Met volksverhalen van Nederland worden broodjeaapverhalen, exempelen, kwispels, legenden, moppen, sagen, sprookjes en overige volksverhalen uit de schriftelijke en mondelinge overlevering bedoeld, die, voor zover bekend, in Nederland circuleren of circuleerden. Er bestaan talloze Nederlandse volksverhalen die uit de mondelinge, maar vaker ook uit de schriftelijke overlevering bekend zijn en dikwijls ook in andere landen bekendheid genieten. In de Nederlandse Volksverhalenbank van het Meertens Instituut zijn meer dan veertigduizend volksverhalen opgenomen.
Definitie volksverhaalgenres
Vanuit de etnologie worden onder meer legenden, mythen, sagen en sprookjes als verschillende volksverhaalgenres gezien. Deze worden nog weleens door elkaar gebruikt, in foutieve zin.
In legenden worden heiligen en de wonderen die zij verrichten beschreven, alsook verhalen over Jezus Christus, Maria en heilige voorwerpen.
In mythen spelen goden, halfgoden of helden de hoofdrol en worden bovennatuurlijke verschijnselen verklaard. Deze zijn in Nederland niet overgeleverd. Ook in sagen wordt vaak een geografische bijzonderheid of een bovennatuurlijk verschijnsel verklaard, maar sagen zijn sterker dan mythen gebonden aan plaats en tijd.
In de volksmond worden de termen legende, mythe en sage regelmatig anders dan zoals hierboven beschreven, in feite foutief, gebruikt. De drie termen worden dikwijls gebruikt om sterke of onware verhalen mee aan te duiden. Hoewel in het Engels taalgebied Nederlandse verhaalgenres zoals sagen en legenden geschaard worden onder Dutch mythology gaat men in het Nederlandse verhaalonderzoek uit van het Duitse taalgebied (de Duitse woorden Sagen en Legenden).
Een sprookje is een traditioneel volksverhaal dat speelt op een onbepaalde plaats in een onbepaalde tijd en opent daarom vaak met de woorden "Er was eens...".
Ouderdom De oudste bekende legenden van Nederland dateren pas van na de kerstening, dus vanaf de middeleeuwen. De schriftelijke vastlegging van heiligenlegenden in de volkstaal van de Nederlanden (en dus niet in het Latijn) dateert uit de 12e eeuw.
Tot diep in de 20e eeuw werd aangenomen dat mythen hun oorsprong in de Keltische, Germaanse en Grieks-Romeinse mythologie vinden, maar deze theorie wordt tegenwoordig verworpen. Verhaalonderzoekers gaan ervan uit dat men weinig tot niets weet van de oudste herkomst van deze mythen. Van de verhalen, rituelen en gebruiken uit het prehistorische gebied dat we tegenwoordig Nederland noemen, zijn geen geschreven bronnen beschikbaar. Onze kennis uit deze periode komt van opgravingen. Pas in de Romeinse tijd kwamen de eerste geschreven bronnen beschikbaar. De kennis die we hebben over de Germanen is voornamelijk afkomstig van hun vijanden, de Romeinen, en vijandschap levert zelden objectief betrouwbare bronnen op.
Sommige sagen kunnen teruggaan tot de Germaanse cultuur terwijl bepaalde historische sagen niet verder teruggaan dan de Tachtigjarige Oorlog, de napoleontische tijd, of zelfs pas in de 19e, 20e of 21e eeuw zijn bedacht. Pas in de middeleeuwen komen we meer te weten over het geloofsleven en de sagen in Nederland. Stadssagen of broodjeaapverhalen zijn dikwijls van recentere datum, al kunnen deze ook voortkomen uit oudere verhalen. Het is een misverstand dat broodjeaapverhalen altijd modern zijn.
Het is moeilijk te zeggen hoe oud sprookjes zijn. Dat verschilt per sprookje. Sommige sprookjes bestaan sinds de late middeleeuwen, andere treffen we pas in het begin van de 19e eeuw voor het eerst aan. Weer andere sprookjes worden al teruggevonden in de klassieke oudheid.
Voor-christelijke volksverhalen De aloude theorie luidt dat er een ononderbroken mondelinge overlevering is geweest die idealiter teruggaat tot heidense tijden. Inmiddels weten verhaalonderzoekers dat zo'n lange en ononderbroken orale traditie niet tot nauwelijks bestaat. Zonder hulp van schriftelijke bronnen die de vertellingen vasthouden, gaan mondelinge vertellingen na een paar generaties veelal verloren. Vroeger werd verklaard dat de mondelinge overlevering meestal geen sporen nalaat. Tegenwoordig wordt van het standpunt uitgegaan dat de mondelinge overlevering meestal wel wat sporen nalaat. Als er helemaal geen sporen zijn kan dit een aanwijzing zijn dat er nog geen verhaal bestond. De negentiende-eeuwse theorie van een Germaanse oorsprong heeft dan ook gewerkt als een soort van selffulfilling prophecy. Pas ná de ontwikkeling van deze theorie ontstonden veel, zogezegd oudere, volksverhalen. Wat in de volksverbeelding voor oeroud doorgaat, blijkt nogal eens tamelijk recent te zijn.W. De Blécourt, R.A. Koman [et al.]: Verhalen van stad en streek: sagen en legenden in Nederland. 2010, pp. 14.
Men heeft lang getracht de oudste volksverhalen terug te voeren tot de Germanen, maar Nederlandse mythen zijn dus niet overgeleverd. Dat sagen en legenden elementen uit mythen zouden hebben is wetenschappelijk niet bewezen en puur speculatief.
We hebben wel kennis van de mythologie uit de Romeinse cultuur, onder andere via het werk van Strabo en inscripties. Het was een polytheïstische cultus, met meer dan 400 goden. Van de goden die in de Nederlanden werden aanbeden zijn verschillende namen gevonden in Latijnse inscripties volgens de zogenaamde Interpretatio Romana. Voor al deze goden geldt echter dat er over hen in zijn geheel geen volksverhalen in de omgeving van het huidige Nederland zijn overgeleverd. Zij spelen dan ook geen rol in het Nederlandse verhaalonderzoek, tenzij het moderne volksverhalen betreft, die later over deze goden zijn bedacht.
We kennen eveneens Nehalennia en de Matres. Keltische goden waarvan de naam bekend is zijn Epona, Gontia, Herecura, Intarabis (oorlogsgodheid), Litavis (moedergodin), Nemetona, Rosmerta, Sandraudiga, Tanfana en Vagdavercustis. Germaanse goden als Wodan of Jummenas of Semini zijn ook bekend, maar ook over deze goden kennen we in het gebied dat het huidige Nederland omvat, in zijn geheel geen volksverhalen. Ook de goden die bekend zijn uit de Romeinse cultuur, zoals Neptunus, hebben bekendheid genoten in het gebied dat het huidige Nederland omhelst, maar ook van deze goden zijn geen volksverhalen overgeleverd.
Christendom Het is al heel wat als we Nederlandse volksverhalen tot de middeleeuwen kunnen traceren. Voor legenden is dat soms iets makkelijker. De cultus van heiligen en heilige voorwerpen bloeide in de gekerstende middeleeuwen al volop. Er zijn legio Latijnse en Middelnederlandse vitae of heiligenlevens te vinden met hun wonderverhalen. Zo leefde de heilige missionaris Willibrord in de 8e eeuw. In diezelfde eeuw werd er een Latijns heiligenleven over hem geschreven, de Vita Sancti Willibrordi. De legende van Willibrord dankt zijn lange traditie aan telkens hernieuwde optekeningen en de steeds herhaalde leringen van Kerk en onderwijs. De oudste legende die bewaard is gebleven in het Middelnederlands is het Leven van Sint-Servaas uit 1170 door Hendrik van Veldeke. Dit is tevens het oudst bekende literaire werk in het Nederlands. Desalniettemin waren het niet zelden 19e-eeuwse schrijvers en dichters die hun romantische proza en dichtwerk uiteindelijk gecanoniseerd zagen in volksverhaalbundels.
Verzamelaars thumb|160px|Volksverhaalverzamelaar G.J. Boekenoogen
Als er ergens volksverhalen opduiken, komt dat vooral door de noeste arbeid van volksverhaalverzamelaars. Men gaat ervan uit dat vele verhaaltypen overal in Nederland voorkomen, maar bekend zijn geworden in de gebieden waar de verzamelaars deze hebben opgetekend. In gebieden waar geen volksverhalen bekend zijn, zijn er dikwijls simpelweg geen verzamelaars langs geweest. Zo kan het voorkomen dat de volksverhalen rondom de Brabantse Bartje Poep pas in de 21e eeuw opgetekend en daardoor bekend werden, terwijl ze al veel langer mondeling circuleerden.
In Europa en ook in Nederland zijn pas sinds de 19e eeuw echt volksverhalen verzameld. Vóór die tijd zijn volksverhalen wel terug te vinden in ridderromans, kluchtboeken, reisbeschrijvingen/of almanakken, maar de wetenschappelijke en folkloristische belangstelling bloeit pas echt op nadat de gebroeders Grimm aan het begin van de 19e eeuw hun sprookjes en sagen publiceerden.
In Nederland is er aanvankelijk vooral regionaal verzameld, het intensiefst in gebieden als Limburg en Friesland. Zij voelden de dominante rol van de Hollandse cultuur. Tegen het eind van de 19e eeuw is een verzamelaar als G.J. Boekenoogen actief. Hij verzamelt op nationaal niveau. Boekenoogen ontving onder andere veel correspondentie van de arts Cornelis Bakker uit Broek in Waterland. Bakker verzamelde verhalen onder zijn patiënten. Ook in de 20e eeuw wordt regelmatig regionaal verzameld. Een bekende samensteller van volksverhaalbundels was J.R.W. Sinninghe, die verhalen uit verschillende regio's publiceerde, en Gustaaf van de Wall Perné wiens belangstelling voor de oude volksverhalen van de Veluwe tot uiting kwam in de bekende bundel Veluwsche Sagen.
In de jaren 60 en 70 van de 20e eeuw worden op initiatief van J.J. Voskuil van het Volkskundebureau van het P.J. Meertens Instituut te Amsterdam (nu: Meertens Instituut, een afdeling van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) zo'n 20 veldwerkers op pad gestuurd om verspreid over heel Nederland sagen te verzamelen. Succesvolle verzamelaars waren onder andere Engelbert Heupers in Het Gooi en Eemland, Dam Jaarsma in de Friese Wouden (laatstgenoemde 16 duizend van de in totaal 32 duizend volksverhalen) en Jac. Gazenbeek van de Veluwe. Ongeveer in dezelfde periode verzamelde ook Ype Poortinga met succes volksverhalen in Friesland. In 2006 heropende het Meertens Instituut zijn sagenonderzoek. Het door Theo Meder en Ruben Koman gelanceerde DOC Volksverhaal startte het volksverhaalonderzoek in de provincie Groningen, waarbij duizenden verhalen werden opgetekend. Voor het in 2010 verschenen standaardwerk Verhalen van stad en streekW. de Blécourt; R.A. Koman; J. van der Kooi; T. Meder (2010) Verhalen van Stad en Streek: sagen en legenden in Nederland. Amsterdam: Bert Bakker/Prometheus. verzamelde Koman volksverhalen in alle provincies van het land. In het boek staan, per provincie gerangschikt, honderden sagen en legenden die in Nederland circuleren of circuleerden.
Indeling van volksverhalen In dit artikel wordt een opsomming gegeven van enkele opgetekende volksverhalen, zoals die bekend zijn in het gebied dat het huidige Nederland behelst. Voor zover mogelijk wordt ook de herkomst van deze volksverhalen verklaard. De indeling van volksverhalen is echter niet eenvoudig. Sinds het begin van de twintigste eeuw hebben vooraanstaande wetenschappelijke verhaalonderzoekers getracht de volksverhalen te catalogiseren.
Sprookjes Antti Aarne publiceerde in 1910 de eerste typologische indeling van sprookjes en grappige verhalen.A. Aarne, Verzeichnis der Märchentypen, 1910 Deze indeling werd door de Amerikaan Stith Thompson vertaald en uitgebreid. Dit resulteerde in 1928 in de sprookjes- en volksverhaalcatalogus The Types of the folktale.A. Aarne, S. Thompson, The types of the folktale, 1928; 2e uitgebr. dr. 1961; 1981 De sprookjescatalogus stelt verhaalonderzoekers in staat om een ordening aan te brengen en daarmee overzicht te houden over de immense hoeveelheid tekstmateriaal. Zo wordt het sprookje in de catalogus onderscheiden in het diersprookje, het wondersprookje, het legendesprookje, het novellesprookje, het domme-duivelsprookje, het grappige sprookje en het formulesprookje. Bij elk type wordt onder meer kort uiteengezet hoe het verhaal globaal is opgebouwd en in welke landen en hoe vaak het sprookje is opgetekend. De Aarne-Thompson-index werd dé internationale (Europa-centrische) standaard. In 2004 werd deze catalogus opgevolgd door de editie van H.J. Uther.'The types of International Folktales: A classification and Bibibliography: Based on the System of Antti Aarne and Stith Thompson.' 1/3, 2004.
Sagen en overige genres