Francisco Paulino Hermenegildo Teódulo Franco y Bahamonde Salgado Pardo (El Ferrol, 4 december 1892 – Madrid, 20 november 1975), kortweg Francisco Franco y Bahamonde, en beter bekend als generalísimo Francisco Franco was een Spaans staatsleider, regent, president en generaal. Hij regeerde van 1939 tot zijn dood in 1975 als dictator over Spanje. Na het concordaat met de Heilige Stoel in 1953 liet hij zich Caudillo de España por la Gracia de Dios (vertaald: leider van Spanje bij de Gratie Gods) noemen. In de laatste jaren van zijn bewind (1969-1975) bereidde Franco nauwgezet de politieke machtsoverdracht aan de toekomstige koning Juan Carlos I van Spanje voor, die uiteindelijk de democratische overgang en federalisering van het Spaanse politieke bestel zou inleiden.

Familie en jeugd Franco werd geboren in El Ferrol (van 1938 tot 1982 ook bekend als El Ferrol del Caudillo), een belangrijke havenstad van de Spaanse marine in Galicië. Zijn vader Nicolás Franco y Salgado de Araújo (1855-1942) was officier bij de marine. Ook zijn moeder, María del Pilar Bahamonde y Pardo de Andrade (1865-1934), kwam uit een familie die voor de marine werkte.

Franco groeide niet in een gelukkig gezin op. Zijn vader gaf zich over aan spel en drank en had buitenechtelijke relaties. Zijn moeder was zeer vroom en afkomstig uit kleinburgerlijke omstandigheden. In de vele huiselijke ruzies koos de jonge Francisco altijd partij voor zijn moeder. Zijn vader was bijzonder streng voor hem. Toen Franco's vader uiteindelijk met een veel jongere vrouw in Madrid ging wonen, heeft hij geen contact met zijn zoon meer gehad. Verondersteld wordt dat veel van Franco's karaktereigenschappen een gevolg zijn van zijn antipathie voor zijn vader: hij rookte niet, dronk niet, deed niet aan kaartspelen en bezocht geen kroegen of bordelen.

In het spoor van zijn oudere broer Nicolás wilde Francisco marine-officier worden, maar de marineschool aanvaardde geen nieuwe inschrijvingen tussen 1906 en 1913. Tot groot ongenoegen van zijn vader besloot hij om bij het leger te gaan. In 1907 werd hij ingeschreven in de infanterie-academie in Toledo. Hij was geen goede student, alleen in het vak geschiedenis was hij boven de middelmaat, maar zijn ernst en plichtsbesef zouden zijn carrière vooruithelpen.

Vroege carrière thumb|105px|Wapen van familie Franco Bahamonde Na in 1910 te zijn afgestudeerd als luitenant, verbleef hij eerst in een garnizoen in zijn geboortestad. Twee jaar later werd hij op eigen verzoek naar Marokko gestuurd. Pogingen van Spanje om dit nieuwe Afrikaanse protectoraat te bezetten, leidden tot de Rifoorlog, die van 1909 tot 1927 zou duren. De strategieën van het Spaanse leger van die tijd hadden hevige verliezen onder Spaanse soldaten en officieren tot gevolg, maar gaven ook de kans om promotie te maken door verdienste. Zo werd er gezegd dat officieren twee dingen konden krijgen: la caja o la faja (de kist of het generaalslint). De hardheid van de koloniale strijd leerde hun echter ook meedogenloos op te treden tegen de inlandse bevolking en tegen burgers. Het 'Leger van Afrika' werd zo de kweekschool van de elite van het Spaanse officierenkorps.

Franco kreeg hier al snel de reputatie van verdienstelijk officier en ging bij de pas gevormde Regulares: Marokkaanse troepen met Spaanse officieren. Op zijn 21ste werd hij voor oorlogsfeiten bevorderd tot kapitein, waarmee hij de jongste kapitein in het Spaanse leger werd.

In 1916 raakte hij levensgevaarlijk gewond in de strijd nabij El Biutz. Dat hij zijn zware verwondingen overleefde, was voor zijn Marokkaanse troepen het bewijs dat hij een man van baraka (goed geluk) was. Hij werd voorgedragen voor de Cruz Laureada de San Fernando, de hoogste Spaanse militaire decoratie en hij werd ook gepromoveerd tot bataljonscommandant (comandante, gelijk aan majoor), de jongste in het Spaanse leger op dat moment. Om zijn bevordering te verkrijgen had Franco zich rechtstreeks tot de Spaanse koning moeten wenden.

Franco werd daarop overgeplaatst naar Oviedo in Asturië, waar hij het bevel over een bataljon voerde. Daar maakte hij kennis met Carmen Polo y Martínez Valdés, de dochter van een vermogende advocaat. Ze zouden elkaar steeds trouw blijven, maar Carmens vader stond aanvankelijk afkerig tegen het huwelijk van zijn dochter met een officier van vrij eenvoudige afkomst. Nog tijdens zijn verblijf in Oviedo onderdrukte Franco op bevel van de regering een staking van Asturische mijnwerkers.

Het Vreemdelingenlegioen

thumb|Standbeeld te Melilla van Franco als bevelhebber van het Spaans Vreemdelingenlegioen In 1920 richtte Spanje naar Frans voorbeeld het Spaans Vreemdelingenlegioen op, onder leiding van luitenant-kolonel José Millán-Astray. Aanleiding was de opstand in de Rif. Op zijn verzoek werd Franco onderbevelhebber. Millán-Astray en Franco leidden het Legioen, dat grotendeels uit avonturiers en misdadigers bestond, op tot geduchte gevechtstroepen, die bijzonder bruut konden optreden tegenover de burgerbevolking. Terreur werd een onderdeel van de tactiek van het Legioen.

Op 24 juli 1921 leed het slecht uitgeruste Spaanse leger bij Annual een zware nederlaag tegen de Rif-stammen die geleid werden door de gebroeders Abd el-Krim. Na een geforceerde mars van drie dagen redde het bataljon legionnairs van Franco de stad Melilla. Hierdoor verkreeg Franco nationale roem. Hij werd echter niet meteen opnieuw bevorderd en toen hij gepasseerd werd als opvolger van Millán-Astray als hoofd van het Legioen, vroeg hij zelf om naar Oviedo terug te mogen keren. Daar werd hij ontvangen als een held en kreeg toegang tot de hogere kringen. Koning Alfons XIII gaf hem de eretitel van 'kamerheer van Zijne Majesteit'. Niets stond een verloving met Carmen Polo nog in de weg. Nog voordat het huwelijk kon plaatsvinden, in 1923, keerde hij naar Afrika terug, nadat de regering hem had bevorderd tot luitenant-kolonel en benoemd tot commandant van het Vreemdelingenlegioen. Op 23 oktober van dat jaar kon hij tijdens een kort verlof in Oviedo in het huwelijk treden. De koning – vertegenwoordigd door de militaire gouverneur – trad op als getuige.

De Rifoorlog werd in Spanje steeds impopulairder. Generaal Miguel Primo de Rivera, die in 1923 met de steun van de koning een militaire dictatuur had gevestigd, dacht erover zich uit Marokko terug te trekken. Tijdens een bezoek van Primo de Rivera aan het 'Leger van Afrika' protesteerde Franco tegen dit voornemen. Hij stelde zelf een plan voor om de rebellen van Abd el-Krim definitief te verslaan, waarbij hij de steun van de koning kreeg. De bevolking werd vanuit de lucht gebombardeerd met mosterdgas en andere chemische wapens.

In 1925 kwam er een massale Frans-Spaanse campagne tegen de Rif-Republiek, met inzet van bijna 500.000 manschappen. Franco leidde de eerste golf van 13.000 landingstroepen nabij Alhucemas. Deze landing, in het kerngebied van de stam van Abd el-Krim, betekende, mede dankzij de Franse invasie vanuit het zuiden, het einde van de jonge Rifstaat.

Franco werd in 1928 als jongste generaal van Spanje hoofd van de pas opgerichte Verenigde Militaire Academie van Zaragoza, een nieuwe academie voor alle cadetten.

De Tweede Spaanse Republiek Met de val van de Spaanse monarchie in 1931 bemoeide Franco zich niet. Hij had zich ook in het verleden altijd apolitiek opgesteld. Maar het sluiten van zijn militaire academie, in juni 1931, door minister van Oorlog Manuel Azaña bracht zijn eerste conflict met de Republiek. De linkse Azaña vond de afscheidsspeech van Franco voor de cadetten beledigend en Franco was zes maanden zonder positie en werd door de staat onder bewaking geplaatst. Franco bleef echter loyaal aan de regering, aangezien de leiding van de nieuwe republiek in de praktijk nog in handen van geestverwanten van Miguel Primo de Rivera bleef.

Op 5 februari 1932 kreeg hij een commandopositie in La Coruña. Franco slaagde erin om niet betrokken te raken bij de poging tot staatsgreep van José Sanjurjo en schreef zelfs een boze brief naar Sanjurjo waarin hij zijn woede over de staatsgreep ventileert. Als resultaat van de hervormingen van Azaña kreeg Franco het militair bevel over de Balearen, een positie die eigenlijk boven zijn rang stond.

De opstand in Asturië Nieuwe verkiezingen in oktober 1933 brachten een centrum-rechtse meerderheid van monarchisten, conservatieven, christendemocraten en liberalen aan de macht. Op 5 oktober 1934 brak, als weerstand tegen het nieuwe kabinet, een gewelddadige linkse opstand uit, gesteund door communisten en anarchisten. De opstandelingen richten zich tegen de overheid, Kerk, grondbezitters, grote boeren en industriëlen. In de meeste gebieden werd deze revolutie neergeslagen, maar in Asturië hield ze stand, geleid door de anarchistische vakbond van de mijnwerkers. Diego Hidalgo, de nieuwe Minister van Oorlog, gaf Franco het commando om deze opstand neer te slaan. Franco gebruikte zijn Marokkaanse troepen van het Spaans Vreemdelingenlegioen als speerpunt. Na twee weken van zware gevechten werd de opstand neergeslagen. Naar schatting vielen er tussen de 1.200 en de 2.000 doden – aan beide zijden – bij het neerslaan van de revolutie. Enige tijd hierna werd Franco hoofd van het Spaanse Vreemdelingenlegioen in Afrika.

De verkiezingen van 1936 Toen in februari 1936 het Volksfront de omstreden verkiezingen won, deed Franco een loyaal beroep op de nieuwe premier Manuel Azaña om de staat van beleg uit te roepen, wat deze weigerde. In plaats daarvan stuurde hij Franco als gouverneur naar de Canarische Eilanden, een veredeld soort ballingschap.

De Spaanse Burgeroorlog thumb|Guernica na het Duits bombardement Het ontbrak Franco aan de middelen om de burgeroorlog te bekostigen omdat de Spaanse schatkist zich in Madrid bevond, maar er was een georganiseerde economische lobby vanuit Londen die tegemoetkwam aan Franco's financiële noden. Deze lobby had haar hoofdkwartier in Lissabon. Uiteindelijk zou Franco omvangrijke economische en diplomatieke hulp krijgen uit het buitenland.

De eerste maanden Op 18 juli 1936 begon na een destabiliserende periode van wederzijdse politieke liquidaties, vervolging van conservatieven en openlijke straatconflicten de Spaanse Burgeroorlog. De eerste dagen van de opstand draaiden om het verwerven van de macht in Spaans-Marokko. Franco zocht enerzijds de steun van de autochtone Marokkaanse bevolking en anderzijds de zeggenschap over de Spaanse troepen die er gelegerd waren. Dit leidde tot de executie van 200 officieren die loyaal bleven aan de Republiek, onder wie een neef van Franco. Hij kampte ook met een transportprobleem. De meeste vlooteenheden waren loyaal aan de Republiek en blokkeerden de Straat van Gibraltar. Het was daarom niet mogelijk zijn troepen van Spaans-Marokko naar het Spaanse vasteland over te brengen. Franco wendde zich tot Mussolini die een onvoorwaardelijk aanbod deed van wapens en vliegtuigen. Tegelijkertijd slaagde Abwehr-chef Wilhelm Canaris erin om in nazi-Duitsland Hitler ertoe over te halen de Spaanse nationalisten te steunen. Vanaf 20 juli stelde Franco met behulp van 22 Duitse Junkers Ju-52-vliegtuigen, een luchtbrug in naar de door nationalisten beheerste stad Sevilla. Met behulp van zijn vertegenwoordigers begon hij te onderhandelen met het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Italië om meer hulp, en vooral meer vliegtuigen te krijgen. Onderhandelingen met de laatste twee waren succesvol op 25 juli en op 2 augustus kwamen nieuwe vliegtuigen aan in Tétouan. Op 5 augustus slaagde Franco erin de blokkade te doorbreken met zijn nieuwe luchtmacht, waardoor hij 2.000 soldaten per schip kon laten overkomen.