Russisch-Amerika (Russisch: Русская Америка; Roesskaja Amerika) was de benaming voor een Russische kolonie tussen 1733 en 1867, die het grootste deel van de huidige Amerikaanse staat Alaska omvatte (ook wel Russisch-Alaska genoemd) en daarnaast een aantal andere nederzettingen in Oregon ten zuidoosten daarvan, waarvan Fort Ross in Californië de zuidelijkste was op het Amerikaanse vasteland. Daarnaast was er korte tijd ook een nederzetting genaamd Fort Elizabeth op het Hawaïaanse eiland Kauai, die echter niet de steun had van de Russisch-Amerikaanse Compagnie en dus moest worden opgeheven.

In 1867 werd Russisch-Amerika onder de naam Alaska verkocht aan de Verenigde Staten. De naam Alaska werd eerder al gebruikt door de Russen (verbasterde vorm van het Aleoetische alaxsxaq, wat kan worden vertaald als "het vasteland" of letterlijker: "het object waarheen de beweging van de zee zich begeeft"), maar dan alleen voor het Alaskaanse vasteland.

Ontdekking van Alaska De eerste geschreven verklaringen die verhalen over het bereiken van Alaska door de Europeanen kwamen uit het Russische Rijk. Volgens een legende zou Semjon Dezjnjov tijdens een van zijn reizen naar de rivier de Anadyr in 1648 zijn afgeweken naar het schiereiland Alaska, maar bewijzen dat hij er is geweest ontbreken. Dezjnjov staat met Fedot Aleksejev bekend als de eerste Europeanen die de Beringstraat bereikten en haar mogelijk helemaal doorvoeren (80 jaar later werd pas de volgende poging gedaan), waarbij de Diomedeseilanden werden ontdekt. Zijn bevindingen werden niet doorgegeven aan de Russische regering, zodat de theorie over de Beringlandbrug nog lang een geaccepteerde theorie bleef. Pas veel later kwam men achter de ontdekkingen door Dezjnjov. Peter de Grote geloofde echter nog steeds in de theorie van de Beringlandbrug en liet in 1725 de Eerste Kamtsjatka-expeditie uitrusten, waarbij de Deen Vitus Bering het zuidelijke deel van de Beringstraat doorvoer, maar haar niet helemaal doorkruiste. Tijdens deze reis zeilden Ivan Fjodorov en landmeter Michail Gvozdev naar Kaap Dezjnjov en vandaar naar Kaap Prince of Wales op Noord-Alaska. Ook brachten ze de noordwestelijke kust van Alaska in kaart. Bij terugkomst in Sint-Petersburg werd Bering verweten dat hij niet de hele Beringstraat was door gevaren en dus geen definitief bewijs had geleverd dat Azië en Amerika niet aan elkaar grensden. Vrijwel meteen werden er plannen gemaakt voor de Tweede Kamtsjatka-expeditie, die veel grootschaliger werd opgezet en ook een veel groter mandaat meekreeg. Tijdens deze expeditie voeren Bering en Aleksej Tsjirikov in 1741 beiden met een boot uit vanuit de haven van Petropavlovsk aan de Avatsjabaai in de richting van het oosten. Al snel raakten ze elkaar kwijt in een storm, maar vervolgden beiden hun weg. Tsjirikov was op 15 juli 1741 de eerste die land in zicht kreeg, hetgeen waarschijnlijk de westkust van het huidige Prince-of-Waleseiland was, in de huidige Alaska Panhandle. Hij zond een groep mannen aan land in de barkas, waarmee ze de eerste Europeanen waren die voet aan wal zetten in het noordwesten van Amerika. Op ongeveer 16 juli 1741 kreeg het schip van Bering de Mount Saint Elias in zicht op het vasteland van Alaska. Tsjirikov keerde veilig terug in Kamtsjatka, maar Bering leed in november schipbreuk op Beringeiland, waar hij stierf. Tsjirikov keerde vervolgens met het nieuws over nieuw land terug naar Sint-Petersburg. Een deel van de bemanning van Berings schip wist later met zelfgemaakte boten Kamtsjatka te bereiken om het slechte nieuws te vertellen, maar ook om de zeeotterpelzen te laten zien die ze er hadden aangetroffen. Dit bont bleek later het fijnste dat tot dan toe was aangetroffen en zorgde voor een grote interesse in Rusland om het land te gaan koloniseren.

Russische kolonisatie Van 1740 tot 1800 Op zoek naar bont kwamen vervolgens kleine groepen bonthandelaren vanaf de Siberische kust naar de Aleoeten. Naarmate de expedities naar het gebied langer begonnen te duren (twee tot vier jaar en soms meer), werden handelsposten en jachtposten opgezet. In 1759 ontstond de eerste permanent bewoonde nederzetting Oenalasjka, gevolgd door meer plaatsen vanaf 1784. Ongeveer de helft van deze permanente immigranten bestonden uit Russen uit het Europese deel van het Russische Rijk en de overige helft bestond uit leden van Siberische volkeren en afstammelingen uit huwelijken tussen Russen en Siberische volken.

De Russen lieten de bontjacht, die vooral plaatsvond op zeedieren, over aan de lokale Aleoeten, die werden gedwongen om voor de Russen te werken. Nadat eenmaal de pelzenjacht goed op gang was gekomen en er Russische bedrijven naar het gebied getrokken waren, werd de hele Aleoetische bevolking tot slaaf gemaakt.Taylor, Alan (2001) American Colonies: The Settling of North America Penguin Books, New York; Na het aantreden van tsarina Catharina de Grote in 1763, drong deze erop aan bij de handelaren om de Aleoeten eerlijk te behandelen. In sommige gebieden leefden de Aleoeten en de Russen min of meer vreedzaam naast elkaar, maar in andere delen waren er handelaren die meer wilden. Zij terroriseerden de Aleoetische bevolking door gijzelaars (amanat) te nemen, gezinnen uit elkaar te halen en sommigen van hen te dwingen hun dorp te verlaten en zich elders te vestigen. De winstgevende pelshandel bracht alsmaar meer en steeds grotere bedrijven naar het gebied, die een steeds zwaardere tol eisten van de lokale bevolking.

De populaties van de dieren, die de Aleoeten nodig hadden voor hun bestaan, namen steeds verder af en de Aleoeten werden zo steeds afhankelijker van de ruilhandel met de Russen. Om genoeg zeeotters te vangen, namen de Aleoetische mannen almaar grotere risico's door de zeeotters tot in de gevaarlijke zeeën van de noordelijke Grote Oceaan te proberen te doden. Toen het bedrijf Sjelichov-Golikov uiteindelijk een monopoliepositie verwierf op de jacht op de zeeotters, werd geweld tegen de lokale bevolking verheven tot een vorm van koloniale uitbuiting. De Aleoeten kwamen hiertegen in opstand, maar de Russen hadden superieure wapens en sloegen keihard terug, waarbij ze velen van hen doodden en hun boten en jachttuig vernielden, zodat ze geen bestaanswijze meer hadden om te kunnen overleven. Het zwaarst hielden echter de infectieziekten die de Russen uit de Oude Wereld meebrachten, huis. Naar schatting 80% van de bevolking, die hiervoor geen immuniteit bezat, werd gedood tijdens de eerste twee generaties van contacten met de Russen.The Aleut Corporation Aleut History

Hoewel de kolonie vanwege de hoge transportkosten nooit erg winstgevend werd, waren de aanwezige Russische handelaren er sterk op gebrand het land voor zichzelf te houden. In 1784 arriveerde bonthandelaar Grigori Sjelichov met zijn schepen Tri svjatitelja ("Drie Heiligen") en Svkatelni Simon in de Three Saints-baai van Kodiakeiland. Hier werden ze echter aangevallen door de lokale Koniagbevolking en Sjelichov reageerde hierop door honderden van hen te doden of als gijzelaars te nemen om zo de rest te dwingen zich te onderwerpen. Vervolgens stichtte hij de nederzetting Tri svjatitelja (naar zijn boot) op Kodiakeiland, als eerste permanente Russische nederzetting van Alaska.

In 1790 keerde hij terug naar Rusland en stelde Aleksandr Baranov aan als bestuurder over zijn bonthandel in Alaska. Deze liet de nederzetting verplaatsen naar de noordoostzijde van het eiland, waar hout beschikbaar was. Deze nederzetting groeide later uit tot de stad Kodiak. De Russische mannen op het eiland namen naar goeddunken Koniagvrouwen en stichtten gezinnen met hen, waaruit familienamen voortkwamen die tot op heden op Alaska voortleven, zoals Panamaroff, Petrikoff en Kvasnikoff. In die tijd begonnen andere niet-Russische Europese handelaren zaken te doen met de lokale bevolkingsgroepen in het zuidoosten van Alaska, wat Baranov niet zinde. Daarom stichtte hij in 1799 de nederzetting Michajlovsk op 10 kilometer ten noorden van het huidige Sitka. Hij kocht het land van de Tlingits, maar toen Baranov eens terug moest naar Kodiak in 1802, vielen de Tlingits uit een nabijgelegen dorp aan en verwoestten Michailovsk, waarbij bijna de hele bevolking werd gedood. Baranov keerde daarop in 1804 terug met een Russisch oorlogsschip en verwoestte het snel gebouwde Tlingitfort op de plek van de nederzetting tijdens de Slag om Sitka. De Tlingitbevolking vluchtte naar de andere zijde van het eiland en Baranov liet de nederzetting Novo-Archangelsk (naar Archangelsk, de geboorteplaats van Baranov) en een groot fort bouwen op dezelfde plek. Deze plaats werd vier jaar later de hoofdplaats van Russisch-Amerika en werd later hernoemd tot Sitka.

Terwijl Baranov zich bezighield met het vestigen van het Russische gezag in Alaska, hield Sjelichov zich bezig met het regelen van een monopolie op de pelshandel in Alaska. In 1799 wist de schoonzoon van Sjelichov, Nikolaj Rezanov, een monopoliepositie te verwerven uit de handen van tsaar Paul I. Hij zette daarop de Russisch-Amerikaanse Compagnie op, waarvan, in ruil voor de monopoliepositie, werd verwacht dat het bedrijf nieuwe nederzettingen zou stichten in Alaska en het kolonisatieprogramma sterk zou uitbreiden.

Van 1800 tot 1867 thumb|Aleksandr Baranov, de "Lord of Alaska", speelde niet alleen een actieve rol in de Russisch-Amerikaanse Compagnie, maar was ook de eerste gouverneur van Alaska.

In 1804 had Baranov – inmiddels bedrijfsleider van de Russisch-Amerikaanse Compagnie – een stevige positie voor de pelshandel van het bedrijf gevestigd in Amerika door de afloop van de Slag om Sitka. Ondanks deze inspanningen zouden de Russen Alaska nooit echt koloniseren. Hun activiteiten beperkten zich grotendeels tot de oostelijke kustregio en ze meden het binnenland. Rond 1830 begon het Russische monopolie op de handel te verzwakken toen het Brits-Canadese bedrijf Hudson's Bay Company een handelspost opzette aan de zuidelijke rand van Russisch-Amerika in 1833 en zo handel begon af te snoepen van de Russen.

Ook de Amerikanen begonnen zich in die tijd te bemoeien met Russisch-Amerika. Hun voorraadschepen konden de Russische koloniën veel sneller bereiken dan de voorraadschepen uit Rusland en Baranov werd hiervan steeds afhankelijker. Daarnaast konden de Amerikanen pelzen verkopen op de Kantonese markt, die gesloten was voor de Russen. De keerzijde hiervan betekende dat Amerikaanse jagers en stropers zich begin 19e eeuw steeds vaker begaven in gebieden, die de Russen als hun eigendom beschouwden. In 1812 werd een overeenkomst bereikt, waarbij de Russen de exclusieve rechten verkregen op de pelshandel boven de 55e breedtegraad en de Amerikanen ten zuiden daarvan. Deze overeenkomst werd echter al snel weer opzij geschoven en toen Baranov met pensioen ging in 1818, verslapte de Russische grip op het gebied nog verder.

In 1821 werd het handvest van de Russisch-Amerikaanse Compagnie vernieuwd, waarbij werd ingesteld dat de hoofdbestuurders vanaf die tijd marineofficieren moesten zijn. De meeste marineofficieren hadden echter geen ervaring met de pelshandel, hetgeen verdere schade opleverde voor het bedrijf. Dit tweede handvest probeerde ook al de contacten met buitenlanders te stoppen, bedoeld waren natuurlijk de Amerikaanse concurrenten, maar deze strategie bleek echter een misser, daar de Russische kolonie gewend was geraakt aan de bevoorrading door Amerikaanse schepen en de Amerikanen betrouwbare kopers waren van de pelzen. Uiteindelijk sloot de Russisch-Amerikaanse Compagnie een overeenkomst met de Hudson's Bay Company, waardoor de Britten voortaan door Russisch gebied konden varen. In 1825 werd een verdrag gesloten met de Britten over het verloop van de grens langs de 141e lengtegraad, maar in het zuiden was de grens minder goed gedefinieerd en zorgde na 1867 nog voor een nieuw conflict tussen de Amerikanen en Britten over het verloop van deze grens, dat uiteindelijk – na arbitrage – door een grensverdrag in 1908 werd opgelost.