Het hertogdom Saksen-Jena (Duits: Herzogtum Sachsen-Jena) was een land binnen het Heilige Roomse Rijk, dat werd geregeerd door de Ernestijnse linie van het huis Wettin. Het land ontstond in 1672, toen het hertogdom Saksen-Weimar in drieën werd verdeeld. In 1690 stierf het hertogelijke huis uit, waarna het hertogdom werd verdeeld tussen Saksen-Weimar en Saksen-Eisenach.
Geschiedenis Na de dood van hertog Willem van Saksen-Weimar in 1662 werd deze opgevolgd door zijn vier zoons. Zij resideerden respectievelijk te Weimar, Eisenach, Marksuhl en Jena, maar bestuurden het vorstendom Weimar gemeenschappelijk.
Na het uitsterven van Saksen-Altenburg in 1672 sloten Saksen-Weimar en Saksen-Gotha op 16 mei 1672 een delingsverdrag. Hierdoor kreeg Saksen-Weimar: de ambten Allstedt, Bürgel, Dornburg en (Nieder-)Roßla de landshoogheid over de heerlijkheid Remda, het goed Apolda en het ambt Hardisleben het recht om het ambt Hardisleben in te lossen het ambt Crayenberg van Saksen-Gotha de stem op de rijksdag voor het vorstendom Eisenach, die tot dan gemeenschappelijk bezit was van Saksen-Weimar en Saksen-Gotha gemeenschappelijk bleven de universiteit, het hofgericht en de schepenstoel te Jena en verder het bestuur van de ambten Mühlberg en Tonndorf
Vervolgens sloten de drie broers (de vierde was inmiddels overleden) op 25 juli 1672 een delingsverdrag, waarbij drie deelhertogdommen ontstonden: Saksen-Weimar Saksen-Eisenach (uitgestorven in 1741) Saksen-Jena (uitgestorven in 1690)
Aan hertog Bernhard van Saksen-Jena kwamen: de ambten Jena, Bürgel (met het voorwerk Gniebsdorf), Dornburg, Kapellendorf, Allstedt en Heusdorf de stad Buttelstedt de voogdijen Magdala en Gebstedt de dorpen Döbritschen en Wiegendorf 1/4 van het Erfurter geleiderecht 1/2 van de Saalflöße 1/2 van de Georgenthaler Hof te Erfurt
Na de dood van Bernhard in 1678 was er een voogdijregering voor zijn minderjarige zoon Johan Willem door Saksen-Weimar. Johan Willem overleed op 4 november 1690, waarmee Saksen-Jena was uitgestorven. In 12 juli 1691 sloten Saksen-Weimar en Saksen-Eisenach een verdrag, waarin ze Saksen-Jena verdeelden.
Aan Saksen-Weimar vielen toe: de ambten Kapellendorf, Heusdorf, Dornburg en Bürgel de voogdijen Magdala en Gebstedt de stad Buttelstedt de dorpen Döbritschen (zonder het voorwerk) en Wiegendorf (met het geleiderecht) 3/32 van het Erfurter geleiderecht 1/2 Döbritschnener Forst jachtgebied in het ambt Leuchtenberg de landshoogheid over Apolda
Aan Saksen-Eisenach vielen toe: de ambten Jena en Allstedt de steden Jena, Lobeda en Allstedt de voorwerken Döbritschen en Schwabsdorf 5/32 van het Erfurter geleiderecht de rente van de Erfurter kartuizers 1/2 van de Georgenthaler Hof in Erfurt 1/2 van het Döbritschnener Forst Zillbach Saalflößerei landshoogheid over de heerlijkheid Remda
Van 1690 tot 1698 bestuurde de jongere broer van de hertog van Saksen-Eisenach in Jena zonder uitoefening van de landshoogheid. In 1699 werd het afzonderlijke bestuur van de domeinen (Kammerverwaltung) opgeheven. Na het uitsterven van Saksen-Eisenach in 1741 werden alle delen van het voormalige hertogdom weer in één staat verenigd. De laatste rest van het hertogdom verdween toen in 1809 het afzonderlijk consistorie (kerkbestuur) werd opgeheven.
Heersers 1672 - 1678: Bernhard 1678 - 1686: Johan Willem, onder regentschap van Willem Ernst van Saksen-Weimar en Johan George I van Saksen-Eisenach 1686 - 1690: Johan Willem, onder regentschap van Willem Ernst van Saksen-Weimar en Johan George II van Saksen-Eisenach
Categorie:Ernestijnse hertogdommen Categorie:Jena