thumb|Bevolkingsdichtheid in Nederland versus hoogte boven de zeespiegel thumb|Hemelwaterinfiltratiegebied Het waterbeheer in Nederland is het totaal aan activiteiten die tot doel hebben om het grond- en oppervlaktewater zo goed mogelijk te beheren. Dit betreft met name de bescherming van en tegen het water en het geschikt maken van water voor menselijk gebruik. Het kader hiervoor is vanaf eind 2009 uitgezet in het Nationaal Waterplan en regionale waterplannen. Door de waterbeheerders — Rijkswaterstaat en waterschappen — worden hierop waterbeheerplannen gebaseerd.
Praktijkvoorbeelden In de Nederlandse praktijk zijn met name de volgende activiteiten belangrijk voor het waterbeheer: Het doorspoelbeleid van polders ter bestrijding van zoute kwel. Het sturen van de hoeveelheid water welke een land binnen komt, wegstroomt en daarmee de watervoorraden beheren. Onderzoeken hoe hoog en stabiel dijken moeten zijn om voldoende veiligheid te garanderen. Onderhoud aan gemalen, stuwen en andere kunstwerken in watergangen. Het schoonhouden van afvoerende watergangen om de afvoercapaciteit groot genoeg te houden. De kwaliteit van het oppervlaktewater, ecologie, drinkwater. Sturen van de grondwaterstand.
Organisatie Waterschappen In Nederland spelen sinds de Middeleeuwen waterschappen een belangrijke rol in het waterbeheer. Het zijn de oudste democratische instituties in Nederland. Tot in de negentiende eeuw werd het waterbeheer plaatselijk ook door gemeenten uitgevoerd. Dit veranderde na de Grondwet van 1848, waarin werd bepaald dat de waterschappen voortaan verantwoordelijk zouden zijn voor de waterstaatzorg en dat de provincies daarop toezicht moesten houden. Tegenwoordig formuleert het Rijk het waterbeleid op hoofdlijnen en is het verantwoordelijk voor het operationele beheer van de rijkswateren en enkele waterkeringen.
Provincies en gemeenten Binnen het rijksbeleid formuleert de provincie het beleid voor de niet-rijkswateren. De waterschappen (soms ook hoogheemraadschappen genoemd) en gemeenten zijn verantwoordelijk voor het operationele waterbeheer en voor de uitvoering van het beleid. Tot de gemeentetaken behoren aanleg en onderhoud van de riolering en de afwatering in stedelijke gebieden. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor de totale afwatering in het stedelijk en landelijk gebied, de waterkwantiteit en de waterkwaliteit, inclusief de afvalwaterzuivering en het beheer van de waterkeringen.
Rijksoverheid Toen het Ministerie van Binnenlandse Zaken werd opgericht in 1798 viel waterbeheer ook onder zijn taken; de oorspronkelijke naam was dan ook Departement van inwendige politie en toezicht op de staat van dijken, wegen en wateren van de Bataafse Republiek. Binnen het ministerie was het Bureau voor den Waterstaat, vanaf 1848 Rijkswaterstaat, verantwoordelijk voor het waterbeheer. Vanaf 1877 tot 1906 vielen deze beleidsterreinen onder het ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Het werd een zelfstandig ministerie tussen 1906 en 1945 als ministerie van Waterstaat. Na de oorlog was het kortstondig het ministerie van Verkeer en Energie (1945–46) en ministerie van Verkeer (1946–47). Daarna was het tot 2010 bekend als Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Natte waterstaat In de oorspronkelijke, letterlijke betekenis wordt met de waterstaat de toestand van het oppervlakte- en grondwater bedoeld. Later werd het woord ook gebruikt voor activiteiten gericht op het waterbeheer, die met de komst van de eenheidsstaat naar Frans model eind achttiende eeuw (zie Bataafse Republiek) door de Rijksoverheid ter hand werden genomen. In plaats van de verschillende kleinschalige waterschappen en provinciale overheden werd toen (in 1798) de dienst Rijkswaterstaat opgericht. Omdat de provinciale overheden en de waterschappen hun autonomie terugwilden, werd er bij de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden op aangedrongen de waterstaat weer aan de decentrale overheden over te laten. In 1819 werd daarom besloten de taken van Rijkswaterstaat te beperken tot de grote rivieren, de zeewering en de zeehavens. De waterschappen beheerden de regionale waterstaat. In de loop der tijd werd Rijkswaterstaat ook verantwoordelijk voor de aanleg van nieuwe rijksvaarwegen en voor het algemeen toezicht op de watervoorziening, inclusief de drinkwatervoorziening.
Droge waterstaat Gedurende de negentiende eeuw ontstond een sterke toename van de niet-watergebonden mobiliteit. Daar waar vaarwegen in Nederland altijd het belangrijkste transportmiddel waren geweest, groeide door de komst van de spoorwegen in de negentiende eeuw het vervoer per trein. Vanaf eind negentiende eeuw, toen de eerste automobielen op de weg verschenen, maakte ook het wegverkeer een enorme ontwikkeling door.
Omdat het verkeer en vervoer altijd met water was geassocieerd en het wegvervoer voor een groot deel met het water verbonden was - wegen liepen en lopen vaak over dijken en moe(s)ten veel water overbruggen - is het niet zo vreemd dat de waterschappen en vooral Rijkswaterstaat ook verantwoordelijk werden voor de aanleg en het onderhoud van bruggen en de wegen lángs het water. Toen de staat zich, uit onvrede over de ontwikkeling van het commerciële spoorwegnet, zelf met de aanleg van spoorwegen ging bezighouden, werd ook die taak aan Rijkswaterstaat gegeven. In de twintigste eeuw groeide de aanleg en het onderhoud van rijkswegen uit tot een tweede kerntaak van Rijkswaterstaat, naast het waterbeheer. Voor de aanleg en het beheer van de spoorwegen waren de Nederlandse Spoorwegen inmiddels verantwoordelijk geworden. Sinds eind jaren negentig is die taak losgekoppeld van de NS en in handen gekomen van ProRail.
Bestuur Waterstaat is tevens de naam van het bestuursonderdeel in de regering, waar zowel de 'natte' als de 'droge' waterstaat in Nederland onder valt. De bekendste bewindspersoon uit de geschiedenis van het departement is de liberaal Cornelis Lely. Lely, van huis uit ingenieur, ontwierp al in 1901 de eerste plannen voor afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Als minister bracht hij in 1918 de Zuiderzeewet tot stand, waarin deze plannen werden vastgelegd. Hij is de enige minister in de Nederlandse geschiedenis naar wie een stad vernoemd is: Lelystad, de hoofdstad van Flevoland.
De Zuiderzeewerken en de Deltawerken zijn de twee grootste projecten uit de geschiedenis van de natte waterstaat. De aanleg van alle rijkswegen en een groot deel van de spoorwegen kan als belangrijkste verworvenheid van de droge waterstaat genoemd worden.
Geschiedenis van waterbeheer
Terpen De eerste bewoners van de laaggelegen gebieden in Nederland bouwden kunstmatige heuvels, de wierden of terpen. Tijdens de IJzertijd, rond 500 v.Chr., werd in het kustgebied van Friesland-Groningen begonnen met de bouw hiervan. Op deze wierden werden later kerken gebouwd, op de iets lager gelegen delen van de wierde werden daar boerderijen omheen gebouwd.
Dijken Rond 1000 werd begonnen met de bedijking van het rivieren- en kustgebied tegen overstromingen. Aanvankelijk waren dit vooral veengebieden, vanaf de 13e eeuw werden vooral kwelders omdijkt. De eerste dijken waren verre van stevig, dikwijls zorgde stormvloed voor doorbraak. Naarmate de Middeleeuwen hun einde naderden, werden de dijken steeds steviger. Tevens werden er naar Vlaams voorbeeld waterschappen en hoogheemraadschappen opgericht die de eerste officiële bestuurlijke instanties van Nederland vormen.
Veenontginning Tussen de 11e en 13e eeuw vond in de Hollands-Utrechtse laagvlakte de Grote Ontginning plaats, waarbij grote veengebieden ontgonnen werden. Dit gebied was waarschijnlijk rond 1150 al helemaal omdijkt.
Meren en plassen Met de introductie van de baggerbeugel in de 16e eeuw kon ook het veen onder de waterspiegel weggebaggerd worden, een praktijk die slagturven werd genoemd. Een negatief gevolg van het slagturven - vooral wanneer dat op grote schaal gebeurde - was dat hierdoor enorme plassen konden ontstaan, want de legakkers werden bij stormen soms weggeslagen, waardoor diverse kleine plassen tot één grote plas werden. Op die manier verenigde het Haarlemmermeer zich in de 16e eeuw met het Spieringmeer en het vroegere Leydsche- of Leidsemeer, waardoor een waterplas van dreigende omvang bestond -vooral bij stormweer- totdat in de 19e eeuw uiteindelijk definitief besloten werd deze droog te maken. In Noordwest-Utrecht ontstonden de Loosdrechtse plassen en Vinkeveense plassen door de turfwinning.
Polders Met het steviger worden van de dijken groeide het Hollandse vertrouwen in de strijd tegen het water. Dit uitte zich met name in een nieuw ingezet middel, namelijk de polder. Met behulp van windmolens werden ondiepe gebieden drooggelegd, nadat er dijken en ringvaarten omheen waren gelegd.
Zuiderzeewerken
Door de bouw van de Afsluitdijk ontstond in 1932 het IJsselmeer. Tussen 1927 en 1968 werden vier grote droogmakerijen in de vroegere Zuiderzee aangelegd.
Naarmate de techniek vorderde werd de inpoldering steeds grootschaliger. De druk om de Zuiderzee in te dammen nam in de loop van de jaren toe door een aantal overstromingen in de omgeving van Amsterdam. Het eerste plan kwam al in 1667 van Hendrik Stevin, zoon van de beroemde wiskundige Simon Stevin. Hij stelde in het twaalfde boek van zijn Wisconstich Filosofisch Bedrijf voor om "het gewelt en vergif der Noortzee uytter Verenigt Nederlant te verdrijven". Stevins belangrijkste doel was om de Zuiderzee te temmen, door deze door middel van dijken van de Noordzee af te sluiten. Stevin plande een ring van dijken van de kop van (het huidige) Noord-Holland via de Waddeneilanden tot aan Friesland. Hiermee zou het gevaar van overstromingen weggenomen worden en zouden mogelijkheden ontstaan om land in te polderen. Het bleek echter onuitvoerbaar: de techniek om dijken te bouwen was nog niet ver genoeg gevorderd.
In 1848 lanceerden Jakob Kloppenburg en Pieter Faddegon het eerste in de reeks plannen die zouden leiden tot de uiteindelijke Zuiderzeewerken. De Watersnood van 1916 vormde de druppel die de emmer deed overlopen. De Nederlandse overheid moest hier wat aan doen. Uiteindelijk was het ingenieur Cornelis Lely die het plan Zuiderzee concretiseerde en tot uitvoering wist te brengen.
Watersnoodramp 1953 en Deltawerken thumb|rechts|230px|Overstromingen in 1953 bij de watersnoodramp thumb|230px|Overstroomde straat tijdens de Watersnoodramp van 1861 in de Bommelerwaard
Waar de inpoldering en de strijd tegen het water voor 1953 zich kenmerkte als incrementalistisch kwam daar in 1953 met de watersnoodramp een eind aan. De ramp, waarbij meer dan 1800 mensen stierven, had het Deltaplan tot gevolg. Er werden een hele serie van Deltawerken aangelegd die er voor moesten zorgen dat een ramp nooit meer zou kunnen gebeuren. Het plan voor de Deltawerken werd na de watersnood van 1953 versneld uitgevoerd er werd afgerond met de voltooiing van de Maeslantkering in 1997.
Rivieren en uiterwaarden Ook langs de rivieren zijn regelmatig dijken doorgebroken, vooral door kanalisering in Nederland, maar ook in België en Duitsland. Door de aanleg van dijken zijn de rivierbedden ingeperkt waardoor de hoeveelheid neergeslagen slib in een steeds kleiner gebied terechtkomt, waardoor de uiterwaarden steeds hoger komen te liggen en de waterstanden stijgen. Ook neemt het hoogteverschil tussen de binnen- en buitendijkse gebied langzaam toe door inklinking van het binnendijkse gebied. Extreme regenval in de bovenstroomse gebieden of veel smeltwater uit de Alpen kan dan leiden tot wateroverlast. Naar aanleiding van het hoge water in 1993 en 1995 werd het Deltaplan Grote Rivieren opgesteld waarna de rivierdijken werden verbeterd.
Het probleem is hier echter niet mee opgelost. Een van de oplossingen is het instellen van noodoverloopgebieden, een andere is afspraken maken met Duitsland en België. Ook hier zijn de rivieren gekanaliseerd.
Waterbeheer in transitie Nieuw waterbeleid of watertransitie