Franz Wilhelm Junghuhn (Mansfeld (Koninkrijk Westfalen), 26 oktober 1809 – Lembang (Java), 24 april 1864) was een Pruisisch-Nederlandse ontdekkingsreiziger, indoloog, landmeter, arts, geograaf, geoloog en botanicus. Als onderzoeker bracht hij in dienst van de autoriteiten van Nederlands-Indië de geografie, geologie en natuur van Java en de Bataklanden op Sumatra in kaart. Naast het wetenschappelijk vastleggen van zijn ontdekkingen schreef Junghuhn ook boeken over zijn reizen, bekend vanwege hun gekleurde litho's van Indische landschappen.

Junghuhns werk was een grote stap vooruit in de kennis van de natuur van de tropen en in het bijzonder van Nederlands-Indië (tegenwoordig Indonesië). Zijn boeken vormden in zijn tijd samen de meest nauwkeurige en complete beschrijving van een gebied in de tropen en zijn gegevens en verzamelingen zouden nog jaren na zijn dood leiden tot nieuwe ontdekkingen en inzichten.

Biografie Jeugd, studententijd en Algerije Junghuhns vader, een ongediplomeerd mijnarts, wilde dat zijn zoon arts werd en stelde een predikant aan als privéleraar. De jonge Junghuhn had zo'n hekel aan zijn leraar dat hij zijn hele leven een afkeer van de clerus zou blijven houden. Hij begaf zich al in 1825 naar de universiteit van Halle om medicijnen te gaan studeren. Omdat hij nog veel te jong gevonden werd, lukte het pas in 1827 zich in te laten schrijven. Onder invloed van zijn vriend Hermann Burmeister wijdde hij zijn tijd echter aan de bestudering van de natuur. In 1830 wist hij een studie van lokale soorten paddenstoelen gepubliceerd te krijgen in de Linnaea. Dit zorgde voor een breuk met zijn vader, die zijn financiële steun staakte. Door zijn persoonlijke bezittingen te verkopen en allerlei kleine baantjes probeerde Junghuhn het hoofd boven water te houden. Pas na een zelfmoordpoging in de lente van 1830 verzoende zijn vader zich weer met hem.

Junghuhn zette zijn studie medicijnen daarna voort in Berlijn. In 1831 trad hij echter in militaire dienst. Bij een afscheidsfeest in Berlijn maakte hij ruzie met een Zwitserse student, wat leidde tot een duel met het pistool tussen de twee. Junghuhn kreeg daarbij een kogel in zijn linker dij.Siebert 2002, p. 47 Op dit soort duels stonden in die tijd zware straffen: Junghuhn werd veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Hij hoefde deze straf niet direct uit te zitten omdat hij al als hospik aan een in de Hunsrück gelegerde veldbatterij was toegewezen. Pas een paar maanden later kreeg de commandant van de batterij bevel Junghuhn op te pakken en naar de militaire gevangenis in de Festung Ehrenbreitstein te Koblenz te sturen, waar hij op 1 januari 1832 aankwam.

thumb|300px|Junghuhns tekening van de ruïne van de "Tjandi Sebu" (Candi Sewu) bij de Prambanan, 1836.Uit de (zeldzame) meerkleurige uitgave van Junghuhns Topographischer Atlas zur Reise durch Java Na een jaar gevangen te hebben gezeten wist Junghuhn zich, door een longontsteking voor te wenden, over te laten plaatsen naar het militaire hospitaal van Koblenz. Een terugplaatsing in de gevangenis wist hij in januari 1833 te verhinderen door een psychische aandoening te simuleren. In september van dat jaar wist hij uit het hospitaal te ontsnappen. Via Trier vluchtte hij naar Luxemburg en op 22 september stak hij de Franse grens over. Hij meldde zich aan als arts bij het Franse vreemdelingenlegioen in Toulon, maar werd slechts als soldaat gerekruteerd. Van januari tot juni 1834 was hij in Algerije gestationeerd. Daar nam hij deel aan een schermutseling met Arabische soldaten maar kreeg ook toestemming de lokale planten te bestuderen. Na vijf maanden dienst werd hij ongeschikt bevonden en uit het legioen ontslagen.

Junghuhn reisde naar Parijs, waar hij probeerde zijn naam te zuiveren. In antwoord op zijn verzoek ontving hij echter een brief van de Pruisische ambassade, waarin hem werd meegedeeld dat hem al meer dan een jaar daarvoor gratie verleend was. In Parijs zocht hij mycoloog Christiaan Hendrik Persoon op, die hem aanraadde de plantenwereld van de Soenda-eilanden te bestuderen door via het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk dienst te nemen in het Nederlandse koloniale leger in Indië.

Junghuhn schreef zijn ervaringen in gevangenschap en in het Franse legioen in 1834 op. Pas in 1909 zou dit gepubliceerd worden onder de naam Flucht nach Afrika.Schmidt 1909, p. 157–314.

thumb|300px|Tekening van de noordzijde van de Merapi, waarin Junghuhn zichzelf op de voorgrond tekende.

Eerste verblijf op Java Junghuhn besloot Persoons advies ter harte te nemen en na een kort verblijf in Duitsland reisde hij naar Nederland. Eind 1834 deed hij een medisch examen in Utrecht, waarna hij een baan als legerarts in Indië toegewezen kreeg. In juni 1835 voer hij met de driemaster Jacob Cats naar Java, waar hij op 13 oktober in Batavia aankwam. Pas dertien jaar later zou hij terugkeren naar Europa.

Junghuhn werkte daarna als arts in de militaire ziekenhuizen van Batavia en Semarang. In dezelfde tijd bestudeerde hij de lokale plantenwereld, beklom de bergen in de omgeving en schreef al zijn ontdekkingen op, waardoor hij door zijn collega’s van plichtsverzuim beschuldigd werd.

In 1836 werd hij overgeplaatst naar Djokjakarta (Yogyakarta). Hij verkende in deze tijd het vanwege zijn talrijke kegelvormige bergen Gunung Sewu (duizend bergen) genoemde karstgebied aan de zuidkust van Java, om daarna de vulkaan Merapi te onderzoeken. Hij beklom de 2900 meter hoge vulkaan meerdere malen en bracht hem nauwkeurig in kaart. De hoogte mat hij met een zelf uit bamboe en glas gemaakte barometer, die onderweg continu rechtop gehouden moest worden.

In 1837 werd Junghuhn onder de Duitse arts E.A. Fritze geplaatst, die zelf ook in natuuronderzoek geïnteresseerd was. Fritze stelde Junghuhns interesse op prijs en nam hem mee op twee inspectiereizen. Op de eerste reis, door West-Java, werden talloze vulkanen onderzocht, waaronder de Patuha, de Tangkuban Perahu, de Guntur en de Papandayan. Op de tweede reis, door Oost- en Midden-Java, werden de vulkanen Lawu, Sumbing, Sindoro en Wilis, het Tenggergebergte met de Bromo en de moddervulkanen bij Soerabaja onderzocht. Fritze onderzocht de geologie, verzamelde gesteentemonsters en berekende de hoogten, terwijl Junghuhn vooral de planten onderzocht.

Op Fritzes aanraden werd Junghuhn door de Nederlandse autoriteiten gesteund bij verder onderzoek op West-Java. Junghuhn bezocht meerdere malen de vulkanen Gede en Pangrango ten zuidoosten van Buitenzorg (Bogor). Hij beklom als eerste de 3019 m hoge Mandalawangi. Junghuhn publiceerde zijn waarnemingen en ervaringen onder de titel Topographische und naturwissenschaftliche Reisen durch Java.

Sumatra thumb|300px|Het eiland Pontjang Kitjil (Poncang Kecil) in de Tapanulibaai (nu: Teluk Sibolga), de Nederlandse voorpost van waaruit Junghuhn en Von Rosenberg het binnenland van Sumatra introkken. Uit Junghuhns Rückreise von Java nach Europa. thumb|300px|De vulkaan Dolok Lubuk Raya, die Junghuhn op 7 november 1840 beklom. Uit Von Rosenbergs Malayische Archipel. thumb|300px|Het dorp Gudarim Baru in het Batakgebied

In mei 1839 stierf Fritze, waardoor Junghuhn zijn beschermer kwijt raakte. Hoewel Junghuhn liefst zijn werk voor de Natuurkundige Commissie voort wilde zetten, was hij nog steeds in militaire dienst en zijn verzoek werd geweigerd. In maart en april onderzocht hij het vulkanische Diengplateau in Midden-Java, maar daarna werd hij naar Batavia geroepen, tot chirurg tweede klasse benoemd en in juli 1840 naar Padang (West-Sumatra) uitgezonden.

Wegens ziekte was hij gedwongen een boot later te nemen, wat tot een toevallige ontmoeting leidde die de rest van zijn levensloop zou beïnvloeden. Op de boot ontmoette Junghuhn Pieter Merkus, die als regeringscommissaris onderweg was naar Sumatra en twee jaar later tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië zou worden benoemd. Merkus bedacht dat Junghuhn beter van nut zou zijn als verkenner en onderzoeker dan als arts en gaf hem daarop de gevaarlijke opdracht de binnenlanden van Sumatra (het gebied van de Batak) in kaart te brengen. Junghuhn nam de opdracht dankbaar aan omdat hij nu eindelijk van zijn medische dienst bevrijd was. Hij kreeg als assistent de Duitse natuuronderzoeker Hermann von Rosenberg toegewezen.

De twee onderzoekers konden vanwege een kort daarvoor neergeslagen opstand van de Padri (in 1837 werd een "islamitisch-militant" oproer in de zogenaamde Paderi-oorlogen neergeslagen) niet gemakkelijk vanaf Padang het binnenland intrekken. Daarom namen ze het koopvaardijschip Justina langs de westkust van Sumatra naar het noorden. Op 2 oktober ankerde het schip in de Tapanuli-baai. Om strategische redenen was de Nederlandse buitenpost daar op een eiland voor de kust gelegen. Ze troffen hier de laatste voorbereidingen voor hun tocht naar het binnenland.Rosenberg 1878, p. 13

Slechts enkele dagen na het begin van de expeditie door het met oerwoud begroeide binnenland van Sumatra raakte Von Rosenberg verdwaald tijdens een jachtpartij. Toen Junghuhn zijn assistent terugvond was deze de uitputting nabij. Hij kreeg een zo heftige koortsaanval dat hij niet langer mee kon.Rosenberg 1878, p. 14-16 Junghuhn zette zijn onderzoek van de zuidelijke Bataklanden daarom alleen voort. Het verkennen en landmeten van dit moeilijk doordringbare terrein vergde veel van zijn fysieke en psychische krachten. Soms werd hij bedreigd door de wantrouwige inwoners, die enkele jaren daarvoor door Maleiers waren aangevallen. Ze hinderden hem bij zijn werk en beletten hem verder naar het noorden te trekken.

In nog niet in kaart gebracht gebied mat Junghuhn het land op door astronomisch van twee markante bergtoppen de geografische coördinaten (breedte en azimut) te bepalen. Daardoor was hij in staat de onderlinge afstand te berekenen. Vanaf deze basis stelde hij door hoek- en poolhoogtemetingen een geodetisch netwerk op. Daarmee voerde hij de eerste driehoeksmeting in Nederlands-Indië uit. Bijzonder aan dit feit is dat de metingen in de oerwouden en gebergten van Sumatra werden uitgevoerd, niet op het veel dichter bewoonde Java, waar het terrein veel makkelijker is voor een dergelijke meting. Het zou tot rond 1900 duren voor het gebied waar Junghuhn zijn metingen deed, geheel onderworpen werd aan het Nederlandse koloniale gezag.

De kaart die Junghuhn van West-Sumatra maakte was niet de eerste. De Britse oriëntalist William Marsden, die in Bengkulu aan de westkust woonde, had in 1811 al een kaart gepubliceerd. Deze bevatte de bergtoppen die men vanaf een schip kon zien, de bergruggen ertussen waren op Marsdens fantasie gebaseerd. Junghuhns kaart was de eerste poging het binnenland nauwkeurig te karteren. 190px 240px 260pxMarsdens kaart van Sumatra, 1811 (aspect)Junghuhns kaart van hetzelfde gebied, 1847, schaal 1:1.000.000Overzichtskaart uit de jaren 30, schaal 1:1.500.000

thumb|300px|Kaart van het Tenggergebergte, in 1844 door Junghuhn getekend. thumb|300px|Dieng-plateau, tekening uit Junghuhns Java-Album

Junghuhns kaart zou de weg bereiden voor latere ontdekkingsreizigers, zoals Ida Pfeiffer, en de eerste missionarissen. Het was onder andere de eerste kaart waarop de Mandailing, de slapende vulkaan Dolok Lubuk Raya en het Tobameer te zien zijn. Het laatste baseerde Junghuhn op berichten van de inwoners, de eerste westerling die het meer daadwerkelijk bezocht was de antropoloog Herman Neubronner van der Tuuk in 1853.Stöhr 1975, p. 140

Terug op Java