thumb|Duitsers worden in goederenwagens gedeporteerd uit het Sudetenland. De meeste mannen waren toen in Sovjet-krijgsgevangenschap en de achtergeblevenen werden geïnterneerd of op de vlucht gejaagd. Daartoe droeg geweld door Tsjechische milities bij, zoals de razzia en moord op bewoners van onder meer Aussig an der Elbe in Bohemen. thumb|Duitstalige bevolking tot ca. 1945 op basis van volkstellingsgegevens uit 1910. Staatsgrenzen zijn aangegeven zoals zij bestonden van 1918 tot 1936.De Duitstalige minderheid in Pools staatsgebied nam vanaf 1918 af door emigratie en assimilatie. thumb|Het huidige Duitse taalgebied in Centraal-Europa
De verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog was de etnische zuivering van Duitse staatsburgers uit de oostelijke provincies van Duitsland, die in 1945 aan het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa door Polen en de Sovjet-Unie zijn geannexeerd. Ook in andere delen van Midden- en Oost-Europa werden Duitsers verdreven. Tussen 1945 en 1949 vonden etnische zuiveringen van Duitstalige minderheden plaats, dat wil zeggen Volksduitsers, uit de Sovjet-Unie, Tsjecho-Slowakije, Roemenië, Hongarije en Joegoslavië. The Expulsion of the "German" Communities from Eastern Europe at the End of the Second World War, European University Institute, Florence, 2004
De verdrevenen worden in Duitsland aangeduid als Heimatvertriebene ongeacht of zij zijn gevlucht dan wel gedeporteerd. In de discussie over de verdrijving worden door sommige onderzoekers, met name in Polen en Tsjechië, degenen uitgezonderd die op georganiseerde wijze door de Duitse autoriteiten, voor de komst van het Sovjet-leger, westwaarts werden gevoerd, per trein of schip. Zij zouden zijn geëvacueerd. In werkelijkheid kwam van deze evacuatie weinig terecht doordat tijdens de snelle opmars van het Sovjet-leger deze bevolkingstransporten werden gebombardeerd of getorpedeerd. Velen die dat overleefden waren onderschept en keerden terug in de richting van hun woonplaatsen. Vervolgens werden zij geïnterneerd in afwachting van hun uitwijzing. Precieze getallen daarover zijn niet te reconstrueren en de relevantie van het maken van een dergelijk onderscheid is overigens klein in het licht van de overeenkomstige lotgevallen van de betrokkenen. Uiteindelijk kwam de grote meerderheid van de verdrevenen gedwongen over de, deels nieuwe, staatsgrenzen die onder Sovjet, Pools en Tsjechisch gezag, sinds 1945 tot op heden gelden.
Inleiding thumb|Hoofddistributiegebieden van de Duitse taal in Europa. De verdrijving van minstens 12 miljoen Duitsers vond voornamelijk plaats tussen 1945 en 1949. De dodelijke slachtoffers die onder hen vielen ten gevolge van de, bijna altijd met geweld of intimidatie afgedwongen, verdrijving worden in aantal geschat tussen 300.000 en 2,5 miljoen.Bundesminister des Inneren (1982) Eingliederung der Vertriebenen, Flüchtlinge und Kriegsgeschädigten in der Bundesrepublik Deutschland. Bonn, p.18 Het grote verschil in schattingen is er deels op terug te voeren of men alleen de standrechtelijke executies en moordpartijen daartoe rekent, of er ook de door oorlogsgeweld, honger, uitputting en ziekte omgekomenen bij telt. Sommigen rekenen er ook de Duitse militairen uit de betrokken gebieden die vanaf de herfst 1944 zijn omgekomen toe en hun dood is geen gevolg van de verdrijving als zodanig. De in krijgsgevangenschap gestorven militairen zijn evenmin in strikte zin slachtoffers van verdrijving. Tijdens hun vlucht naar het westen en in afwachting van hun uitwijzing, internering in arbeidskampen hebben in alle landen van Midden-Europa en de Sovjet-Unie, velen het leven gelaten. Vast staat dat van de Duitse staatsburgers in de geannexeerde provincies en van de Volksduitsers die als minderheden in de landen van Midden- en Oost-Europa woonden, er in 1950 2,5 miljoen niet meer als levend geregistreerd stonden. Dit aantal werd met een vijfde verlaagd tot 2 miljoen toen in de loop van de jaren vijftig grote groepen Duitse dwangarbeiders en krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie naar Duitsland werden uitgewezen, waarvan een half miljoen afkomstig was uit de verdrijvingsgebieden.
De exil-regeringen van Tsjecho-Slowakije en Polen, besloten in de eindfase van de Tweede Wereldoorlog tot het massaal uitwijzen van Duitsers uit het Tsjecho-Slowaakse en Poolse staatsgebied, respectievelijk in de van Duitsland te annexeren provincies. In het Engelse parlement was daarvoor instemming, al was toen nog niet geheel duidelijk welke gebieden van Duitsland onder die, met name Poolse, annexaties zouden vallen. De Verenigde Staten waren in dit opzicht het meest behoudend en wilden Neder-Silezië en het grootste deel van Pommeren niet door Polen laten annexeren. Alle geallieerden vonden verdrijvingen uit de annexaties noodzakelijk om te zorgen voor etnische en nationale homogeniteit en om territoriale aanspraken door Duitsland op deze gebieden in de toekomst te voorkomen. Ook de andere staten zouden zich mogen ontdoen van Duitstalige minderheden om op die wijze hun nationale homogeniteit na de oorlog te kunnen versterken. Naar de woorden van Churchill was juist de heterogeniteit van de Midden-Europese staten een aanleiding geweest voor het doen uitbreken van de Tweede Wereldoorlog door Duitsland en Italië en hun bondgenoten Hongarije, Slowakije en Roemenië. Pas op 10 december 1948, dus nadat de verdrijvingen hadden plaatsgevonden, werd de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, al in 1945 opgesteld, geratificeerd door de betrokken staten. In deze tot op heden geldende verklaring is bepaald dat vluchtelingen en verdrevenen het recht hebben om terug te keren naar de staat die zij verlaten hebben. De betrokken staten stellen dat dit principe pas als geldend beschouwd kan worden vanaf het moment dat de ratificatie plaatsvond. Formeel juridische vragen blijven onopgelost: wordt met 'terugkeer naar de staat', het staatsgebied bedoeld ten tijde van de bevolkingsverdrijving of (ook) de daarmee in verband staande en door de betrokken staat nadien geannexeerde gebieden. De formeel juridische kwestie is vervolgens: kunnen de ca. negen miljoen Duitsers die tussen 1945 en 1948 hun woongebieden verlieten die tot maart 1945 als Duits staatsgebied golden, en daarna als Pools of Russisch, Duits staatsgebied hebben verlaten of verlieten zij Pools dan wel Russisch staatsgebied. En zijn zij dan in dat laatste geval vreemdelingen, die 'uitgewezen' werden naar hun eigen staatsgebied, zonder recht te behouden op terugkeer.
Toen de Sovjet-Unie met haar troepen de Oder en de Neisse had overschreden, werden deze rivieren de nieuwe westgrens van Polen nadat het burgerlijke gezag door de Sovjets tot aan de rivier werd overgedragen aan Poolse autoriteiten. Vervolgens is een groot deel (90%) van de bijna tien miljoen Duitse staatsburgers dat ten oosten van deze rivieren woonde, voor zover al niet sinds januari 1945 tot aan de Conferentie van Potsdam op de vlucht, tot aan 1949 uitgewezen. Kleinere groepen die voor de wederopbouw en de instandhouding van de industrie nodig waren werden pas in de loop van de jaren vijftig uitgewezen naar de DDR. Daarnaast zijn eveneens meer dan 90% van de Duitstalige (etnische of wel Volksduitsers) minderheden in Polen (in zijn vooroorlogse omvang), Tsjecho-Slowakije (de Sudeten-Duitsers) en Joegoslavië gevlucht of uitgewezen. Hongarije en Roemenië mochten de helft van hun Duitstalige minderheden uitwijzen en de Sovjet-Unie hield er na de vlucht van honderdduizenden de helft achter, die zij niet wilde uitwijzen maar naar Siberië of Kazachstan deporteerde (Sovjet-Duitsers). Terwijl in 1944 in de genoemde landen nog 8,5 miljoen Volksduitsers woonden, was in 1950 het totale aantal etnische Duitsers dat nog steeds in Oost-Europa woonde gedaald tot 2,6 miljoen, waarvan de meesten in de Sovjet-Unie. In veel Engelstalige literatuur worden de aantallen uitgewezenen gereduceerd omdat men zich op het standpunt stelt dat alleen de door de Conferentie van Potsdam geautoriseerde aantallen genoemd moeten worden. De werkelijkheid was echter anders. In Potsdam wisten de Geallieerden namelijk niet hoeveel Duitsers er nog aanwezig waren, en werd uitgegaan van oncontroleerbare getalsopgaven door de Sovjet-autoriteiten. Bovendien werd aan de reeds gevluchten het recht ontzegd om terug te keren, en zo werden zij op deze formele grond niet als 'verdreven' beschouwd, maar als op eigen gezag vertrokken migranten.
In Duitsland en Oostenrijk vormden de vluchtelingen die Heimatvertriebenen genoemd werden een belangrijke maatschappelijke groep. In de Bondsrepubliek leefden er rond 1950 7,7 miljoen, in de DDR 3,9 miljoen en in Oostenrijk 0,4 miljoen. Alleen in de Bondsrepubliek mochten zij zich organiseren en bestond er enige tijd ook een politieke partij, de Gesamtdeutscher Block/Bund der Heimatvertriebenen und Entrechteten. Het Wirtschaftswunder was de basis waarop zij in de Bondsrepubliek hun vluchtelingenkampen hebben kunnen verlaten en zich konden integreren. Overal in de Bondsrepubliek ontstonden toen voor hen gebouwde nieuwe woonwijken bij dorpen en steden. Wijken die aan de naamgeving, ook van hun straten, nog als zodanig herkenbaar zijn. Lange tijd behielden de 'Heimatvertriebenen' een aanzienlijke politieke invloed met name in de gevestigde partijen (CDU/CSU en SPD). In de DDR was het hen verboden zich in organisaties met elkaar te verbinden, en werd stilzwijgende integratie van staatswege verplicht gesteld. Tot op de dag van vandaag organiseren zij en ook hun nakomelingen zich in verschillende zogeheten Landsmannschaften. Hun invloed daalde sinds de jaren zestig aanzienlijk doordat het onderwerp van de verdrijving in de Bondsrepubliek niet langer politiek correct werd geacht en in de DDR geheel buiten de orde was gesteld.
Redenen en rechtvaardiging van de verdrijvingen Vanwege de complexe geschiedenis van de regio en de verschillen tussen de betrokken landen in (Centraal-)Europa is het moeilijk een eenduidige reden te noemen voor de verdrijvingen. Hieronder worden enkele mogelijke overwegingen opgesomd. Dit is dus geen volledige lijst.
Verlangen naar de totstandkoming van staten zonder minderheden thumb| Duitse burgers in Sudetenland verwelkomen met de Hitlergroet de Duitse troepen die er in 1938 binnentrekken Door het Poolse en Tsjechische volk werd al langer geprobeerd de expansie van de Duitsers in oostelijke richting tegen te gaan.Als voorbeeld kan hiervoor het boek Het Nieuwe Europa: Het Slavische Standpunt (Nova Evropa. Stanovisko Slovanske.) uit 1920 van Tomáš Masaryk genoemd worden. Hierin spreekt hij over de Duitse "Drang nach Osten", die hij afkeurt. Masaryk is voor de onafhankelijkheid van de nieuw te vormen republiek Tsjecho-Slowakije in een afwijzing van een gemeenschappelijke erfenis met de Duitse staten. Daarbij ziet hij deze republiek, samen met onder andere de nieuw opgerichte Poolse staat en het nieuw geschapen Joegoslavië, als barrière tegen de mogelijke Duitse agressie tegen de Sovjet-Unie. (Tadayuki Hayashi. Masaryk’s ‘Zone of Small Nations’ in His Discourse during World War I, Slavic Research Centre, 30 maart 2007) De Tsjechen waren er, na de annexatie van een deel hun land (het Sudetenland) door nazi-Duitsland, van overtuigd dat er zonder etnische homogeniteit weinig kans op nationale stabiliteit zou zijn. Dat Duitsland in de oorlog verslagen was, bood Tsjecho-Slowakije de gelegenheid deze homogeniteit te creëren door zijn minderheden te verdrijven. Niet alleen de Sudeten-Duitsers maar ook de Hongaren, wonend in het zuiden van Slowakije, werden gedwongen te verdwijnen. Hetzelfde gebeurde in andere landen, omdat men minderheden vreesde als de oorzaak van blijvende politieke onrust. Redrawing Nations: Ethnic Cleansing in East-Central Europe, 1944-1948, Rainer Mackensen, in: Population and Development Review, Vol. 29, 2003.