De SOMUA S35 is een Franse middelzware cavalerietank uit het Interbellum.
Ontwikkeld vanaf 1934, was het type bedoeld om er in een aantal van zeshonderd de pantserdivisies van de Cavalerie mee uit rusten. Eerst door geldgebrek en later vanwege de toepassing van een moeilijk te produceren pantser van gietstaal, bleef in juni 1940 de fabricage in feite beperkt tot 430. Een verbeterde versie met een gelaste toren, de SOMUA S40, is nooit in productie genomen. De SOMUA S35 was een vrij snelle tank en beter bepantserd en bewapend dan de toenmalige middelzware tanks uit Duitsland of de Sovjet-Unie. Daarom wordt hij wel de beste tank uit het begin van de Tweede Wereldoorlog genoemd. Zijn tactische effectiviteit werd echter beperkt door een eenmanstoren. Toch toonde hij zich in gevechten tijdens de Slag om Frankrijk in mei 1940 meestal de meerdere van zijn Duitse tegenstanders; dit werd echter irrelevant door de strategische fouten die leidden tot de Franse nederlaag: de Franse pantserdivisies van de Cavalerie werden door de onverwachte Duitse opmars door de Ardennen afgesneden. Voor de rest van de oorlog zouden de Duitsers en hun bondgenoten buitgemaakte voertuigen gebruiken.
Ontwikkelingsgeschiedenis Op 26 juni 1934 maakte de Franse Cavalerie nieuwe specificaties bekend voor een Automitrailleuse de Combat (AMC). Automitrailleuse ("machinegeweervoertuig met eigen aandrijving", het huidige woord voor pantserwagen) was een verhullende term om te verbergen dat het in feite om een tank ging: die mochten volgens de wet alleen bij de Infanterie ingedeeld worden. Al in 1931 waren er, in het kader van de geplande mechanisering van het Franse leger in antwoord op gelijksoortige ontwikkelingen bij de Sovjet-Unie, plannen opgesteld voor een hoofdgevechtstank, maar die behelsden een veel lichter voertuig. De nieuwe plannen voorzagen in een pantserdikte van veertig millimeter rondom, om de tank onkwetsbaar te maken voor de meeste antitankkanonnen van die tijd; een gewicht van dertien ton; een kanon van 47 of 25 mm; minstens één machinegeweer, een rijbereik van tweehonderd kilometer op de weg en vijf uur in het terrein, een kruissnelheid op de weg van dertig km/u en een bemanning van drie.
Zoals zo vaak in Frankrijk gebeurde bij de aanschaf van wapens, waren er al vooraf contacten geweest tussen het leger en de industrie. Renault was als reactie op de eerste specificaties al een type aan het ontwikkelen: de AMC 34. De Cavalerie had er echter een hard hoofd in dat dit zou resulteren in een bruikbaar voertuig. Na eerdere ervaringen met de AMR 33 vertrouwde men Renault op dit punt niet meer. Men ging dus gretig in op een plan, na eerdere contacten over een zestons (de AC1 van 1931) en een negentons (de AC2 van 1933) tank, dat op 17 mei aan de Service de l'Armement voorgelegd werd door een dochtermaatschappij van het bedrijf Schneider: de Société d'Outillage Mécanique et d'Usinage d'Artillerie ofwel SOMUA, gevestigd te Saint-Ouen, om een prototype te bouwen dat gebruik zou maken van gietstaal. Op 16 juli werd het contract hiervoor getekend en de constructie begon op 12 oktober 1934.
Eerst werden twee houten maquettes gemaakt van een schaal 1:5. Het prototype, genaamd AC3 ("AC" staat voor Automitrailleuse de Cavalerie), kon, doordat de belangrijkste voorbereidende studies reeds uitgevoerd waren, al klaar zijn op 14 april 1935. Zoals gebruikelijk bestond het slechts uit een romp; een ijzeren cilinder was daarbovenop aangebracht om het gewicht van de toren te simuleren. Het werd getest bij de Commission de Vincennes tussen 4 juli en 2 augustus 1935. Hierbij kwamen een aantal afwijkingen van de specificaties aan het licht: het gewicht lag in feite op zeventien ton en de gevraagde kruissnelheid werd niet gehaald. Wel was het type zeer snel in het terrein. Het algehele oordeel van de commissie was niet ongunstig maar omdat het motorlawaai extreem hoog was, keerde het prototype terug naar de fabriek om tussen 5 augustus en 15 oktober van een andere type motor voorzien te worden. Tussen 15 oktober en 17 december 1935 volgden nieuwe beproevingen. Die resulteerden echter niet in een eindoordeel want de commissie had te horen gekregen dat een geheel verbeterd type in aanbouw was; het leek eerlijker daarover een mening te geven want aan het oorspronkelijke prototype waren nu zoveel veranderingen aangebracht dat de componenten niet meer goed bij elkaar pasten. Daarna werd een voorserie van vier gebouwd van een verbeterde versie, de AC4, waarmee rijproeven werden gehouden tussen 1 juli 1936 en 3 maart 1937. Deze eerste voertuigen hadden de standaard APX1 toren, ook gebruikt voor de Char D2 en de Char B1, met het korte 47 mm SA 34 kanon, dat een slecht doorslagvermogen had. Gelijktijdig werden schietproeven gehouden voor een verbeterd kanon met een provisorische torenopstelling te Versailles. In reactie op de testen werden verbeteringen aangebracht aan de motor, de rupsband, het aandrijfwiel en de ventilatie. Op 27 januari 1938 keurde de commissie het type dan eindelijk goed, met de aanmerking dat het beste was een rupsband te gebruiken met langere schakels van 105 in plaats van 75 millimeter.
Ondertussen was echter de internationale situatie zo verslechterd door de Rijnlandcrisis dat al op 25 maart 1936 de AC4 geaccepteerd werd als de standaard middelzware tank van de Cavalerie met als officiële naam Automitrailleuse de Combat modèle 1935 S (of AMC 1935 S); tegelijkertijd werd er een eerste bestelling gedaan van vijftig. Informeel noemde men het voertuig meestal de SOMUA S35; tegenwoordig komt men in de boeken ook vormen tegen als S35 of zelfs "S-35"; Franse teksten gebruiken hier echter de trait d'union niet. Wel werd het binnen de Cavalerie vanaf 1938 gebruikelijk om de pretentie dat het slechts een automitrailleuse betrof te laten vallen en sprak men van de Char 1935 S.
De voertuigen van deze eerste hoofdserie zouden het langere, en dus veel krachtigere 47 mm SA 35 kanon gebruiken, maar de mechanische verbeteringen uit 1937 konden er nog niet in verwerkt worden; die zouden eerst hun toepassing vinden in verdere productiegroepen.
De Cavalerie had oorspronkelijk een totale aanschaf van zeshonderd voorzien, om drie pantserdivisies bijna volledig met het type uit te rusten maar vanwege bezuinigingen moest dat beperkt worden tot een tweede bestelling van 250; het tekort zou aangevuld worden met driehonderd Hotchkiss H35's, lichte infanterietanks die door de Infanterie waren afgewezen. Dit lichte type was traag en slecht bewapend en paste dus slecht bij de SOMUA S35. Vlak voor de oorlog werd er alsnog een derde bestelling gedaan van tweehonderd tanks.
De nieuwe productieserie werd op haar beurt weer kritisch getest door de Commission de Vincennes die in januari 1939 aanbeval de reminrichting te versterken.
De acceptatie van de SOMUA S35 betekende ook dat men niet meer zat te wachten op een verbeterd type van Renault. Toen dat in 1936 toch kwam, in de vorm van de AMC 35, werden er om politieke redenen vijftig van besteld maar die zijn voor de Duitse invasie nooit in dienst genomen.
Beschrijving miniatuur|De rechterzijde; het luik in het commandokoepeltje is later door de Duitsers aangebracht Voor een middelzware tank van die periode was de SOMUA S35 geen heel groot voertuig, met een lengte van 538, een breedte van 212 en een hoogte van 262 centimeter. Toch bedraagt het gewicht 19,5 ton, een teken dat er relatief veel massa zit in de bepantsering. Het voertuig is wat topzwaar. De vier (het prototype had er nog vijf) gegoten modules van de romp hebben een maximale dikte van 47 millimeter vooraan, 40 mm aan de zijkanten en 35 mm aan de achterkant. Twee vormen naast elkaar, en vastgesmeed, in de lengterichting het onderstel, 47 mm dik van voren, 25 mm dik aan de zijkant en van achteren, 20 mm dik op de bodem; de opbouw bestaat uit een voorkant (bestuurdersruimte en gevechtsruimte) en achterkant (motorcompartiment) en is met zware bouten op het onderstel bevestigd. Het is wel beweerd dat de verbindingsnaad een zwakke plek zou zijn geweest, in de zin dat een daar inslaande pantsergranaat de hele tank had kunnen splijten, maar er is geen enkel bewijs voor dat zoiets ooit echt gebeurd is. left|miniatuur|De motor van de SOMUA S35 De ophanging was ontworpen door hoofdingenieur Eugène Brillié, die in 1915 nog de eerste Franse tank ontwikkeld had, de Schneider. Later was hij in Tsjecho-Slowakije bij Škoda gaan werken en had daar voor de LT35 een ophanging ontwikkeld: acht loopwielen per zijde, per paar gevat door een wielonderstel en twee wielonderstellen weer verbonden aan een groter, geveerd door bladveren, en een spanwiel met springveer. Het aandrijfwiel zit aan de achterkant; de band wordt ondersteund door twee toprollers. Dit systeem werd door hem ook voor de SOMUA S35 toegepast. Het was goedkoop en geschikt voor een matige snelheid maar ook onderhoudsgevoelig. Helaas werd het beschermd door een stel tien millimeter dikke pantserplaten (de romp erachter was maar 25 mm dik) dat ook als moddervangers diende, dat slechts met de grootste moeite te verwijderen was. Bij de eerste vijftig voertuigen kostte het zeven man ongeveer een dag om het te repareren. Bij de latere series werden eenvoudiger te verwijderen bouten aangebracht en opklapbare platen maar het geheel bleef een achilleshiel. Bij latere voertuigen werden ook de oorspronkelijke rupsbanden met 144 schakels van 75 mm lengte vervangen door banden met 103 schakels van 105 millimeter lengte. De banden hebben een breedte van 36 centimeter. De bodemvrijheid is 42 centimeter, de wielbasis 170 cm, het overschrijdingsvermogen 235 cm, het klimvermogen vijftig centimeter, de klimhoek 35° en het waadvermogen een meter. miniatuur|Van de SOMUA S35 kon het gegoten pantser bijna helemaal in het veld verwijderd worden. Hier een tank met afgeworpen rupsband in reparatie in Tunis, in mei 1943; onder de verwijderde bovenbouw zijn de munitierekken goed zichtbaar Achteraan bevindt zich het motorcompartiment met een acht-cilinder 12700 cc SOMUA-benzinemotor van 190-200 pk die in feite ontworpen was door Javier-Sabin. De maximumsnelheid bedraagt 40,7 km/u. Achter de motor zit de transmissie, ook al afgeleid van die van de LT35. Naast de motor bevinden zich twee zelfdichtende brandstoftanks, een van 101 en een van 410 liter. De motor wordt gevoed uit de kleinere tank, die zelf automatisch via een overloop bijgevuld wordt uit de grotere. Het tanken moet geschieden door de kleinere tank te vullen die dan weer overloopt in de grotere. Onervaren bemanningen wilden nog weleens denken dat alles op voorraad was als de kleinere bijna vol raakte. Anders was het rijbereik 255 kilometer. Tussen de motor en de gevechtsruimte bevindt zich een brandvrij schot. Op verschillende punten is een automatisch Telecamit blusapparaat aanwezig, dat gebruikmaakt van methylbromide opgeslagen in drie druktanks. Om oververhitting te voorkomen zijn er grote ventilatiespleten op het achterdek en bij de eerste vijftig voertuigen ook in de onderhoudsluiken aan de rechterzijde van de romp; die worden later massief gemaakt om zwakke plekken te voorkomen.