De Slag bij Malplaquet, die op 11 september 1709 werd geleverd op de grens van de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk, bij het Franse gehucht Malplaquet, was een van de belangrijkste veldslagen van de Spaanse Successieoorlog. Aan de zijde van de Grote Alliantie hadden de hertog van Marlborough en prins Eugenius de leiding; aan de zijde van Frankrijk en zijn bondgenoten de maarschalken Villars en Boufflers. De slag verliep zeer bloedig. Hoewel volgens de militaire normen van die tijd de overwinning naar de geallieerden ging, was dit op zijn best een pyrrusoverwinning. Het Nederlandse leger leed ernstige verliezen.

Achtergrond Nog voor het begin van de Spaanse Successieoorlog had Marlborough namens koning-stadhouder Willem III het diplomatiek overleg over het hernieuwen van de Grote Alliantie gevoerd. Nadat Anna van Groot-Brittannië Willem in 1702 was opgevolgd, benoemde zij Marlborough tot kapitein-generaal van het Engelse leger. In de Republiek besloten de vier provincies waarin Willem het ambt van stadhouder had vervuld, die post vacant te laten. De Oostelijke gewesten stuurden hun jonge stadhouder Johan Willem Friso naar Malplaquet, maar de Staten-Generaal benoemden liever Marlborough tot luitenant-kapitein-generaal.Churchill, p. 286 Daarmee kwam hij dus aan het hoofd van de landstrijdkrachten van beide landen te staan, zij het dat hij zich het toezicht van gedeputeerden te velde moest laten welgevallen.Dit waren afgevaardigden van de Raad van State en de Staten-Generaal, die met het leger te velde meetrokken om de kapitein-generaal te adviseren en als een soort "politiek commissaris" fungeerden. Zij konden evt. een veto uitspreken over de besluiten van de kapitein-generaal en deden dit in de beginperiode ook regelmatig tot grote frustratie van Marlborough; Israel, p. 971. Overigens was het meezenden van gedeputeerden te velde geen novum; ook prins Maurits had er al last van. Willem III had zich er aan weten te onttrekken, maar na zijn verscheiden werd het instituut weer ingesteld; Israel, p. 972. De benoeming van gedeputeerden vond per campagne plaats. Tijdens de campagne van 1709 traden Sicco van Goslinga, Jacob van Randwijck, Willem Hooft en Philip Frederik Vegelin van Claerbergen als gedeputeerde op; Linden, noot 1

Het tweede grote contingent troepen voor de geallieerden werd geleverd door de Oostenrijkers. Die hadden in prins Eugenius een eigen kandidaat voor het opperbevelhebberschap van de geallieerde legers. Dit zou tot problemen hebben kunnen leiden, maar in de praktijk konden de twee uitstekend met elkaar overweg en voerden zij (als zij beiden aanwezig waren) gezamenlijk het opperbevel.

De Spaanse Successieoorlog werd wereldwijd uitgevochten. Er waren echter vier hoofdtonelen voor deze oorlog: het Iberisch schiereiland, Noord-Italië, Zuid-Duitsland en de Spaanse Zuidelijke Nederlanden. Hoewel strijdkrachten van de Republiek ook een belangrijke bijdrage aan de oorlog in Spanje en Zuid-Duitsland leverden, vochten zij overwegend in de Zuidelijke Nederlanden. Daar vormden zij doorgaans het grootste contingent.In 1708 119.000 man Staatse troepen tegen 70.000 Britten; Israël, p. 971 Hoewel de geallieerden onder Marlborough enige belangrijke veldslagen wonnen in dit oorlogstoneel, zoals de Slag bij Ramillies en de Slag bij Oudenaarde, wisselden de krijgskansen regelmatig. Toch leek Frankrijk tegen het eind van 1708 het onderspit te gaan delven. Frankrijk deed daarom toenaderingen voor vredesonderhandelingen, maar die werden door overvragen van de geallieerden in de lente van 1709 afgebroken.Churchill, ch. 73 De oorlog werd dus onverminderd voortgezet in de zomer van 1709.

Strategische situatie aan de vooravond thumb|Het Beleg van Doornik in 1709 Na de voor de geallieerden zeer gunstig verlopen campagne van het jaar 1708 en de uitzonderlijk strenge winter van dat jaar,Zie bijvoorbeeld Le terrible hiver de l'an 1709 die in Frankrijk tot grote ontberingen onder de bevolking leidde, maar ook de proviandering van beide legers bemoeilijkte,Men bedenke dat het foerageren voor honderdduizend paarden geen eenvoudige zaak was. Men kon een vijandelijke opmars bemoeilijken door eenvoudig alle gras, hooi en haver uit een bepaald gebied te verwijderen. volgde de Franse opperbevelhebber Villars een defensieve strategie op bevel van het hoofdkwartier te Versailles. Hij ontweek de directe confrontatie met Marlborough, daartoe in staat gesteld door de sterke Franse fortenlinie. De geallieerden belegerden daarop in de zomer van 1709 een aantal van die vestingen, waaronder die van Doornik en Ieper, in de hoop daarmee een slag met het Franse veldleger te forceren. Doornik viel na een beleg van negentig dagen. Inmiddels was het grootste deel van het campagneseizoen verlopen. Liever dan door een voortzetting van het beleg van Ieper het uitbreken van ziekten in het kamp der belegeraars door de verslechterende weersomstandigheden te riskeren, verplaatste Marlborough zijn druk op het Franse front naar het oosten. Hij sloeg het beleg voor Bergen. Villars zag zich nu gedwongen (zoals Marlborough gehoopt had) inderdaad de confrontatie aan te gaan, door de belegeraars te bedreigen. Hij trok daartoe op naar het strategisch gelegen dorp Malplaquet,Nu in Frankrijk gelegen. Op het moment van de veldslag maakte dit dorp echter nog deel uit van de Spaanse Nederlanden. ten zuidwesten van Bergen, en groef zich daar in. Dit was een voor die tijd ongebruikelijke voorzorgsmaatregel, die echter tijdens de slag de Fransen aanzienlijke voordelen opleverde.

Verloop van de slag thumb|Slag bij Malplaquet

Zoals het kaartje laat zien, werd het slagveld gekenmerkt door een vlakte, met twee dichte wouden aan weerszijden.Zoals vaak gebruiken verschillende auteurs verschillende namen voor die bossen. Churchill, wiens beschrijving van de slag wij hier in hoofdlijnen volgen, noemt het bos aan de geallieerde linkerzijde dat van Lanière en dat aan de geallieerde rechterzijde dat van Tasnières. Van der Linden spreekt van het bos van Jansart, resp. het bos van Sart. De Fransen hadden door de vlakte een geïmproviseerde linie gebouwd, die aan beide zijden verankerd was in versterkingen die in het bos doorliepen. Door de aanwezigheid van die bossen was het omtrekken van de Franse linie voor een flankeerbeweging (zoals die met succes was uitgevoerd tijdens de slagen bij Ramillies en Oudenaarde), niet eenvoudig. Villars kende inmiddels de voorkeur van Marlborough voor een dergelijke tactiek.

De geallieerde opstellingen waren als volgt: op de linkerflank het Nederlandse Staatse leger, nominaal onder opperbevel van de graaf van Tilly, maar bij deze gelegenheid voor het eerst geleid door de jonge prins Johan Willem Friso van Nassau-Dietz met 30 bataljons.Hierbij waren negen bataljons Zwitserse en twee bataljons Schotse huurlingen inbegrepen; Linden, p. 3 In het midden de Engelsen onder Orkney met 15 bataljons en het contingent van Pruisen onder Lottum met 22 bataljons. Op de rechterflank de Oostenrijkse troepen van het Duitse Rijk onder Schulenburg met 40 bataljons, alsmede 19 bataljons Engelsen onder lt.-gen. Henry Withers. De reserve-hoofdmacht stond onder direct bevel van Marlborough en Eugenius.

Daartegenover stond een bijna even sterk leger (118 bataljonsLinden, p. 2) van Fransen en bondgenoten (de keurvorsten van Beieren en Keulen en enige bataljons Ierse ballingen). De infanterie had zich ingegraven. Daarachter stond de Franse cavalerie in reserve opgesteld. Villars bevond zich op de rechtervleugel; zijn onderbevelhebber Boufflers leidde de linkervleugel.

Het krijgsplan van Marlborough was een variant op dat van Blenheim. Hij wilde de Fransen achtereenvolgens op beide flanken aanvallen, in de hoop dat zij dan hun centrum zouden verzwakken. Dat centrum zou dan door de Britse infanterie-in-reserve moeten worden doorbroken, waarbij de Franse veldwerken bezet zouden worden. De geallieerde cavaleriehoofdmacht (30.000 man sterk) zou vervolgens door die veldwerken trekken en de Franse cavalerie erachter aanvallen met de blanke sabel.Churchill, p. 729

Het krijgsplan van Villars (die dit op basis van de eerder door Marlborough gevoerde tactiek wel verwachtte) was het spiegelbeeld hiervan: nadat de geallieerde aanvallen gestuit zouden zijn, zou de achter de Franse redans opgestelde cavalerie die in omgekeerde richting doorschrijden en dan aan de tegengestelde kant de voorziene cavalerieslag beginnen.Linden, p.2

Eerste fase: mislukte schijnaanval miniatuur|De prins van Oranje en zijn Nederlandse troepen tijdens de slag Het krijgsplan overleefde de eerste minuten van de slag niet. De bedoeling was de beide Franse vleugels bijna gelijktijdig aan te vallen, waarbij de Britse troepen van generaal Withers aanvankelijk aan de Nederlandse linkervleugel waren toegedacht. Withers (die van het Beleg van Doornik moest komen) arriveerde echter te laat en werd daarom op de rechtervleugel, in plaats van de linker, geplaatst. De linkervleugel was daarom te zwak om het oorspronkelijke plan door te voeren en moest toen een secundaire aanval inzetten, een half uur later dan de rechtervleugel.Churchill, p. 732

Marlborough had overigens verzuimd de prins van OranjeDe claim van Johan Willem Friso op de titel was op dat moment nog in dispuut. hierover in te lichten.Linden, p. 3 Die begon derhalve op de afgesproken tijd (8.30 uurEr is een tijdverschil van een uur tussen de tijdstippen die Churchill en Van der Linden opgeven; 8.30u is het tijdstip dat Van der Linden geeft.), een half uur na het begin van de aanval op de rechtervleugel, met een serieuze aanval, waar een schijnaanval beoogd was. De Schots/Zwitsers/Nederlandse troepen onder zijn bevel waren sterk in de minderheid door het ontbreken van het contingent van Withers.De Fransen beschikten op dit deel van het front over ongeveer het dubbele aantal troepen: 60 bataljons tegen 30; Linden, p. 8 Bovendien vielen zij aan op een versterkt front, waar bovendien een Franse batterij van rechts enfilerend vuur kon afgeven. Duizenden Schotten en Nederlanders werden dan ook neergemaaid,In het eerste halfuur al 5000 doden en gewonden; Linden, p. 5 terwijl zij in voorbeeldige discipline opmarcheerden. Niettemin veroverden zij de Franse veldwerken voor de eerste maal. Zij hadden echter te grote verliezen geleden om weerstand te kunnen bieden aan een tegenaanval van de Franse reserve achter dit deel van het front en moesten, nog steeds in voorbeeldige orde, terugtrekken, waarbij velen, ook hoge officieren, sneuvelden.Churchill, pp. 732-733

De prins van Oranje, die inmiddels al twee paarden onder zich weggeschoten had gezien, leidde nu persoonlijk een nieuwe infanterieaanval te voet. Onder grote verliezen werd opnieuw de Franse linie veroverd, waarbij de prins persoonlijk een Zwitsers vaandelVan het 1e Regiment Zwitsers van Bern o.l.v. de kolonel May van Huningen; Linden, p. 5; zie ook Infanterie Regiment 693c op de borstwering plantte. Maar opnieuw werden de Staatse troepen teruggedreven, nu in wanorde. Onderwijl hadden zeven Staatse bataljons onder lt.-gen. Fagel de strategisch gelegen Bléronhoeve zonder succes aangevallen.Zij werden daarbij gesteund door twee bataljons Hannoverse troepen van de reserve onder generaal Rantzau, die gedeputeerde te velde Goslinga persoonlijk had opgevorderd; Churchill, p. 734 De aanval op de linkervleugel was derhalve een totale mislukking. Ook op de rechtervleugel maakten de geallieerden geen vorderingen, zij het dat de verliezen die daar geleden werden aanzienlijk lichter waren.

Middenspel