De verwondering is een roman van de Vlaamse schrijver Hugo Claus die in 1962 werd uitgegeven door De Bezige Bij. Het hoofdpersonage, Victor-Denijs de Rijckel, is een leraar Engels-Duits die in een psychiatrische instelling verblijft. In verschillende handschriften vertelt hij over zijn verblijf in de instelling en wat er allemaal gebeurde voor hij werd opgenomen. In de dagen voor zijn opname ontmoet hij een jongedame, Alessandra Harmedam, en door deze ontmoeting onderneemt De Rijckel een queeste naar Hekegem, een klein fictief dorp, waar enkele dorpsbewoners in de ban zijn van een SS'er, Crabbe, die stierf aan het Oostfront. Victor-Denijs de Rijckel blijkt een mentaal instabiele protagonist te zijn, die geconfronteerd wordt met de gevolgen van trauma's opgelopen door collaboratie en repressie. De roman is in acht verschillende talen vertaald en won in 1964 de August Beernaertprijs.
Paratekst Claus verklaart de titel van zijn werk zelf als een verwijzing naar Aristoteles als "de toestand van de mens voor het denken" beschrijft. De titel van de roman refereert aan de leer van Aristoteles met name het deel van zijn filosofie dat zich met metafysica bezighoudt. De titel is vooral te verbinden met de gedachte uit de Metafysica dat 'de oorsprong van elk denken gelegen is in de verwondering'.Spinoy, E. (2018, 26 maart). Hugo Claus De verwondering onafkrabbaar cretinisme. De Reactor. Volgens Aristoteles ging de verwondering vooraf aan twee manieren om betekenis te geven aan het bestaan: mythologie en de wetenschap. Als je verwondering op deze manier verklaart, dan is deze niet noodzakelijk zaligmakend, maar geeft het wel de hoop op nieuwe perspectieven en misschien zelfs een beginnend gevoel van verzet. Daarom wordt verwondering ook omschreven als "de oorsprong van elk denken", verwondering zet namelijk aan tot nadenken.Absillis, K., 'In de ban van De Verwondering'. In: Hugo Claus, De Verwondering. Amsterdam, Nederland: De Bezige Bij, 2018, p. 287 De protagonist in dit werk van Claus verkeert in een staat van verwondering, De Rijckel is op zoek naar een zekerheid, is op zoek naar verwondering om bijgevolg betekenis te kunnen geven aan zijn leven.
Voor de omslagillustratie van de eerste druk koos Claus een harpij, een mythologisch figuur. Die gekozen illustratie kan verwijzen naar het hellevaartmotief waarvoor we in De verwondering ook al verwijzingen vinden. De illustratie verwijst ook naar de Divina Commedia van Dante. Harpijen komen immers voor in Dante's tocht door de hel in Canto XIII. De illustratie blijkt overgenomen te zijn uit het boek getiteld Arts fantastiques uit 1960 van de Franse schrijver Claude Roy. In dat werk werd het beeld van de 'hybridische' harpij vergezeld door de uitspraak "l'homme est autre chose que ce qu'il est, et le poète, le comédien, le romancier sont ceux qui tirent parti de ce dédoublement premier pour devenir ce qu'ils ne sont pas en s'accomplissant eux-mêmes". Vrij vertaald betekent dit dat de mens iets anders is dan wat hij denkt te zijn en de dichter, de komiek en de schrijver zijn degenen die baat hebben bij deze eerste verdubbeling om te worden wat ze niet zijn door het zelf te vervullen. Deze uitspraak kan slaan op het hoofdfiguur in De verwondering van Claus, die erg schizofreen overkomt. Het werk van Roy circuleerde overigens binnen de kringen van Hugo Claus.
De omstreden omslagillustratie vertoont tevens troebelheid. Heldere afbakeningen zijn moeilijk waarneembaar. De cirkel die op het eerste gezicht te zien is, blijkt dan toch geen cirkel te zijn. Aan de cirkel kunnen meerdere interpretaties gegeven worden. Zo kan je de cirkel zien als een vergrootglas, een kijkgat of een lichtbundel, maar ook een 'looking glass'. In die cirkel die geen cirkel is staat de harpij die teken staat voor dubbelheid. Het wezen is zowel mens als dier, het staat zowel voor iets moois en erotisch als voor iets monsterlijks.Sanders, M. & Sintobin, T. Lezen in Verwondering. Nijmegem, Nederland: Uitgeverij Vantilt, 2014, p. 16
Het motto van het werk is een Castiliaans spreekwoord: "‘Tú que no puedas, llevame a cuestas". Dit betekent zoveel als; "Jij, die het niet kan, draag me op de rug". Het is een gezegde dat onmogelijk is: iemand die iets niet kan, wordt toch opgedragen om het te doen. Het kan een religieuze verwijzing zijn naar de erfzonde waardoor het goede onmogelijk is, maar het kan ook wereldlijk begrepen worden als de mens die zijn eigen menselijkheid niet kan dragen. Op welke van de twee manieren het ook begrepen wordt, het gezegde heeft een heroïsch motief. Ondanks dat de opdracht onmogelijk is, doen we het toch. Het spreekwoord kan echter ook slaan op het Vlaams-nationalisme dat zichzelf de onmogelijke ‘maar toch schone’ taak geeft om de Vlaming te verheerlijken en de verraders te verwoesten
Synopsis
De gescheiden leraar Victor-Denijs de Rijckel leeft een uitzichtloos leven in het West-Vlaamse Oostende. Op een avond besluit hij om naar het zogenaamde Bal van het Wit Konijn te gaan. Op dat bal merkt hij een woordenwisseling tussen een man een en een vrouw op. De vrouw is knap en jong en intrigeert de leraar diep. De volgende dag ontmoet De Rijckel een jonge leerling van zijn school. De jongen blijkt Albert Verzele te heten en had de leraar de vorige dag gezien op het bal. Verzele vertelt De Rijckel dat de mysterieuze dame Alessandra Harmedam heet. De Rijckel is zo geïntrigeerd door de jonge dame dat hij besluit om met de leerling, Albert Verzele, een heuse queeste te ondernemen naar haar woonst: Kasteel Almout te Hekegem. Daar treft De Rijckel niet enkel de vrouw aan die hij zo begeert, maar ook een groep mensen die een verdwenen oostfrontstrijder genaamd Crabbe vereren. Zo is er de beeldhouwer Sprange die allerlei standbeelden van Crabbe maakte voor in de tuin van het kasteel en de moeder van Alessandra, Alice Harmedam, die Crabbe zag als een soort pleegzoon. Op het kasteel wordt De Rijckel door de familie Harmedam verkeerdelijk aanzien voor de Nederlandse dr. Heerema die een artikel heeft geschreven over het Vlaams-nationalisme. Dr. Heerema was namelijk uitgenodigd om naar Kasteel Almout te komen, waar enkele dagen later een bijeenkomst zou plaatsvinden van voormalige Verdinaso-leden. Door deze ongelukkige persoonswisseling wordt nu van De Rijckel verwacht dat hij een speech houdt voor alle leden die zich tijdens een congres hebben verzameld in het kasteel. In de dagen na de aankomst van De Rijckel en Verzele, beleven Alessandra Harmedam en De Rijckel een kortstondige romance, maar Alessandra kent nog steeds niet de ware identiteit van De Rijckel en denkt dus nog altijd dat hij Dr. Heerema is. Uiteindelijk wordt de leraar op de dag van het congres ontmaskerd door Alessandra en Sprange en meegenomen naar een psychiatrische instelling waar hij deze gebeurtenissen en andere anekdotes over zijn leven neerschrijft in vier verschillende handschriften.
Structuur De roman bevat eenentwintig hoofdstukken en een viervoudig vertelperspectief.J. Duytschaever, Over De verwondering van Hugo Claus, Amsterdam, 1979. De verteller is Victor-Denijs de Rijckel, een leraar Engels en Duits die opgenomen is in een psychiatrisch ziekenhuis. Hij heeft vier verschillende handschriften. De vier verhaalmodi wisselen elkaar bijna elk hoofdstuk af, waardoor de verhaalstrengen telkens onderbroken en enkele hoofdstukken later terug hervat worden. Deze vier vertelperspectieven noemt De Rijckel "handschriften". De handschriften kunnen als volgt onderverdeeld worden:
Huiswerk voor Korneel: in opdracht van zijn psychiater Korneel van den Broecke moet De Rijckel opschrijven wat er precies is gebeurd voor zijn opname. Hij moet het echter op een afstandelijke manier schrijven en schrijft daarom over zichzelf in de derde persoon enkelvoud. Deze hoofdstukken krijgen telkens een cursieve titel. Kevin Absillis wijst in zijn nawoord van de tekstkritische editie van De Verwondering erop dat de queeste naar Almout het patroon volgt van de "klassieke heldenreis".Absillis, K., ‘In de ban van De Verwondering’. In: Hugo Claus, De Verwondering. Amsterdam, Nederland: De Bezige Bij, 2018, 277
Geheim notitieboek: door het maken van zijn 'huiswerk', wordt De Rijckels geheugen getriggerd en schrijft hij enkele herinneringen in het notitieboek. Daarnaast zijn er nog verschillende "aanvullingen en commentaren" over gebeurtenissen in Oostende en in Hekegem die De Rijckel bij zijn huiswerk heeft die hij ook opschrijft in zijn notitieboek. De afstandelijkheid die hij van zijn psychiater moet hanteren tijdens het schrijven, past hij in zijn notitieboek niet toe. Er wordt namelijk in de eerste persoon enkelvoud geschreven. Geheim dagboek: De Rijckels verzorgster, Fredine, die in de psychiatrische instelling werkt, smokkelt enkele vellen papier naar binnen voor haar patiënt. Dit wordt zijn dagboek waarin hij schrijft over zijn dagen in de instelling. Opnieuw hanteert hij de eerste persoon enkelvoud. Wij-passages: hier etaleert De Rijckel zichzelf als een soort "spreekbuis van een volkse gemeenschap"Absillis, K., ‘In de ban van De Verwondering’. In: Hugo Claus, De Verwondering. Amsterdam, Nederland: De Bezige Bij, 2018, 276 en vertelt hij in de eerste persoon meervoud over enkele gebeurtenissen die plaatsvonden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Joris Duytschaever maakt deze vierde onderscheiding niet in zijn boek Over De Verwondering van Hugo Claus en beweert dat de wij-passages nog bij zijn notaboek horen. Kevin Absillis maakt deze vierde onderscheiding wel in zijn nawoord bij de tekstkritische editie van de roman.
De queeste van Victor-Denijs de Rijckel loopt als rode draad door het verhaal. De queeste heeft de opbouw van een heldenreis. "Een held in wording beantwoordt aan de lokroep van het avontuur, daalt af in een onderwereld, schakelt tegenstanders uit, overwint demonen en verovert een prinses of een sacraal object." Voor een uitgebreide uitleg over de heldenreis, kan de Universiteit van Vlaanderen geraadpleegd worden, waar Kevin Absillis een gedetailleerde uitleg geeft over de queeste van De Rijckel.
Voor een chronologische volgorde van de hoofdstukken, kan het werk van Lars BernaertsBernaerts, L., ‘Verteltheorie’. In: Matthijs Sanders & Tom Sintobin (red.), Lezen in Verwondering. Veertien leeswijzers bij een roman van Hugo Claus. Nijmegen, Vantilt, 2014, 124 meer duidelijkheid scheppen. Hij stelde namelijk een volledig schema op dat de structuur van het volledige verhaal weergeeft.
Inhoud Eerste handschrift De Rijckel beschrijft wat hij meemaakte in de laatste dagen voor zijn opname. Dit doet hij in opdracht van zijn psychiater dr. Korneel van den Broecke, die gelooft dat dit een therapeutische werking zal hebben. De Rijckel noemt het zijn huiswerk. Hij schrijft over zichzelf in de hij-vorm ("de leraar") en gebruikt de verleden tijd. Dit schrift bevat vijf hoofdstukken met telkens een cursieve titel.
Ontmoeting: In een Oostendse school vraagt de Prefect aan Victor-Denijs De Rijckel, leraar Engels en Duits, om een inleiding te geven bij zijn spreekbeurt op een vergadering die avond. In plaats daarvan gaat de leraar echter naar het Bal van het Wit Konijn in de Kursaal. Daar ziet hij een mooie vrouw die een financieel aanbod van autoverkoper Teddy Maertens afslaat. De Rijckel en Maertens achtervolgen haar wanneer ze de pier op wandelt.
Verkenning: Samen met de leerling Albert Verzele neemt De Rijckel de bus naar het fictieve dorpje Hekegem op zoek naar de vrouw van de vorige avond, die Alessandra blijkt te heten en daar in kasteel Almout zou wonen. Op verkenning in het kasteelbos zien ze de beeldhouwer Sprange die een verzameling beelden gemaakt heeft van Crabbe. Daarna nemen ze hun intrek in de herberg van Pier.