thumb|260px|Het kleinood, er is geen ster

De Koninklijke Orde van Maria Louisa of Réal Orden de María Luisa, recent ook Orden de las Damas Nobles de María-Luisa geheten, werd op 21 april 1792Volgens Maximilian Gritzner en de encyclopædie van F. A. Brockhaus 14. Auflage, 1894-1896, andere bronnen noemen 19 maart 1792Beschreibung sämtlicher Orden, deren Abbildungen in dem Farbendruck-Werk: "Die Orden, Wappen und Flaggen aller Regenten und Staaten", enthalten sind., Verfasser: ?, Leipzig, 1883-1887, ingesteld door Karel IV van Spanje ter ere van zijn echtgenote Maria Louisa.

Geschiedenis In de 18e en 19e eeuw zijn tal van damesorden ingesteld aan de Europese hoven. Zo bestonden in Wenen de Orde van de Slavinnen van de Deugd en de Orde van het Sterrenkruis, in München een Elisabeth-orde en in Sint-Petersburg een Orde van Sint-Catharina. Spanje bezat daarentegen nog niets vergelijkbaars. In de 18e-eeuwse damesorden werden edelvrouwen, men moet vooral aan de hofdames en aristocrates in hofkringen denken, opgenomen. De orden deden aan liefdadigheid en zij hielden religieuze plechtigheden. Politiek was het van belang om de adel met deze patronage aan de persoon van de vorst te verplichten.

In het oprichtingsdecreet overweegt de Spaanse koning dat "de koningin, zijn zeergeliefde gemalin, een nieuw middel kreeg om die adellijke dames die zich door hun diensten, werkzaamheden en eigenschappen onderscheidden, een teken van haar hoogachting te schenken" en dat de koningin zelf benoemingen mocht verrichten.

De Spaanse Bourbons twistten onderling en waren zo onvoorzichtig om Napoleon I in het conflict te betrekken. De Franse keizer zette Karel IV af en sloot de koning, de koningin, de minnaar Manuel de Godoy en de intrigerende kroonprins op in Franse kastelen. Koning Jozef Bonaparte van Spanje hief een aantal Spaanse orden, waaronder de Maria-Louisa-Orde in 1808 op, maar na de restauratie van de Bourbons werd de orde op 24 november 1816 door de nieuwe koningin, Maria Isabella opnieuw ingesteld.

De dertig dames moesten eenmaal per maand een ziekenhuis voor vrouwen of een weeshuis bezoeken en jaarlijks een mis voor de gestorven dames van de orde bijwonen. In 1796 kregen de dames in een op 20 maart getekend decreet het predicaat "Excellentie". Op 25 oktober 1800 werd ook een secretaris van de orde benoemd. Men mocht zelf een verzoek indienen om tot een van de ordedames te worden benoemd, oude adel was daarvoor een voorwaardeGritzner..

Tweemaal per jaar werden de dames geacht een kapittel bij te wonen en daar de hand van hun soevereine en Eerste Dame te komen kussen. Zij moesten ook bijzondere aandacht aan de verering van de heilige Ferdinand en aan de verering van de heilige Lodewijk, voorvader van de Bourbons, bijzondere aandacht besteden. Dit betekende dat de orde alleen aan katholieke edelvrouwen verleend kon worden omdat protestanten en aanhangers van andere geloven deze heiligen niet vereren. In de 19e eeuw ziet men desondanks dat protestantse edelvrouwen en ook Japanse prinsessen, zij zullen de shintogodsdienst hebben aangehangen, in de orde werden opgenomen. In het geval van de Franse keizerin Eugénie werd ook niet op de "oude adel" aan moederszijde gelet.

In de 19e eeuw werd het gebruikelijk dat het steeds de werkelijke koningin, niet de koningin-moeder zoals in Rusland bij de Orde van Sint-Catharina het geval was, de orde bestuurde.

Een decreet van 28 oktober 1851 legde vast dat de dames 300 reales moesten schenken aan de kas van de orde. In dit decreet werd ook vastgelegd dat een benoeming in deze orde moest worden goedgekeurd door de ministerraad. Zij zouden in het vervolg in het "Boletín Oficial del Estado" (de Staatscourant) worden gepubliceerd. Deze veranderingen zijn stappen op de weg van een ridderorde van een autocraat of absolutistisch vorst naar een ridderorde in een modern constitutioneel koningschap met ministeriële verantwoordelijkheid. right|400px|thumb|Maria-Louisa te midden van haar familie Na het aftreden van koningin Isabella II van Spanje heeft de regent, generaal Serrano, de orde van Maria-Luisa omgedoopt in een "Orden por la de Damas Nobles de España".

Koning Alfons XII van Spanje heeft in zijn decreet van 28 november 1878 vastgelegd dat de "Edele Dames" het kleinood van de orde bij minder plechtige gelegenheden ook aan een klein lint mochten dragen.

In een decreet van de Spaanse Republiek van 24 juli 1931 werd de orde officieel afgeschaft wat betekende dat een gezelschap van deze aard geen onderdeel van een regeling van de geseculariseerde Spaanse staat kon zijn. De graaf van Barcelona, erfgenaam van Alfons XIII, de verbannen koning, benoemde daarop in 1941 de prinsessen van zijn huis desondanks tot dames in de Maria-Luisa-Orde. Op grond van het in het staatsrecht en in het internationaal recht aanvaarde Ius sanguinem mag een voormalige soeverein of het hoofd van een voormalig regerend huis orden stichten en verlenen. In de daaropvolgende jaren werd ook Sophia van Griekenland tot dame in de orde benoemd. Zij heeft de orde gedragen tijdens de plechtigheid op 22 november 1975 waarop zij en Juan Carlos I tot koning en koningin werden uitgeroepen.

Verval van de Orde Op dit moment heeft de orde nog steeds een enkele graad, die van "Dama Noble" en het aantal dames is als vanouds beperkt tot dertig, waarbij de Spaanse prinsessen en de koningin niet worden meegerekend. Omdat de orde na 1936 en de val van de monarchie zo zelden werd verleend, zijn er in het begin van de 21e eeuw bijlange na geen dertig dames meer in leven. Tijdens de periode van Alfons XIII kende de orde een bloeitijdperk: in de 29 jaar werden ruim 235 dames van adel opgenomen. Na de restauratie van de monarchie kende de orde echter een snel verval: Juan Carlos beperkte zich tot drie benoemingenOpgave op, en diens zoon heeft sinds zijn eedaflegging nog geen enkele dame benoemd. Anno 2023 zijn er slechts 3 dames in leven.https://www.elespanol.com/mujer/mujeres-historia/20220610/orden-damas-nobles-reina-maria-luisa-distinciones/678932209_0.html. Gearchiveerd op 7 juni 2023.

De versierselen

Het kleinood is een ingewikkeld uitgevoerd gouden achtpuntig kruis van Malta. Op sommige kruisen zouden kleine gouden ballen op de acht punten zijn bevestigdGritzner tekent deze balletjes niet.. Op de vier violet geëmailleerde armenGritzner noemt ze bruin. met hun brede witte rand is een gouden ketting gelegd die achter de twee gouden torens in de armen van het kruis langsloopt en bevestigd is aan de halsbanden van twee springende gouden leeuwen. In het centrale ovale medaillon is de heilige Ferdinand binnen een violette ring zonder opschrift geschilderd. Op de keerzijde staat het monogram van de stichteres "ML". Op de ring staat " RL. Ordn. Dla. Reina Maria Louisa".

Als verhoging is een gouden, groengeëmailleerde lauwerkrans gebruikt. De krans is met een blauw lint vastgeknoopt. Op deze wijze is het kleinood met het lint verbonden.https://www.museodelprado.es/coleccion/obras-de-arte?search=real%20orden%20de%20damas%20nobles%20de%20la%20reina%20maria%20luisa&ordenarPor=pm:relevance. Gearchiveerd op 10 september 2023.

Het lint is wit met twee brede violette strepenGritzner noemt het lint wit met brede bruine strepen.. Men droeg het kleinood niet zoals bij damesorden gebruikelijk is aan een strik op de linkerschouder maar aan een grootlint over de rechterschouder op de linkerheup. Op de heup werd dan een grote, rijk geplooide rozet bevestigd. Men plooide het lint in de 19e eeuw, toen de mode voorschreef dat dames aan het hof gedecolleteerd verschenen, zo dat het geplooide lint de blote schouder niet raakte maar laag op de overgang tussen schouder en bovenarm werd vastgenaaid. Anders dan bij de meeste onderscheidingen die aan een grootlint gedragen werden, is er nooit een corresponderende ster geweest.

De dames van de orde 1792 - 2008 thumb|Maria Luisa van Parma, een van de eerste dames met het lint van de orde. 1. Koningin Maria Luisa van Spanje 2. Charlotte Joachime van Bourbon, infante van Spanje 3. Maria Amalia van Bourbon, infante van Spanje 4. Maria Louisa van Bourbon, hertogin van Lucca, koningin van Etrurië 5. Maria Isabella van Bourbon, infante van Spanje 6. Maria Teresa van Bourbon, infante van Spanje 7. Josefa van Bourbon, infante van Spanje 8. Maria Amalie, aartshertogin van Oostenrijk 9. Carolina van Parma, prinses van Parma, gehuwd met prins Maximiliaan van Saksen 10. Maria Antonieta van Bourbon, prinses van Parma 11. Carlotta van Bourbon, prinses van Parma 12. Florentina Pizarro y Herrera, 12. condesa de La Gomera 13. Laura María Castellví Cervellón y Mercader, 5. condesa de Cervellón, marquesa de Villatorcaz 1717 14. María Faustina Téllez-Giron y Pérez de Guzmán 15. María de La Portería Fernández de Velasco, 8. condesa de Peñaranda 16. Isabel Maria Pio, 7ª marquesa de Castel-Rodrigo 17. María Isidra Manrique de La Cerda y Guzmán, 1 9ª Duquesa de Nájera, 22ª condesa de Valencia de Don Juan. 18. María Teresa Ignacia Fernández de Córdoba y Pacheco, 8ª condesa de Baños 19. Maria de la Concepcion Belvis de Moncada y Pizarro 20. María de la Encarnación Álvarez de Toledo y Gonzaga 21. María Antonia de Godoy y Álvarez de Faria 22. Marie Joseph Julie du Chasteler de Moulbaix 23. María del Pilar Fernández de Hijar 24. María Agustina Adorno y Sottomayor 25. Josefa Joaquina de Olazábal y Murguía 26. María Josefa Rebolledo de Palafaox y Bermúdez de Castro 27. María Luisa Centurión y Velasco, 8ª marquesa de Estepa 28. Maria Vicenta Pacheco Téllez-Girón 29. Ana María Fernández de Córdova Figueroa y Moncada 30. Joaquina de Benavides y Pacheco, 3ª duquesa de Santisteban del Puerto 31. María de las Angustias Fernández de Cordova y Pacheco 32. María Joaquina de los Desamparados de Montserrat y Acuña 33. María Josefa de la Soledad Alfonso-Pimentel de Borja Zúñiga Enríquez Ponce de León, 12ª duquesa de Arcos 34. María Teresa del Pilar de Olivares y Cepeda, 2ª marquesa de Villacastel de Carrias 35. María Ana de Palafox 36. Carolina Augusta, prinses zu Stolberg-Gedern 37. María de la Concépción Teresa Fernández de Córdoba y Sarmiento 38. Francisca de Paula de Quiñones y Cabrera 39. Francisca de Paula de Benavides y Fernández de Córdova 40. María Luisa de Silva y González de Castejón, 15ª condesa de Cifuentes 41. María Antonia Fernandez de Córdoba y Sarmiento de Sotomayor 42. María Teresa Fernandez de Hijar y Palafox 43. María Fernanda Fitz-James-Stuart y Stolberg-Gedern 44. Isabel María Parreño Arce y Valdés 45. Francisca María Dávila y Carrillo de Albornoz, condesa de Truillas 46. María Cayetana de Galarza y Brizuela, 3ª condesa de la Oliva del Gaytán, 5ª condesa de Fuenrubia 47. Francisca María Bejarano del Aguila, marquesa de Sofraga 48. Ana María de Contreras y Vargas Machuca, 6ª condesa de Alcudia 49. María Antonia Teijeiro de Valcárcel y Puixmarín, marquesa de Albudeyte 50. María de la Portería de Benavides y Pacheco 51. Cayetana María de la Cerda 52. María Cayetana de la Cerda y Vera 53. Eusebia María Tello y Riaño, condesa de Villariezo 54. María de los Dolores de Vera y Saurín 55. Maria Antonia Cattaneo della Volta 56. María Josefa Ramírez de Arellano y Olivares, 7ª condesa de Murillo 57. María del Rosario de Silva Cebrián y Fernández de Miranda, 6ª condesa de Fuenclara 58. María del Carmen Pacheco Téllez-Girón y Fernández de Velasco 59. Francisca de Borja Alfonso de Sousa de Portugal y Sousa de Portugal, 9ª marquesa de Guadalcazar 60. María Antonia Justa Álvarez de Faria y Sánchez Sarzosa 61. Ana Joaquina de Bustamante y Hoyos 62. Francisca Ramírez de Laredo y Encalada 63. Pascuala Everardo Tilly y Panés, 2ª marquesa de Casa Tilly 64. María de la Cabeza Fonseca y Castro 65. Rafaela Josefa Ortiz de Rozas y Ruiz de Briviesca 66. María Jerónima Daoiz y Guendica 67. María Lutgarda de Hevia y Navarro, marquesa de la Victoria 68. Juana María Muñoz Jofre de Loaysa y Salcedo 69. Francisca Javiera López Altamirano 70. Inés María de Aguirre y Yoldi 71. María Caro y Ortiz