdat hij er niet meer tevreden over was, maar hij kon het daarvoor nodige bedrag niet betalen. De eveneens aangeboden Kamermuziek voor fluit, hobo, viool, altviool, cello en piano opus 3 werd in 1988 ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van Distler voor het eerst opgevoerd en in 1994 door Strube-Verlag uitgegeven.

Kerkmusicus in Lübeck (1931 - 1937) Op voorspraak van Günther Ramin vroeg dominee Axel Werner Kühl, een van de voorgangers van de St. Jacobikerk in Lübeck Distler om te solliciteren naar de baan als organist van die kerk. Aangezien zijn grootvader - die hem financieel had ondersteund - was overleden en de economisch slechte situatie het onmogelijk maakte om zelf nog genoeg bij te verdienen, moest hij hiervoor zijn studie onderbreken. Op 30 november 1930 moest hij samen met twee kandidaten uit Lübeck voorspelen. Hoewel het vakkundige oordeel eensgezind luidde, dat Distler de beste van de drie kandidaten was, wilde de helft van het kerkbestuur iemand uit Lübeck aanstellen vanwege van de slechter wordende economie. Doordat de stemmen staakten kwam er een loting en die viel in het voordeel van Hugo Distler uit. Op 15 december stuurde Distler dominee Kühl een brief met daarbij een kleine cantate, gecomponeerd ter gelegenheid van het afscheid van zijn voorganger, de 87-jarige Emanuel Kemper.

De baan aan de St. Jacobi betaalde maar 60 Reichsmark per maand met de mogelijkheid om door zogenaamde Abendandachten en het dirigeren van het amateurkerkkoor bij te verdienen. Toen Distler hoorde, hoe men tot zijn benoeming was gekomen, schreef hij een brief, waarin hij de selectieprocedure bekritiseerde, maar de uitkomst als van hogerhand bepaald zag. Hij eiste volstrekte vrijheid in zijn werk alvorens hij zou kunnen beginnen in 1931. Nu werd zijn inkomen verhoogd tot 70 Reichsmark en door de bijverdiensten kwam zijn maandinkomen uiteindelijk op 110 Reichsmark uit, omgerekend naar 2008 zo'n 500 euro.

Lübeck was sinds Franz Tunder en Dietrich Buxtehude een centrum van kerkmuziek. Ondanks de economische toestand dreef dominee Kühl de aanstelling door van een beroepsorganist voor de St. Jacobikerk. Hij was ook actief lid van de Berneuchener Kreis, een herbezinningbeweging voor theologie en liturgie. Kühl was verantwoordelijk voor de eerste uitvoering van de Mattheuspassie van Heinrich Schütz in het kader van een liturgie. De Lübecker Sing- und Spielkreis zong ze voor het eerst op Goede Vrijdag 1930 en herhaalde dit jaarlijks.

thumb|Het Stellwagen-orgel van de Sint-Jakobus-kerk in Lübeck, waarop Buxtehude vanaf 1668 speelde. Distler werd op 11 januari 1931 feestelijk ingewijd. Aanvankelijk voelde hij in het arme Lübeck heimwee naar Leipzig; hij voelde zich onbevredigd en wilde zijn studie in Leipzig afmaken. Maar door het vele werk en het componeren kwam hij daar niet meer aan toe. Aangezien hij nu kerkmusicus was verdiepte hij zich in de liturgie en de muzikale mogelijkheden daarvan. In de kerk beschikte hij over twee orgels, waarvan vooral het kleinere Stellwagen-orgel een meesterwerk van voorbarokke orgelkunst was. Door zijn werk als dirigent van de kerkkoren en door mee te zingen in de Lübecker Sing- und Spielkreis onder leiding van Bruno Grusnick leerde hij de mogelijkheden van amateurkoren goed kennen. Grusnick zette zich samen met dominee Kühn en Hugo Distler in voor de vernieuwing van de liturgie. Ook kwam Distler door Grusnick voor het eerst in contact met de Jugendsingbewegung en haar idealen. Verder nam Distler enthousiast deel aan de activiteiten van de Gesellschaft für neue Musik.