Het Beleg van Maastricht vond plaats van 8 maart tot 29 juni 1579, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, in en rondom de stad Maastricht. De groots opgezette aanval van de Spaanse veldheer Alexander Farnese (prins, later hertog van Parma) op de vesting Maastricht leidde tot de bijna vier maanden durende belegering, de gewelddadige inname, de daarop volgende driedaagse plundering en de terugkeer van het Spaanse gezag in Maastricht (tot 1632).

Voorgeschiedenis Maastricht was sinds de hoge middeleeuwen een tweeherige stad, gezamenlijk bestuurd door de prins-bisschop van Luik en de hertog van Brabant. In 1430 traden de Bourgondische hertogen in de rechten van de Brabantse hertogen, vanaf 1482 waren dat de Habsburgers. In 1555 erfde Filips II van Spanje de titel 'hertog van Brabant' en was daarmee tevens mede-heer van Maastricht. De stad was destijds vanwege zijn geografische ligging en zijn economische betekenis een strategisch belangrijke garnizoensstad en de belangrijkste grensvesting van de Nederlanden.Morreau (1979), pp. 61-62, 144. Sinds de Beeldenstorm van 1566 was hier een permanent garnizoen gelegerd, voor een groot deel bestaand uit huurlingen uit diverse delen van het Heilige Roomse Rijk. Na het staatsbankroet van het Spaanse Rijk in 1575, konden de troepen in de Habsburgse Nederlanden niet of nauwelijks worden betaald. In Maastricht (en Antwerpen) leidde dat in 1576 tot de Spaanse Furie, eindigend in een bloedbad en de plundering van de stad.

In 1578 trad de stad toe tot de Pacificatie van Gent en verklaarde zich daarmee openlijk voor de Staten-Generaal van de Nederlanden. Een aanval op de stad werd daarna elk moment verwacht. De hertog van Parma had in juni 1578 al het Spaanse gezag weten te herstellen in een groot deel van de Landen van Overmaas vlak bij Maastricht, onder andere door de inname van de burchten van Limburg aan de Vesder, Valkenburg en Dalhem. Het zou een aanloop zijn voor de grote aanval op Maastricht.

Willem van Oranje had weinig vertrouwen in de militaire gouverneur van Maastricht, Melchior van Schwarzenberg, en benoemde daarom de Lotharinger Sebastiaan Tapijn (Sébastien Tapin) tot vestingcommandant. Tapijn had roem vergaard met de versterking van de Hugenotenvesting La Rochelle, voorafgaand aan het met succes afgeslagen beleg van 1573 tijdens de vierde Hugenotenoorlog. Alexander Farnese was op 2 maart begonnen met de Slag bij Borgerhout (bij Antwerpen), maar verplaatste zijn legers plotseling in oostelijke richting. Hij kwam op 8 maart 1579 voor Maastricht aan, waarna hij de stad een aanbod deed van algemene amnestie en waarborg van alle rechten en privileges, mits de stad zich zou overgeven en uitsluitend de katholieke godsdienst en het gezag van de Spaanse koning zou aanvaarden. Het aanbod werd afgeslagen, waarmee het beleg begonnen was.Nuyens (1867), pp. 12-22.

Staat van beleg In januari had de prins de vestingingenieur Sebastiaan Tapijn naar Maastricht gezonden, aanvankelijk om onder François de La Noue te dienen, echter La Noue wist niet tijdig binnen de stad te komen. Tapijn's voornaamste taak was om de nodige verbeteringen aan de vestingwerken aan te brengen. Hij nam allerlei maatregelen om de stad op een aanval van de Spaanse troepen voor te bereiden. Zo werd op de Jeker een molen gebouwd om buskruit mee te fabriceren en de boeren die naar de stad waren gevlucht werden ingelijfd bij de verdedigende troepen. Buiten de wallen liet Tapijn mijnen leggen en hij liet de verdedigingsgrachten schoonmaken en verder uitdiepen. Alle burgers moesten verplicht aan de vestingwerken meebouwen. Al deze maatregelen waren nagenoeg voltooid toen Parma voor de stad verscheen met een leger van ruim achttienduizend man.De Roo van Alderwerelt (1862), pp. 128-140.

thumb|left|Maastrichtse belegeringsmunt, 8 stuiver, geslagen tijdens het beleg. De Italiaanse jezuïet en geschiedschrijver Famiano Strada, die rond 1600 De Bello Belgico decades duae, 1555-1590 schreef, een van de belangrijkste bronnen voor de geschiedenis van de Tachtigjarige Oorlog, beschreef de verdediging van de Maastrichtenaren. De burgers hadden achter de bestaande vestingwerken van de stad een geheel nieuwe linie opgeworpen, onzichtbaar voor het oog van de belegeraars. De nieuwe vestingwerken waren net als de andere werken voorzien van een diepe gracht, hoge wallen met borstwering. Deze waren aan de bestaande wallen gekoppeld middels een houten brug. Via de brug kon de verdediging zich terugtrekken naar de nieuwe linie als zij zouden moeten wijken voor een aanval. Vanaf die tweede linie moest de aanval weer opnieuw worden opgezet., Verhandeling over het belang der vestingen voor den staat, het verband tusschen de kunst van versterken met de strategie, en de daaruit volgende noodwendigheid eener bevestigings-methode, gewijzigd, naar de hedendaagsche meer volmaakte wijze van aanval en verdediging, Volume 2 p. 212 Uitgave: Brest van Kempen, 1827

Binnen Maastricht bestond het verdedigende garnizoen uit huurlingen, Fransen, Engelsen en Schotten, in totaal ongeveer twaalfduizend man, met daarnaast een burgermilitie bestaande uit twaalfhonderd leden van de schutterij en zo'n tweeduizend andere burgers, mannen en vrouwen, aangevuld met boeren uit de omgeving. De totale bevolking van Maastricht ten tijde van het beleg bedroeg naar schatting vijftien- tot vierendertigduizend inwoners.Motley (1856/1871), p. 201. Door de aanwezigheid van het garnizoen en grote aantallen boeren uit de naburige dorpen, werd het geld in Maastricht dagelijks schaarser en werd er daarom gebruikgemaakt van een octrooi van landvoogd Matthias van Oostenrijk en de prins van Oranje om zelf munt te slaan, waarvoor de kopervoorraad van de burgers werd aangesproken. Men sloeg stukken van een halve en een hele stuiver en daarnaast eenheden van twee, zes, acht, twaalf en vierentwintig stuivers. Hierdoor kwam er voldoende geld in omloop om lonen en soldij uit te betalen.

Het beleg Insluiting thumb|De insluiting voltooid (16e-eeuwse kopergravure van Mario Cartaro) Op 12 maart had de berenning van Maastricht plaatsgevonden.De Lenarts/Habets (1864), pp. 8-22? De Spaanse troepen werden grotendeels in de omliggende dorpen ondergebracht. Parma zelf betrok zijn hoofdkwartier op het kasteel Pietersheim. Parma liet de stad van twee kanten omsingelen. Er werden twee schipbruggen aangelegd over de Maas om verbinding te houden en tegelijkertijd werd de stad afgesneden van de buitenwereld. Er werd een linie met forten rondom de stad aangelegd, alsof er een tweede stad omheen gebouwd werd. Parma liet zes grote forten opwerpen, waarvan vier op de linker Maasoever: aan de noordwestzijde tegenover de Boschpoort, bij de Brusselsepoort, tegenover het Sint-Servaasbolwerk (bij de Tongersepoort), en aan de zuidwestzijde tegenover de Sint-Pieterspoort. De twee andere forten lagen op de rechter Maasoever, rondom het stadsdeel Wyck. De forten deden dienst als soldatenverblijf en opslag voor het geschut. Zij moeten een behoorlijke omvang hebben gehad. Hier en daar werden ook kleinere schansen opgeworpen, een contravallatielinie werd (nog) niet opgezet. Door middel van twee schipbruggen werd gemeenschap gehouden met de legerafdelingen op de linker- en rechteroever. Toen de aanleg van deze linie voltooid was werd aangevangen met het graven van approches. Intussen hadden gevechten plaatsgevonden tussen bezetting en belegeraars.

Dubbele aanval thumb|Dubbele bestorming door Parma's troepen (gravure van Frans Hogenberg) De loopgraven van de aanvallers leidden aanvankelijk naar de Brusselsepoort. Twee dagen later deden de Maastrichtenaren een uitval, daarbij gebruik makende van eerder aangelegde contra-approches waardoor zij de aanvallers gevoelige verliezen toebrachten en veel van hun tunnels werden vernield. Toen de aanvallers het contrescarp van Maastricht hadden bereikt merkten zij dat de stad op dit punt juist niet het zwakst, maar het sterkst verdedigd was. Daardoor werd vanaf dat moment gekozen voor een nieuwe locatie, de Tongersepoort, waar op 23 maart een nieuwe aanval begon. Er werd tegenover deze poort een batterij opgeworpen met daarop zesenveertig stukken geschut. Toen Parma het gerucht van ontzet vernam liet hij uit voorzorg rondom de stad door middel van wolfskuilen en verhallingen, alle toegangswegen afsluiten.

De batterijen vuurden twee dagen onophoudelijk op de wallen zonder enig resultaat. Waar al een geringe bres was ontstaan ontdekten de aanvallers achter de muur de tweede verschansing. Om die reden liet Parma de graaf van Mansfeld met twintig stukken geschut de stad op een tweede punt aanvallen, de Boschpoort. Mondragon schoot vanuit Wijck op de stad. De inwoners van Maastricht groeven tunnels om de aanvallers ondergronds te ontmoeten. In de ondergrondse tunnels ontbrandde een felle strijd los. Honderden belegeraars werden gedood door kokend water dat in de tunnels werd gegoten. Anderen stierven door rook en zuurstofgebrek zodra de Maastrichtenaren vuren boven de tunnels aanstaken. Hopman Rhosne, een gunsteling van Parma stelde voor om een mijn onder het ravelijn te leggen.Mascheck (1853), p. 201?; pp. 8-22? Vijfhonderd Spaanse soldaten stierven toen de kruitlading, bedoeld om de muren op te blazen, vroegtijdig ontplofte. Ortiz, een Spaans geniekapitein, verloor ook zijn leven daarbij. Vijfenveertig jaar na het beleg van Maastricht werd hij teruggevonden tijdens het graven van een bouwput. In volle wapenuitrusting, met een gouden ketting om zijn nek, spade en houweel bij zijn voeten, onverminkt, schijnbaar gereed om zo weer de strijd te hervatten.

Tunnels en loopgraven thumb|Explosie in een mijntunnel (detail gravure van Pierre Du Ryer uit Famiano Strada's De Bello Belgico)