thumb|Silezië in de huidige landsgrenzen (rood). Geel de grenzen in 1871, blauw die van 1763. thumb|Wrocław (Breslau), de grootste stad en de hoofdstad van Silezië thumb|Katowice (Kattowitz) - Altus thumb|Vlag van Silezië
Silezië (Latijn: Silesia, Silezisch-Duits: Schläsing, Silezisch-Slavisch: Ślůnsk; Pools: Śląsk; Duits: Schlesien; Tsjechisch: Slezsko) is een historische regio in Midden-Europa die zich uitstrekt aan weerszijden van de midden- en bovenloop van de Oder. Ze is te verdelen in Neder-Silezië (Woiwodschap Neder-Silezië) met de hoofdstad Wrocław (Breslau), en Opper-Silezië, dat rijk is aan delfstoffen en waarin een van de grootste industriegebieden van Europa ligt.
Het gebied wisselde in de loop der eeuwen verschillende malen van staatkundig gezag. Het behoorde vanaf 900 afwisselend tot Bohemen (tegenwoordig een deel van Tsjechië) en Polen, maar kwam onder toenemende invloed van het Heilige Roomse Rijk (ook: Rooms-Duitse Rijk) waarvan het na 1236 deel ging uitmaken. Eerst onder gezag van het koninkrijk Bohemen, en nadat het Boheemse koningschap was overgegaan op het huis Habsburg kwamen Silezië, Bohemen en Oostenrijk in 1526 onder dezelfde Habsburgse vorsten, die sindsdien tegelijk ook keizer van het Rooms-Duitse Rijk waren.
In 1742 veroverde Pruisen Silezië grotendeels – een klein deel bleef Oostenrijks: de hertogdommen Teschen en Bielitz. Sindsdien was Silezië een provincie van het Koninkrijk Pruisen, en na de Duitse staatkundige eenwording in 1871 tegelijk een gebied binnen het Duitse keizerrijk. Sinds 1945 behoort de regio, na 700 jaar staatkundig tot het Duitse Rijk te hebben behoord, voor het overgrote deel tot het huidige Polen. Kleinere delen zijn bij Tsjechië en Duitsland gebleven: het vroegere Oostenrijks-Silezië bij Tsjechië, de Niederschlesischer Oberlausitzkreis en zo'n 15% van de vroegere Provincie Silezië bij Duitsland en maakt tegenwoordig grotendeels onderdeel uit van de deelstaat Saksen. Daartegenover is een Saksisch gebied in 1945 om verkeers-geografische redenen bij het Pools geworden Silezië gevoegd, omdat het oostelijk van de rivier de Neisse ligt.
Geschiedenis Middeleeuwen Silezië dankt mogelijk zijn naam aan de Oost-Germaanse stam der Silingen, die zich aan het begin van de 1e eeuw n.Chr. aan weerszijden van Oder en zuidwaarts tot aan het Reuzengebergte vestigde. Zij trokken in de 5e eeuw tijdens de Grote Volksverhuizing verder naar het westen, waarna de regio werd gekoloniseerd door West-Slavische stammen, waaronder de Ślężanen, die ook wel als naamgevers worden aangewezen door Poolse historici.
In de tiende eeuw betwistten de Poolse Piasten en de Boheemse (Tsjechische) Přemysliden elkaar het gebied. De strijd werd in 990 beslist in het voordeel van de Poolse prins (Piast) Mieszko I. Deze stichtte daarna ook in 1000 het bisdom Wratislaw (Latijn: Vratislavia, Duits: Breslau). Kort kwam Silezië weer onder Bohemen maar Polen herkreeg zijn greep op het land en in 1138 verenigde de koning de verschillende Silezische vorstendommen onder één hertog, zijn oudste zoon Władisław. Diens alleenrecht werd echter betwist door zijn broers en de hertogen (Piasten) kregen daarmee de ruimte om weer een eigen koers te varen, in eerste instantie door de Boheemse in plaats van de Poolse koning in 1147 als hun leenheer aan te zoeken. Omdat Bohemen een koninkrijk binnen het Duitse keizerrijk vormde, werd zo uiteindelijk de Rooms-Duitse keizer de leenheer. Silezië werd nu een samenhangend geheel van Piastische hertogdommen binnen de machts- en invloedssfeer van het Heilige Roomse Rijk.
Rond 1220 wierf hertog Hendrik I mijnwerkers uit westelijkere mijnbouwgebieden: Saksen en Thüringen. Zij bevolkten de nederzettingen Goldberg (Złotoryja) en Löwenberg (Lwówek) die als eerste (vanaf 1202) Maagdenburgse en lokale stadsrechten verwierven en dat was het begin van een massale instroom van handwerkslieden, handelaren en boeren. Zij waren bij de grondbezitters zeer welkom en werden door dezen actief geworven in de Duitse landen, waaronder toentertijd ook Nederlanden vielen. Deze voorkeur van de adellijke en geestelijke grondbezitters was een gevolg van hun hogere technische ontwikkeling die hen in staat stelden de enorme moerasgebieden langs de Oder (Odra) en dichte oerbossen in het bergland (Reuzengebergte) te ontginnen en tot economische waarde te brengen en omdat hun stadsrecht een moderne vormwijze van het organiseren van gemeenschappen van handwerkers en handelaren garandeerde. Eerst nog vond een verwoestende inval van Tataars-Mongoolse legers (de Gouden Horde) en een vernietigende veldslag in 1241 bij Liegnitz (Legnica) plaats. Toen zij zich, ondanks deze overwinning, teruggetrokken hadden, was de Duitse oostkolonisatie voor de wederopbouw des te meer noodzakelijk.
In de 13de eeuw werden ruim 1.200 nieuwe dorpen gesticht en oude dorpen vernieuwd door Duitstalige en, opvallend in de stad Breslau, ook Waalse immigranten, die ruime eigendomsrechten en in de eerste vestigingsjaren belastingvrijheid kregen, en daarnaast naar hun eigen recht hun zakelijke overeenkomsten en geschillen mochten registreren en berechten. De kolonisten bevonden zich in een aanzienlijk betere en vrijere rechtspositie dan de autochtone bevolking, reden waarom beide groepen zich pas in de 15de eeuw begonnen te mengen. Zij kwamen voornamelijk uit Saksen en Thüringen. Zij stichtten te midden van de nieuwe en van de oudere dorpen 130 meest kleine steden met de functie van regionale handelscentra, nieuw gesticht of op een oudere basis heringericht met een autonoom burgerbestuur naar Duits (als regel Maagdenburger, maar soms ook Löwenberger) stadsrecht. Het stedelijk bestuur werd vanaf 1220 in het Duits naast het Latijn gevoerd. Het vorstelijk en kerkelijk bestuur gebruikten sinds de 13de eeuw naast Latijn ook het Tsjechisch en pas in de derde plaats het Pools als schrijftaal omdat de Silezische hertogen (piasten) zich in deze tijd losmaakten van het Poolse koningschap en de Boheemse koningen als hun directe leenheren erkenden. Sinds de 14de eeuw waren zij door huwelijk nauw verbonden geraakt met de adel van het Duitse Rijk en gaven zij aan hun hofkanselarij het Duits de voorrang.
Ook kloostergemeenschappen uit het Duitse Rijk, voornamelijk Cisterciënzers, kregen in de 13de eeuw in ruime mate land ter ontginning geschonken van de Silezische hertogen en stichtten daar om hun nieuwe kloostervestiging ook dorpen, nieuwe of in combinatie met al bestaande dorpen. Rond 1300 werd Silezië bewoond door 450.000 mensen, waarvan waarschijnlijk toen al minder dan de helft uit de oorspronkelijke Slavische (naar modern begrip Poolse of Tsjechische) bevolking bestond, en de andere helft reeds uit nieuwe ‘Duitse’ immigranten. In Neder-Silezië kregen die immigranten in de 14de eeuw de overhand en verdween de taal van de Slavische bevolking in het verloop van enkele eeuwen. Vooral de nauwelijks bewoonde bergachtige gebieden werden door de kolonisten nieuw ingericht. De voor kolonisatie minder aantrekkelijke streken benoorden de rivier de Oder bleven tot in de 18de eeuw grotendeels Poolstalig. In Opper-Silezië werden de daar kleinere aantallen immigranten echter opgenomen in de talrijkere Slavische bevolking en konden voornamelijk enkele steden zich een aantal eeuwen als Duits- of tweetalig blijven onderscheiden. Op het Oppersilezische platteland trad onder de Duitse gemeenschappen een verpoolsing op onder invloed van contacten met het koninkrijk Polen en de geestelijkheid, opgeleid aan de universiteit van Krakau, die bijdroeg aan de Contrareformatie in dit gebied.
In hun strijd met een centraal Pools koningschap kozen de Silezische vorsten (Piasten) er in 1326 definitief voor om alle banden met het Poolse koningschap door te snijden. Zoals aan het Boheemse hof werd nu ook de hofcultuur van het Duitse Rijk voorgoed maatgevend aan de Silezische vorstenhoven en Duits en Tsjechisch de definitieve hoftalen. Overigens was die Duitse culturele invloed toen al sinds meer dan een eeuw aan het toenemen, mede omdat de adel en ook de hertogen bij voorkeur vrouwen uit de adel van het Duitse Rijk hadden gehuwd en zich via familierelaties met de Duitse feodaliteit hadden verbonden. Een van de eersten en de bekendste was de echtgenote van de Piastenhertog Hendrik I, de in 1267 heilig verklaarde Hedwig von Andech-Meran - in Polen Św. Jadwiga genoemd - die de patrones is van Silezië. Haar graf, in het door haar gestichte, en vanuit het moederklooster in haar geboortestreek Franken (nu noordelijk Beieren) bevolkte, Cisterciënzerinnenklooster in Trebnitz (Trzebnica), is nog steeds een drukbezocht bedevaartsoord.
Hertogdom Silezië
Bolesław III Scheefmond bepaalde dat het Poolse koninkrijk na zijn dood zou worden verdeeld onder alle erfgerechtigde zoons, waardoor na zijn dood in 1138 een zelfstandig hertogdom Silezië ontstond. In 1163 viel ook dit uiteen in de hertogdommen Breslau (Wrocław) en Ratibor (Racibórz), waarvan zich in de dertiende eeuw in Neder-Silezië de hertogdommen Liegnitz (Legnica), Glogau (Głogów), Jauer (Jawor) en Schweidnitz (Świdnica) afsplitsten en in Opper-Silezië Oppeln (Opole) en Teschen (Cieszyn/Těšín). Ook daarna vond nog een reeks opdelingen en samenvoegingen plaats, zodat er eind vijftiende eeuw zestien Silezische staten bestonden. Koning Johann van Luxemburg (Jan de Blinde) van Bohemen bracht aan het begin van de veertiende eeuw vrijwel alle Silezische hertogdommen onder de Boheemse kroon en daarmee bij het Duitse, zogenoemd Heilige Roomse Rijk. In 1335 bewoog hij de Poolse koning Casimir III de Grote ertoe officieel af te zien van zijn aanspraken op Silezië.
Silezië schaarde zich in de strijd tegen de Boheemse Hussieten aan de zijde van keizer Sigismund, tevens Boheems koning, en had daardoor erg te lijden onder de brute hussitische plundertochten gedurende de Hussitenoorlogen (1425-1436). Tijdens de Reformatie gingen sinds ca. 1530 de meeste steden en feodale heerschappen, waaronder de hertogen, over tot het lutheranisme. De bisdommen en hun uitgestrekte territoria bleven Rooms-katholiek. In deze tijd verloor het Tsjechisch, nu verbonden met het Hussitisme, gaandeweg zijn positie als taal van bestuur en rechtspraak om deze functie over te laten aan het Hoogduits. Het Pools herkreeg in het kielzog van de Contrareformatie en ook deels ten koste van het Tsjechisch een functie als bestuurstaal in Opper-Silezië.
Habsburgse tijd Tezamen met Bohemen viel Silezië in 1526 toe aan het huis Habsburg en zo kwam het rechtstreeks onder de keizer van het Duitse Rijk. Het in de jaren 1522-1555 grotendeels luthers-protestants geworden gebied (vooral Neder-Silezië) zocht in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), steun bij de coalitie van de protestantse vorsten en steden tegen de Habsburgers. Tevergeefs en met keizerlijke steun zouden na de oorlog de rooms-katholieken gaan domineren, ondanks dat zij in Neder-Silezië numeriek maar een derde van de bevolking uitmaakten. De Contrareformatie, georganiseerd door de jezuïten, bracht grote delen van de Silezische bevolking na 1576 terug naar het katholieke geloof, terwijl veel protestantse vluchtelingen uitweken naar de Poolse grensgebieden waar de godsdienstvrijheid door enkele adellijke families gegarandeerd werd. Na het sluiten van de vrede in 1648 drukten de grote verwoestingen van de Dertigjarige Oorlog twee eeuwen lang op de economie en ging de bevolking in aantal sterk terug. Lutheranen moesten zich schikken in een tweederangspositie en hun kerken definitief aan de katholieken afstaan, behalve in de vorstendommen Liegnitz (Legnica), Ohlau (Oława) en Brieg (Brzeg), die pas in 1675 onder Habsburg kwamen. Alleen Opper-Silezië werd geheel gerekatholiceerd.