De loge L'Union Provinciale is de oudste vrijmetselaarsloge van Groningen, waarin in 1843 de van origine Franse vrijmetselaarsloge "L'Union Maçonnique" is opgegaan. L'Union Provinciale is opgericht in 1772 en heeft het logenummer 17 gekregen. Met de oprichting werd de vrijmetselarij in het noorden van Nederland geïntroduceerd.

De vrijmetslaarsloge L'Union Provinciale is een vereniging van leden van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden, die - op grond van een haar door die Orde verleende constitutiebrief - zelfstandig werkt in de stad Groningen. De Loge stelt zich tot doel de regelmatige beoefening van de vrijmetselarij met inachtneming van de regels en gebruiken als omschreven in artikel 1 van de Ordewet van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden. Statuten van de loge L'Union Provinciale.

Thans komt de Loge bijeen in het Logegebouw der Vrijmetselaren aan de Turfsingel, hoek W.A. Scholtenstraat, traditioneel (sinds 1824) op de vrijdagavond.

Naamsverklaring miniatuur|rechts|Het zegel van L'Union Provinciale aan een diploma uit 1782De naam L'Union Provinciale (Provinciale Unie) is te verklaren vanuit de omstandigheden tijdens de oprichting en het gedachtegoed van de vrijmetselarij. Ten tijde van de oprichting van de loge bestond er een grote spanning tussen de stad Groningen en de Ommelanden. De Ommelanden werden verplicht om agrarische producten te verkopen op de markten in de stad (stapelrecht) en moesten belastingen afdragen. Er zijn dan ook regelmatig oorlogen gevoerd tussen de jonkers uit de Ommelanden en het leger uit de stad Groningen. De leden van de loge hebben daar iets aan willen doen, immers: De vrijmetselaar zoekt dàt wat mensen verbindt en tracht weg te nemen wat hen verdeelt, opdat het ideaal van een allen verbindende broederschap gestalte kan krijgen, aldus artikel 1 van de ordegrondwet. Niet alleen in de naam, maar ook in het zegel en de onderscheidingskleuren wordt de wens uitgedrukt om de toen heersende sociale en economische omstandigheden ten positieve te beïnvloeden. Bij de oprichting heeft de loge de onderscheidingskleuren rood en groen meegekregen, welke verwijzen naar de stad Groningen (groen) en de Groninger Ommelanden (rood). Het zegel der loge verbeeldt de Groninger stedenmaagd en de "Ommelander" Ceres, die samen hand in hand gaan. Ook is de spreuk "Maior in unione nostra salus" te zien, hetgeen betekent: in eenheid is ons heil groter.

Lidmaatschap Voor het lidmaatschap van de loge is de toelating als lid van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden vereist, omdat het lidmaatschap van de loge samenvalt met het lidmaatschap van de Orde van Vrijmetselaren. Men wordt daadwerkelijk lid van de loge door een inwijding of door overschrijving van een andere loge. Als iemand lid wil worden moet hij de beginselverklaring van de Orde van harte kunnen onderschrijven.

De idealen die zijn verweven in de huidige beginselverklaring verschillen in wezen niet veel van de idealen van de vrijmetselaren die aan de wieg van L'Union Provinciale stonden. Hiervan getuigt het gedicht van de vrijmetselaar Pieter de Gavere uit 1796:

Eendragt, Liefde, Trouw en Vrede Worden steeds door ons betragt Twist en tweedracht hier ter steede Uitgebannen en veragt.

Daar wij zulk een doel beschieten Zal men 't voordeel ook genieten Dat eerlang deez' broederschap Stijgt ten hoogsten eeretrap.

De loge door de eeuwen heen thumb|Handtekening van de eerste voorzittend meester van de Loge, de Agtbare Meester Jan Evert Lewe van Aduard Op 4 december 1771 besloten J.E. Lewe, W.C.H. Grave van Randwijck, J. Alstorphius, J. Helmolt, H.J. Wichers, H.W. Hubert, R.J. Lewe van Middelstum en C.E. Weits, allen vrijmetselaar, om een vrijmetselaarsloge op te richten. Het jaar erop, op 14 januari, tekende Du Bois, groot-secretaris, op order van Carel van Boetzelaer, Groot Meester Nationaal van d'aloude en Zeer Eerwaarde Maatschappij der Vrije en Aengenomen Metzelaers, in de Republieq der Verenigde Nederlanden, ressort van de Generaliteit en onderhorige Volksplantingen (thans Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden), de constitutiebrief van de loge. Hiermee was de oprichting van de loge L'Union Provinciale een feit. De eerste samenkomsten vonden plaats in herberg De Vergulde Helm (ook wel De Grote Helm of De Gouden Helm geheten) aan de Grote Markt van Groningen.

De eerste 25 jaar thumb|Ets vrijmetselaarsloge rond 1745 De begintijd van de loge verliep niet zonder problemen. Zeker de eerste 25 jaar waren nodig om de loge op te bouwen in een tijd die zowel in politiek als sociaal opzicht veel van de mens vroeg. Toch groeide de loge; er werden elk jaar ongeveer negen nieuwe leden ingeschreven. Men hield zich bezig met symboliek en met het houden van toespraken, de zogenaamde bouwstukken. De werkwijze leek toen nog sterk op de Engelse vrijmetselarij. Charitas beperkte zich voornamelijk tot steun aan weduwen met kinderen en tot wezen. Opmerkelijk is dat de inwijdingen vaak per communicatie werden verleend.

In de eerste 25 jaar wisselde de loge drie maal van locatie. Wegens geluidsoverlast van de postkoetsen voor de herberg op de Grote Markt werd de loge gedwongen te verhuizen van De Vergulde Helm naar de gehuurde concertzaal in het Concerthuis in de Poelestraat van vrijmetselaar Riedel.Een nieuws gebouwde Concertzaal in de Poelestraat. Gearchiveerd op 24 september 2015. De inrichting van het pand leek door de loge bepaald. Omdat daar op den duur op zaterdag concerten werden gegeven kwam de loge niet langer op de zaterdag bijeen maar 's woensdags; zo werd geluidsoverlast ontweken. Toen eigenaar Riedel het pand moest verkopen verhuisde de loge naar herberg De Vonk in de Brugstraat.

De loge in de eerste helft van de 19e eeuw Ook in de eerste helft van de 19e eeuw gaf de loge het beeld dat het toch met enige moeite het hoofd boven water wist te houden. De gevolgen van de heersende armoede, besmettelijke ziekten (zoals een choleraepidemie in 1832) en overstromingen drukten hun stempel op het logeleven. In deze periode kwamen er meer en meer invloeden uit de Franse vrijmetselarij binnen de Nederlandse vrijmetselarij. In Groningen was die invloed als eerste merkbaar. De alliantie tussen het grootoosten van Frankrijk en het Grootoosten der Nederlanden, waarbij men in 1777 wederzijds beloofd had geen loges op elkaars terrein op te richten, werd geschonden toen men in 1812 in Groningen de vrijmetselaarsloge L'Union Maçonnique stichtte onder Franse constitutie. Met Koning Willem I kwam er een einde aan de Franse vrijmetselaarsloges, ze kregen een jaar lang de tijd om zich onder het Grootoosten van Nederland te scharen. L'Union Maçonnique gaf hieraan gehoor. Al in het begin was er frictie ontstaan tussen L'Union Provinciale en L'Union Maçonnique, en dat zou een lange tijd zo blijven. Soms werd er toenadering gezocht, en af en toe kwam er de verwijdering, totdat L'Union Maçonnique in 1843 opging in L'Union Provinciale.

De Franse loges en de vele ambulante loges (dit zijn loges gevormd onder militairen, dus verplaatsbaar) in die tijd, gaven de vrijmetselarij een onrustig cachet. Daardoor gaf het visiteren bij andere loges en het ontvangen van visiteurs voor de leden van L'Union Provinciale nog weleens problemen. Ondanks de onrust in de wereld klonk daarvan weinig door in de notulen van de Loge.

De frequentie van de bijeenkomsten was gering: eenmaal per maand in de maanden november tot april. In 1824 werd besloten niet meer op de woensdag bijeen te komen, maar op de vrijdag. Deze overgang verliep niet geruisloos; leden maakten bezwaar dat dit problemen zou kunnen opleveren voor de vrijmetselaren van rooms-katholieke, joodse en zelfs moslim-gezindheid. Het natafelen dat na elke bijeenkomst (voordrachten uitgezonderd) gebruikelijk was, leverde voor hen problemen op.

De loge was ook maatschappelijk actief: zij zette zich onder andere in voor de slachtoffers van de Watervloeden van 1825 en 1855, de brand van Beilen van 1820 en bood hulp aan de gekwetsten in de oorlog met het afvallige België. Opmerkelijk is ook dat L'Union Provinciale op 4 december 1831 als bewijs van erkentelijkheid aan de Compagnie der Vrijwillige Flankeurs, die in de oorlog gediend hadden, het honorair lidmaatschap van de Loge en de graad van Leerling Vrijmetselaar honoris causa aan de maçon Kapitein W. van Brugghen en aan Eerste luitenant A.W. Van Pallandt aanbood.

De loge in de tweede helft van de 19e eeuw De tweede helft van de 19e eeuw geeft een positiever beeld van de Groninger vrijmetselarij. In 1866 werd de weg ingeslagen naar een maçonnieke sociëteit. Er was onder de leden kennelijk behoefte aan een centrum waar gedachtewisseling over allerlei onderwerpen plaats kon vinden en daarnaast zal ook de mogelijkheid tot gezellig verkeer een rol hebben gespeeld. Op 29 november 1867 werd het Ommelanderhuis in de Schoolstraat betrokken en in 1871 aangekocht. In die periode (1870) werd ook in Delfzijl een maçonnieke sociëteit opgericht. thumb|Het Ommelanderhuis, het voormalig logegebouw in de Schoolstraat

In de sociëteit werden lezingen gehouden met onderwerpen als: Het Charter van Keulen van 1535; Loyola, stichter van de orde van Jezuïeten; De verledene en tegenwoordige inrichting van de Orde in Nederland; Godsdienst, zoals die in het woordenboek van de vrijmetselaar wordt behandeld; Beschaving; Over middelen tot zelfkennis; Het wereldstelsel van Copernicus; Het ritueel van openen en sluiten; Het feest van St. Jan.

Aanvankelijk kwam men voor de sociëteit maandelijks bijeen. Aangezien de loge op de tweede vrijdag van de maand vergaderde werd de sociëteit gehouden op de eerste, derde of de vierde zaterdag van de maand. Later werd de functie van sociëteit in de loge geïntegreerd. Omdat de sociëteit dichter bij de maatschappij stond dan de loge, klonken daar de geluiden 'van buiten af' meer door. Zo leidde de houding van de Rooms-Katholieke Kerk jegens de Vrijmetselarij rond 1875 tot heftige discussies.Zie artikel: Vrijmetselarij en de Katholieke Kerk Paus Pius IX had namelijk een drietal encyclieken en een apostolische constitutie gepubliceerd en hield een tweetal allocuties met betrekking tot de vrijmetselarij. Daarnaast zette het Eerste Vaticaans Concilie de verhoudingen verder op scherp. Over het algemeen was het idee onder de leden van de Sociëteit dat de Rooms-katholieke kerk zijn leden onvrij zou houden.

De spanningen tussen de Rooms-katholieke kerk en de vrijmetselarij bracht de leden van de sociëteit er toe om op 12 december 1913 een brief te zenden aan de nestor van de Tweede Kamer, de vrijmetselaar Franciscus Lieftinck, waarin hem hulde en dankbaarheid worden getoond voor de wijze waarop hij de schone beginselen der vrijmetselarij in de Tweede Kamer heeft hooggehouden tegenover de aanvallen van de Roomse baron van Wijnbergen.De rede is opgenomen in: Loo, P.J. van (1967), Geschiedenis van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden. [S.l.]: Maçonnieke Stichting Ritus en Tempelbouw, p. 271.

Niet alleen de houding van de Rooms-katholieke kerk jegens de vrijmetselarij, maar ook de opkomst van het socialisme leidde tot onrust onder de leden, zij het dat binnen de sociëteit de onlustgevoelens meer getemperd tot uitdrukking kwamen dan erbuiten. Binnen de loge kwamen zulke zaken niet aan de orde.