De abdij van Quedlinburg was een tot de Oppersaksische Kreits behorende abdij binnen het Heilige Roomse Rijk, gesitueerd in het historisch stadscentrum van Quedlinburg, een stad tegenwoordig gelegen in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt.
Na de dood van de Oost-Frankische koning Hendrik de Vogelaar in 936 kreeg de koningin-weduwe Mathildis van Ringelheim de toestemming van haar zoon Otto I om een sticht voor kanunnikessen op te richten bij Quedlinburg, nu in Saksen-Anhalt. De eerste abdis was de dochter van Otto I, Mathilde van Quedlinburg. Na haar dood in 999 werd de dochter van Keizer Otto II abdis. Otto I verleende het sticht de immuniteit, waardoor het sticht onafhankelijk werd van de bisschop van Halberstadt, ze hoefden enkel rekenschap geven aan de paus. Alle kerken in Quedlinburg stonden onder het gezag van de abdis. Ook kon de abdis een klein territorium vormen. In 1273 kwam de voogdij aan de graven van Regenstein. Pas tijdens de Hohenstaufen werd de band tussen het sticht en de keizers zwakker.
In 1477 kwam het sticht onder de protectie van de hertogen van Saksen. De hertogen bezetten de stad, maar erkenden de landshoogheid van de abdis. Na 1485 ligt de protectie bij de albertijnse linie van het Saksische Huis.
In 1539 werd de reformatie ingevoerd en werd Quedlinburg omgezet in een evangelisch vrij-wereldlijk sticht. Sinds 1663 had het sticht een zetel in de Rijksdag.
In 1697 verkocht het keurvorstendom Saksen de protectie-rechten af aan het keurvorstendom Brandenburg.
Paragraaf 3 van de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 voegde de abdij Quedlinburg bij het koninkrijk Pruisen.
Nadat Pruisen in de Vrede van Tilsit van 1807 al zijn gebieden ten westen van de Elbe had moeten afstaan, werd het voormalige abdijvorstendom bij het koninkrijk Westfalen gevoegd. Na de napoleontische nederlagen werd het Pruisische gezag door het Congres van Wenen in 1815 hersteld.
De voormalige abdij is thans gekend als het kasteel Quedlinburg en werd tijdens de 18e sessie van de Commissie voor het Werelderfgoed in 1994 erkend als UNESCO werelderfgoed en toegevoegd aan de werelderfgoedlijst.
Regenten 936- 966: Mathilde van Ringelheim (vrouw van koning Hendrik de Vogelaar, stichteres) 966- 999: Mathilde van Quedlinburg (dochter van Otto I) 999-1045: Adelheid I van Quedlinburg (dochter van Otto II) 1046-1061: Beatrix I van Franken (dochter van keizer Hendrik III) 1063-1095: Adelheid II van Franken (dochter van keizer Hendrik III) 1106 : N.N. van Reinhausen 1110-1125: Agnes I 1134-1137: Gerberga 1138 1160: Beatrix II van Winzenberg 1160-1161: Meregard 1161 1184: Adelheid III, paltsgravin van Saksen 1184-1203: Agnes II van Meissen 1203-1224: Sophia van Brehna 1224-1230: Bertrade I van Krosigk 1230-1231: Kunigunde van Kranichfeld 1231-1232: Osterlinde van Falkenstein 1233-1270: Gertrude van Amfurt 1270-1286: Bertrade II 1286-1308: Bertrade III 1309-1347: Jutta van Kranichfeld 1347-1348: Irmgard I van Stolberg 1348-1353: Ludgard van Stolberg 1354-1362: Agnes III van Schrapelan 1362-1375: Elisabeth I van Hakeborn 1377-1379: Margarethe van Schrapelan 1380-1405: Irmgard II van Kirchberg 1405-1435: Adelheid IV van Isenburg 1435-1458: Anna I von Plauen 1458-1511: Hedwig van Saksen 1511-1514: Magdalena van Anhalt 1514-1574: Anna II van Stolberg, dochter van Anna van Eppstein-Königstein 1574-1584: Elisabeth II van Regenstein 1584-1601: Anna III van Stolberg 1601-1610: Maria van Saksen 1610-1617: Dorothea van Saksen 1618-1645: Dorothea Sophia van Saksen 1645-1680: Anna Sophia I van Palts-Birkenfeld 1681-1683: Anna Sophia II van Hessen-Darmstadt 1684-1704: Anna Dorothea van Saksen-Weimar 1704-1710: Magdalena Sybilla van Saksen-Weissenfels 1710-1755: Maria Elisabeth van Holstein-Gottorp 1755-1787: Anna Amalia van Pruisen 1787-1803: Sophia Albertina van Zweden
Qued Quedlinburg Categorie:Geschiedenis van Saksen-Anhalt